Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2026:4341

Uit de beoordeling van de gronden van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 23 december 2025 terecht heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, ongegrond was en de zaak terecht zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak in stand blijft.

Rechtbank Midden-Nederland 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:4341 text/xml public 2026-08-03T10:23:14 2026-07-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-13 UTR 24/7058-V Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verzet NL Utrecht Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4341 text/html public 2026-08-03T10:22:51 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:4341 Rechtbank Midden-Nederland , 13-07-2026 / UTR 24/7058-V
Uit de beoordeling van de gronden van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 23 december 2025 terecht heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, ongegrond was en de zaak terecht zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak in stand blijft.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 24/7058-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 op het verzet van

[opposante] B.V., uit [opposante] , opposante

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),

Inleiding

1. Deze uitspraak op verzet gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht van 7 oktober 2024.

1.1. In de uitspraak van 23 december 2025 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.

1.2. De heffingsambtenaar heeft schriftelijk gereageerd op het verzet.

1.3. De rechtbank heeft het verzet op 1 juni 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van opposante heeft hieraan deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 23 december 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 23 december 2025 niet juist was.

3. De rechtbank stelt voorop dat de gemachtigde van opposante in het verzetschrift heeft verzuimd de gronden van het verzet te vermelden. De rechtbank heeft de gemachtigde van opposante de mogelijkheid gegeven het verzuim te herstellen. De gemachtigde van opposante heeft hierop gereageerd met brieven die min of meer hetzelfde zijn als de brieven die de gemachtigde van opposante heeft gestuurd in alle andere zaken waartegen verzet is ingesteld en die op de zitting van 1 juni 2026 zijn behandeld. Uit deze brieven blijkt dat de gemachtigde van opposante vindt dat de rechtbank de zaken ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. De gemachtigde van opposante stelt daarnaast dat hij in verzet de mogelijkheid heeft om gronden in te dienen. De brieven van de gemachtigde bevatten echter geen gronden over de waardevaststelling, maar alleen juridisch-technische argumenten waarom opposante van mening is dat het beroep niet met gebruik van artikel 8:54 Awb afgedaan kon worden. Deze argumenten staan in verschillende bijlagen, genaamd Specimen I, Specimen II, Betoog A en Betoog B. De gemachtigde van opposante heeft daarnaast op 24 april 2026 een reactie gestuurd op de brief van de rechtbank waarin een laatste termijn voor het indienen van concrete beroepsgronden wordt gegeven. Deze reactie bevat ook alleen juridisch-technische argumenten.

4. De gemachtigde van opposante heeft echter wel bij brief van 21 mei 2026 zaakspecifieke gronden ingediend. De rechtbank zal hierna eerst een oordeel geven over de algemene verzetgronden van opposante over het gebruik van artikel 8:54 Awb en zal daarna beoordelen of door de zaakspecifieke gronden twijfel ontstaat omtrent de juistheid van de kennelijk ongegrondverklaring van het beroep.

Oordeel over het gebruik van artikel 8:54 Awb

Algemene overwegingen

4.1. Artikel 8:54 Awb biedt de bestuursrechter de mogelijkheid om ervan af te zien het beroep ter zitting te behandelen wanneer hij na onderzoek van de gegevens van het dossier tot het oordeel komt dat voortzetting van het onderzoek niet nodig is om een van de in het eerste lid van dat artikel genoemde redenen, waaronder de reden dat het beroep kennelijk ongegrond is. Voor de beslissing af te zien van een behandeling ter zitting is niet de toestemming van partijen nodig. Deze regeling heeft de wetgever ingevoerd omdat het vanuit het oogpunt van rechtszekerheid en van proceseconomie weinig aantrekkelijk is als de bestuursrechter het onderzoek in deze gevallen volledig zou moeten voortzetten. De wetgever is ervan uitgegaan dat de bestuursrechter van deze ingrijpende bevoegdheid een prudent gebruik maakt.

4.2. De belanghebbende kan op de voet van artikel 8:55, lid 1, Awb verzet doen tegen de uitspraak die de bestuursrechter met toepassing van artikel 8:54 Awb heeft gedaan. Dat verzet betreft de vraag of de bestuursrechter ten onrechte behandeling van het beroep ter zitting achterwege heeft gelaten vanwege de kennelijke uitkomst, in dit geval de ongegrondheid, van het beroep.

4.3. Het verzet van opposante gaat dus uitsluitend om de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan door de kennelijke uitkomst van het beroep van opposante tegen de uitspraak op bezwaar. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze verzetprocedure beperkt moet zijn tot de vraag of de rechtbank in de uitspraak terecht het beroep ongegrond heeft verklaard zonder opposante op een zitting te horen. Gronden die niet over die vraag gaan, kunnen niet leiden tot een gegrond verzet omdat de rechtbank daarover in deze procedure niet mag oordelen. Die gronden kan en zal de rechtbank daarom niet inhoudelijk behandelen.

4.4. Indien in verzet argumenten naar voren worden gebracht die bij een normale behandeling van de zaak – dat wil zeggen: met een onderzoek ter zitting in de zin van artikel 8:56 Awb – nog hadden kunnen worden aangevoerd, dient de rechter het verzet te beoordelen met inachtneming van die argumenten.Als twijfel ontstaat omtrent de juistheid van de in verzet bestreden uitspraak, dient de verzetsrechter het verzet gegrond te verklaren opdat het onderzoek wordt voortgezet.

4.5. Het in artikel 8:54 Awb gehanteerde begrip ‘kennelijk’ betekent dat over de in die bepaling vermelde redenen om een onderzoek ter zitting achterwege te laten, in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. Nu de heffingsambtenaar met het verweerschrift en de taxatiematrix aannemelijk heeft gemaakt dat bij de waardevaststelling niet uit is gegaan van een te hoge waarde en opposante in de gehele procedure tot aan de 8:54-uitspraak geen concrete op de zaak toegespitste beroepsgronden heeft ingediend, kon de rechtbank inderdaad tot geen andere conclusie komen dan dat opposante de waardevaststelling niet gemotiveerd heeft betwist en de het beroep terecht kennelijk ongegrond is verklaard.

4.6. Wat opposante in verzet heeft aangevoerd geeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de in verzet bestreden uitspraak. Dat zal hierna worden toegelicht.

Specimen I

5. Opposante verwijst naar een brief van de Rechtbank Oost-Brabant. Volgens opposante hoort het op deze manier en dient dit te worden gevolgd.

5.1. De rechtbank overweegt dat de brief die de Rechtbank Oost-Brabant naar de gemachtigde van opposante heeft gestuurd een brief is in de zin van artikel 8:57 van de Awb. In deze brief schrijft de rechtbank namelijk dat een zitting in die zaak achterwege blijft, tenzij een van de partijen laat weten dat zij mondeling op een zitting wil worden gehoord. De rechtbank volgt opposante niet dat in deze zaak deze brief naar de gemachtigde van opposante had moeten worden gestuurd. Artikel 8:54 Awb geeft de rechtbank namelijk ook de mogelijkheid om een uitspraak te doen zonder zitting als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft hiervoor geen toestemming nodig van partijen. Dit is anders dan bij een uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57 Awb.

Specimen II

6. Opposante verwijst naar een infoblad over de procedure bij het team bestuursrecht van de rechtbank. In dit infoblad staat dat partijen zo spoedig mogelijk een aankondiging en dagdeel waarop de zaak zal worden behandeld, ontvangen. Opposante stelt dat hier geen uitzonderingen zijn vermeld.

7. De rechtbank overweegt dat opposante verwijst naar een infoblad dat als bijlage bij de ontvangstbevestiging van het beroep wordt meegestuurd. In dit infoblad wordt uitgelegd hoe een procedure bij het team bestuursrecht van de rechtbank in het algemeen verloopt. Dit infoblad staat los van de bevoegdheid van de rechter om in een zaak te beslissen dat het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat en om een uitspraak te doen zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb.

Betoog A

Onjuiste toepassing van het criterium “kennelijk ongegrond”

8. Opposante stelt dat voor de toepassing van artikel 8:54 Awb is vereist dat uit het dossier zonder nader onderzoek blijkt dat het bestreden besluit evident rechtmatig is en dat de aangevoerde beroepsgronden daaraan niets kunnen afdoen. Indien gemachtigde geen of nauwelijks concrete gronden heeft ingediend, kan de rechter het besluit echter niet inhoudelijk toetsen en dus ook niet vaststellen dat het beroep kennelijk ongegrond is. De redenering “er zijn geen concrete gronden, dus het beroep is kennelijk ongegrond” is juridisch onjuist. Het ontbreken van (voldoende) gronden zegt iets over de onderbouwing van het beroep, maar niet over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. In zo’n situatie ligt volgens opposante of niet-ontvankelijkverklaring in de rede of een normale behandeling met zitting indien er wel, zij het summiere, beroepsgronden zijn aangevoerd.

8.1. De rechtbank volgt opposante hierin niet. Bij de vaststelling van de waarde van een onroerende zaak op grond van de Wet WOZ gelden de normale regels met betrekking tot de verdeling van de bewijslast. Die regels brengen mee dat de rechter ten aanzien van de door een partij aangevoerde feiten en omstandigheden moet beoordelen in hoeverre die zijn bestreden en, zo ja, in hoeverre die door deze partij aannemelijk zijn gemaakt. Daarbij moet de rechter acht slaan op al hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd. De heffingsambtenaar heeft aan zijn bewijslast voldaan door in eerste instantie de waarde aannemelijk te maken door middel van een taxatiematrix. Het ligt vervolgens op de weg van opposante om specifieke beroepsgronden ten aanzien van de waardevaststelling aan te voeren. Op grond van artikel 8:69 van de Awb beoordeelt de bestuursrechter een bestreden besluit namelijk op basis van de aangevoerde gronden. Nu er geen specifieke gronden ten aanzien van de waardevaststelling zijn ingediend, kan de rechtbank deze ook niet bij haar beoordeling of de waardevaststelling juist is, betrekken. Omdat het bestreden besluit niet gemotiveerd is betwist, staat het eindoordeel daarom buiten redelijke twijfel.

8.2. De rechtbank overweegt voorts ten aanzien van het standpunt van opposante, dat in deze situatie een normale behandeling met zitting gewenst is, dat de gemachtigde van opposante voldoende in de gelegenheid is gesteld voor het indienen van concrete beroepsgronden. In de beroepsprocedure is de gemachtigde van opposante meermaals in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken en te onderbouwen. Voorts is hem nog een laatste termijn gegeven om concrete gronden aan te voeren. In deze brief staat dat als de gemachtigde dit niet doet, hij het risico loopt dat de rechtbank uitspraak doet zonder concrete gronden van de kant van opposante. Nu de gemachtigde van opposante binnen deze termijn geen concrete gronden heeft ingediend, zouden eventuele nieuwe beroepsgronden op de zitting tardief zijn. De werkwijze van de gemachtigde om pas ter zitting concrete beroepsgronden aan te voeren, is namelijk in strijd met de goede procesorde. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan te nemen dat juist het ontbreken van concrete gronden ervoor zorgt dat deze zaak op zitting had moeten worden gepland.

8.3. Bovendien is een niet-ontvankelijkheidsverklaring niet op zijn plaats, omdat de gemachtigde van opposante wel heeft aangevoerd dat de waarde onjuist is vastgesteld. Daarmee voldoet hij wel aan de vereisten van artikel 6:5 Awb en is er dus geen sprake van een niet-ontvankelijk beroep. Volgens vaste rechtspraak is het namelijk voldoende dat uit het beroepschrift blijkt dat betrokkene het niet eens is met de vastgestelde waarde.

Goede procesorde is geen grond voor vereenvoudigde afdoening

9. Opposante stelt dat in de door de rechtbank aangehaalde WOZ-zaken (ECLI:NL:RBMNE:2024:5197 en ECLI:NL:RBMNE:2025:6991) de goede procesorde een centrale rol speelt. Daarin laat de rechtbank gronden die pas ter zitting worden aangevoerd en niet aansluiten bij eerder ingediende stukken buiten beschouwing, omdat de wederpartij en de rechtbank zich daarop niet tijdig hebben kunnen voorbereiden. Dat betreft een inhoudelijke procesrechtelijke beslissing, maar vormt geen grond om de zaak zonder zitting af te doen. De rechtbank sanctioneert daar het procedeergedrag door bepaalde gronden buiten beschouwing te laten, maar respecteert de hoofdregel van behandeling ter zitting. De gebrekkige concretisering wordt dus niet gebruikt als rechtvaardiging voor vereenvoudigde afdoening, maar binnen een reguliere procedure beoordeeld.

9.1. De rechtbank overweegt dat de goede procesorde ook nu niet als grond is aangenomen voor de vereenvoudigde afdoening. In de uitspraak van de rechtbank die nu in verzet wordt bestreden, wordt de goede procesorde enkel genoemd ter onderbouwing van het oordeel dat er geen concrete gronden zijn ingediend en deze ook niet ter zitting zouden kunnen worden aangevoerd. De grondslag voor de uitspraak in de zin van artikel 8:54 Awb is dat er redelijkerwijs geen twijfel bestaat over de uitkomst van de zaak, omdat er geen concrete op de zaak toegespitste gronden zijn aangevoerd.

Werkwijze van de gemachtigde is geen beslissingscriterium

10. Opposante voert daarnaast aan dat de rechtbank in meerdere zaken opmerkt dat voor verschillende eisers dezelfde processtukken en standaardbrieven zijn gebruikt. Dat wekt de indruk dat de keuze voor vereenvoudigde afdoening (mede) is ingegeven door de werkwijze van de gemachtigde, aldus opposante. Artikel 8:54 Awb vergt echter een inhoudelijke beoordeling van het concrete geschil, niet een oordeel over de stijl of werkwijze van de gemachtigde. Het gebruik van standaardbrieven kan er hoogstens toe leiden dat algemene of niet-zaakspecifieke stellingen buiten beschouwing worden gelaten, dat laat ingebrachte nieuwe gronden niet worden toegelaten wegens strijd met de goede procesorde, of dat wordt geoordeeld dat bepaalde standpunten van het bestuursorgaan onvoldoende zijn bestreden. De rechtbank moet ook dan nog steeds beoordelen of er enige concrete beroepsgrond is en, zo ja, of de zaak inhoudelijk zó evident is dat een zitting achterwege kan blijven.

10.1. De rechtbank heeft in deze zaak beoordeeld of enige concrete beroepsgrond is ingediend anders dan de enkele stelling dat de waarde onjuist is vastgesteld. Nu de vastgestelde waarde in deze zaak toereikend is onderbouwd door de heffingsambtenaar en deze niet gemotiveerd is betwist, staat het eindoordeel buiten redelijke twijfel, waardoor een zitting achterwege kan worden gelaten. Bovendien zou het oordeel ter zitting niet anders zijn geweest, omdat eventuele nieuwe beroepsgronden buiten beschouwing zouden worden gelaten. De werkwijze van de gemachtigde ligt dus in zoverre niet ter beoordeling voor, maar die werkwijze zorgt er wel voor dat de rechtbank geen concrete beroepsgronden te beoordelen heeft. Het had op de weg van de gemachtigde van opposante gelegen om binnen de gestelde termijn concrete gronden in te dienen en te onderbouwen waarom de waardevaststelling onjuist zou zijn. Nu gemachtigde dit heeft nagelaten, is het beroep terecht kennelijk ongegrond verklaard.

Twijfel aan het “kennelijk”-karakter

11. Van een kennelijk ongegrond beroep is volgens de gemachtigde van opposante slechts sprake indien daarover in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. Uit de memorie van toelichting (PG Awb II, p. 450) volgt dat de wetgever van de rechter een prudent gebruik van deze bevoegdheid verwacht. Juist omdat het criterium zo strikt is - er mag in redelijkheid geen twijfel bestaan - moet terughoudendheid worden betracht. De gemachtigde van opposante stelt dat in zijn zaken het zeer wel mogelijk is dat nog juridische of feitelijke vragen bestaan die nadere bespreking vergen, bijvoorbeeld over de reikwijdte van de aangevoerde gronden, de motivering van het besluit of de wijze waarop het bestuursorgaan daarop is ingegaan. Dat staat op gespannen voet met de kwalificatie “kennelijk”.

11.1. De rechtbank volgt opposante hierin niet. Indien de gemachtigde van opposante van mening is dat er nog juridische of feitelijke vragen bestaan die een nadere bespreking vergen, dan had het op de weg van de gemachtigde van opposante gelegen om deze specifieke vragen op papier te zetten en als concrete beroepsgronden in te dienen. De gemachtigde van opposante is hiervoor ruimschoots in de gelegenheid gesteld, maar heeft het nagelaten enige op de zaak gerichte beroepsgrond in te dienen. Bovendien, voor zover de gemachtigde van opposante van mening is dat deze vragen ter zitting besproken hadden moeten worden, is de rechtbank van oordeel dat deze gronden, nu deze niet op papier staan, ter zitting tardief zouden zijn. Op de zitting zou het namelijk de eerste keer zijn dat de gemachtigde van opposante concrete gronden aanvoert.

Artikel 6 EVRM en de rol van verzet

12. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt volgens opposante dat artikel 6 EVRM zich niet per se verzet tegen vereenvoudigde afdoening zonder zitting, mits de procedure als geheel voldoet aan de eisen van een eerlijk proces. Partijen moeten reëel in staat zijn hun standpunt naar voren te brengen. Het ontbreken van een zitting kan worden gecompenseerd door ruime schriftelijke mogelijkheden of door een effectief verzet- of hoger-beroepsmechanisme. Dit veronderstelt echter wel dat in verzet een volledige en serieuze heroverweging plaatsvindt. Indien ook in verzet summier wordt gemotiveerd, geen zitting plaatsvindt ondanks betwisting en inhoudelijke punten worden gepasseerd, zal alsnog strijd met artikel 6 EVRM ontstaan.

12.1. De rechtbank is van oordeel dat er geen schending is met artikel 6 EVRM. De gemachtigde van opposante is namelijk in verzet ter zitting gehoord en heeft de mogelijkheid om cassatie in te stellen.

Betoog B

13. Opposante stelt dat de uitspraak is verzonden op 29 december 2025. In de verzetprocedure kunnen en mogen nog (nieuwe) beroepsgronden worden aangevoerd. Hierbij verwijst de gemachtigde naar ECLI:NL:RVS:2021:21, ECLI:NL:RBDHA:2025:12656, ECLI:NL:RBZWB:2022:6443, ECLI:NL:RBDHA:2022:330, ECLI:NL:RBZWB:2022:6443. Het is dus volgens opposante mogelijk om nog met inhoudelijke argumenten te komen strekkende tot tenietdoening van de ongegrondverklaring.

13.1. In verzet kunnen inderdaad nieuwe argumenten naar voren worden gebracht als die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd bij een normale behandeling van de zaak, dat wil zeggen zonder toepassing van artikel 8:54 Awb. De verzetrechter dient het verzet met inachtneming van die argumenten te beoordelen. De rechtbank is van oordeel dat de gemachtigde van opposante met de brief van 21 mei 2026 specifiek op de zaak gerichte gronden heeft ingediend. De rechtbank zal aan het einde van deze uitspraak daarom ook beoordelen of door deze concrete gronden twijfel ontstaat omtrent de juistheid van de kennelijk ongegrondverklaring van het beroep.

14. Opposante verwijst verder naar ECLI:NL:HR:2021:966, waarin de Hoge Raad de vraag beantwoordt of artikel 8:54 Awb in strijd is met het recht op een eerlijk proces.

14.1. Uit dit arrest volgt juist dat toepassing van artikel 8:54 Awb niet in strijd hoeft te zijn met het recht op een eerlijk proces. De Hoge Raad overweegt in dat arrest dat het niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat noch artikel 47 van het Handvest noch het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging zich verzet tegen een bepaling als artikel 8:54 Awb op grond waarvan de bestuursrechter ter bevordering van een efficiënte rechtspleging de mogelijkheid wordt geboden te besluiten om uitspraak te doen zonder de belanghebbende op een zitting te horen wanneer hij tot de conclusie komt dat het beroep kennelijk ongegrond is. De verzetgrond van opposante treft geen doel.

De reactie van gemachtigde op de brief “Laatste termijn voor indienen van concrete gronden”

15. De verzetgronden uit deze reactie zien op de brief van de rechtbank waarin opposante gevraagd wordt om concrete gronden aan te voeren. De rechtbank ziet geen reden waarom de rechtbank deze brief niet had mogen sturen en zal dat hierna aan de hand van de verzetgronden toelichten.
<nr>1</nr>Bewijslast en volgorde: concretisering veronderstelt een volledig verweer
16. Opposante stelt dat doordat de rechtbank, voordat verweerder zijn verweerschrift integraal met onderliggende stukken heeft overgelegd, verzoekt om beroepsgronden zaakspecifiek en met controleerbaar bewijs te concretiseren, de rechtbank de in het bestuursprocesrecht geldende volgorde van proceshandelingen en daarmee corresponderende bewijslastverdeling miskent. Opposante verwijst hierbij naar artikel 17, tweede lid van de Wet WOZ, artikel 40 Wet WOZ, artikel 8:42 Awb en de informatieverplichting uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052. Bovendien zet de gemachtigde van opposante uiteen dat hij niet beschikt over: (i) een kopie van de voor de waardevaststelling relevante onderdelen van de BAG, mede bezien in het licht van de wijziging van het verwerkingsmoment blijkens de VNG-mededeling van 4 september 2025; (ii) een kopie van de oorspronkelijke bouwvergunning(en) en bijbehorende tekeningen; (iii) een deugdelijke opgave van de door de heffingsambtenaar gehanteerde grondprijzen, vergelijkbaar met de door de gemeente Breda jaarlijks gepubliceerde Grondprijzenbrief; (iv) een onderbouwing van de KOUDV-factoren van de gestelde vergelijkingsobjecten; (v) de energielabels van de vergelijkingsobjecten; en (vi) een rekenkundige uitwerking waaruit blijkt op welke wijze de door de heffingsambtenaar gehanteerde vierkante-meterprijs. Volgens de gemachtigde van opposante is het naar haar aard verdergaande zaakspecifieke concretisering naar haar aard niet mogelijk, zolang deze gegevens niet integraal zijn overgelegd. Opposante verwijst hierbij naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3430. Het verzoek van de rechtbank en daarmee de wettelijk bepaalde bewijslastverdeling keert hierdoor om.
16.1.
De rechtbank begrijpt het verhaal van de gemachtigde van opposante zo dat hij aanvoert dat hij geen concrete gronden kan aanvoeren, zolang de heffingsambtenaar niet aan zijn informatieverplichting voldoet. Dit kan de rechtbank niet volgen. De rechtbank ziet niet in waarom de heffingsambtenaar niet aan zijn informatieverplichting heeft voldaan. De rechtbank overweegt daarbij dat artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ alleen geldt als belanghebbende een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van bepaalde gegevens. De rechtbank is van oordeel dat de gemachtigde van opposante in de gehele bezwaar-, beroeps- en verzetprocedure geen voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van bepaalde gegevens. De gemachtigde van opposante verzoekt steeds met dezelfde brief in meerdere zaken tegelijkertijd om dezelfde stukken. Bovendien handelt de gemachtigde van opposante in alle zaken hetzelfde en is hij kennelijk op zitting ineens wél in staat om gronden te formuleren. De heffingsambtenaar heeft de vastgestelde waarde in beroep onderbouwd met een verweerschrift en een matrix. Niets staat opposante in de weg om daar concrete gronden over aan te voeren.
<nr>2</nr>Legaliteit: ontbrekende wettelijke en reglementaire grondslag
17. Opposante voert aan dat dat de brief, waarin de rechtbank de gemachtigde van opposante verzoekt zijn gronden zaakspecifiek te concretiseren, geen basis vindt in de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 6:5 Awb kent geen maximering qua omvang, noch een voorgeschreven opmaak, noch een vooraf werkende sanctie van het passeren van gronden wegens onvoldoende concreetheid. Artikel 8:69, lid 2, Awb verplicht de rechter juist ambtshalve de gronden aan te vullen. Ook het per 1 juli 2025 in werking getreden Procesreglement Bestuursrecht Rechtbanken biedt geen grondslag voor de in de brief specifieke eisen en sancties.
17.1.
Dat de rechtbank niet bevoegd is om de gemachtigde van opposante om een concretisering van zijn beroepsgronden te vragen, volgt de rechtbank niet. De bestuursrechter kan namelijk, als hij dat nodig acht, op grond van afdeling 8.2.2. Awb regie voeren in een zaak. Bovendien had de rechtbank de brief niet hoeven sturen. Het is de taak van (de gemachtigde van) opposante om zaakspecifieke beroepsgronden ten aanzien van de waardevaststelling aan te voeren. Op grond van 8:69 van de Awb beoordeelt de bestuursrechter een bestreden besluit namelijk op basis van de aangevoerde gronden. Nu er geen specifieke gronden ten aanzien van de waardevaststelling zijn ingediend of feiten zijn aangevoerd met betrekking tot het object, kan de rechtbank de gronden ook niet aanvullen.
<nr>3</nr>Systeem van de Algemene wet bestuursrecht
18. Volgens opposante doorkruist de werkwijze van de rechtbank op meerdere punten het wettelijk stelsel van de Awb. Het vooropstellen van concretisering door de belanghebbende voor volledige dossieroverlegging door het bestuursorgaan is niet verenigbaar met artikel 8:42 Awb. Bovendien beschikt de rechtbank over de bevoegdheid om zelf nadere inlichtingen bij partijen op te vragen op grond van artikel 8:45 Awb. Dit is een minder ingrijpende alternatief voor een generieke sanctiestructuur. Het niet benutten van deze bevoegdheid staat op gespannen voet met het subsidiariteitsvereiste dat in artikel 3:4 Awb besloten ligt. Bovendien biedt artikel 8:57 geen grondslag. Tot slot stelt opposante dat de brief van de rechtbank niet in lijn is met de 10-dagen termijn in de zin van artikel 8:58 Awb.
18.1.
De rechtbank stelt vast dat de brief waarin opposante gevraagd is om concrete gronden aan te leveren, is verstuurd nadat de stukken in de zin van artikel 8:42 Awb door de rechtbank zijn ontvangen en doorgestuurd. Van omkering van de gebruikelijke volgorde is dan ook geen sprake. Anders dan opposante meent, maakt de rechtbank juist wel gebruik van de bevoegdheid uit artikel 8:45 Awb door concrete gronden bij opposante op te vragen. De 8:54-uitspraak, de rechtbank begrijpt dat dit door opposante wordt ervaren als sanctie, volgde pas nadat opposante daarna nog steeds geen concrete gronden had aangevoerd. De rechtbank wijst er daarnaast op dat artikel 3:4 Awb ziet op de uitoefening van bevoegdheden door bestuursorganen en de rechtbank is op grond van artikel 1:1, lid 2, Awb geen bestuursorgaan.
18.2.
Het klopt verder dat afdoening zonder zitting op grond van artikel 8:57 alleen mogelijk is met toestemming van partijen. De uitspraak van de rechtbank is echter gebaseerd op artikel 8:54 Awb.
18.3.
De rechtbank is van oordeel dat artikel 8:58 Awb erop toeziet dat zowel partijen als de rechtbank voldoende gelegenheid hebben om zich voor te bereiden op de zitting. Dit staat echter los van de bevoegdheid van de rechter om de zaak zonder zitting af te doen op grond van artikel 8:54 Awb. Artikel 8:58 Awb is dan ook niet van toepassing, als er geen zitting is gepland.
<nr>4</nr>Eenzijdige ingreep in een tweezijdige procesdynamiek
19. Opposante stelt dat door uitsluitend de gemachtigde te disciplineren en niet het bestuursorgaan, de rechtbank het procedurele onevenwicht niet corrigeert, maar verdiept zij dit. Ook hier verwijst opposante naar de informatieverplichtingen van verweerder.
19.1.
De rechtbank is van oordeel dat bij het versturen van de brief aan de gemachtigde van opposante de heffingsambtenaar aan zijn informatieverplichting heeft voldaan. Nu niet is gebleken dat het dossier vanuit de kant van de heffingsambtenaar niet compleet is, ziet rechtbank geen reden waarom de gemachtigde zijn beroepsgronden niet heeft kunnen concretiseren.
<nr>5</nr>Evenredigheid: generieke zwaarste sanctie zonder differentiatie
20. Opposante voert aan dat minder ingrijpende en op het individuele dossier toegesneden alternatieven buiten beeld blijven. Dit staat op gespannen voet met het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 Awb) en met de door artikel 6 EVRM vereiste proportionaliteit en voorzienbaarheid van processuele beperkingen.
20.1.
Onder 12.1. en 18.1. heeft de rechtbank overwogen dat de bevoegdheid in artikel 8:54 Awb niet in strijd is met artikel 3:4 Awb en artikel 6 EVRM. Anders dan de gemachtigde van opposante meent, is er volgens de rechtbank geen sprake van een generieke sanctie zonder differentiatie. In elke zaak is een afzonderlijke uitspraak gedaan en is beoordeeld of het verzet al dan niet gegrond is. De rechtbank merkt daarbij op dat er weliswaar gelijkenissen zijn in de uitspraken, maar dit komt doordat de gemachtigde van opposante nagenoeg identieke stukken indient in elke zaak.

De specifiek op de zaak gerichte gronden

21. Opposante stelt dat de kapitalisatiefactor niet afzonderlijk is verantwoord in het verweerschrift. Bovendien heeft de heffingsambtenaar stukken aangekondigd die gemachtigde per brief van 18 mei 2026 als ontbrekend heeft geconstateerd. Het dossier is daarmee niet compleet. Voorts hanteert de heffingsambtenaar de huurwaardekapitalisatiemethode voor dit commerciële object. De gehanteerde huurprijs per m2 voor buurtwinkelcentrum-type objecten in Houten is in het verweerschrift niet onderbouwd met concrete huurinformatie van vergelijkbare locaties.
21.1.
De rechtbank is van oordeel dat de argumenten die de gemachtigde van opposante heeft aangevoerd geen aanleiding geven tot twijfel omtrent de juistheid van de kennelijk ongegrondverklaring van het beroep. De kapitalisatiefactor is namelijk in de taxatiematrix onderbouwd aan de hand van referentieobjecten. Bovendien is de huurwaarde per m2 van het object in de taxatiematrix onderbouwd aan de hand van gerealiseerde huurprijzen. Hierbij heeft de heffingsambtenaar relevante huurinformatie overgelegd. Ook is niet gebleken van een incompleet dossier. De rechtbank heeft namelijk op 18 mei 2026 de brief van gemachtigde van opposante van 24 april 2026 naar de heffingsambtenaar doorgestuurd. Dit betreft geen indiening van stukken van de kant van de heffingsambtenaar.

Conclusie en gevolgen

22. Uit de beoordeling van de gronden van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 23 december 2025 terecht heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, ongegrond was en de zaak terecht zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak in stand blijft.

Immateriële schadevergoeding

23. Opposante heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over haar belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mensen en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.

24. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk.

25. In de 8:54-uitspraak is reeds op het verzoek om immateriële schadevergoeding van opposante beslist. In deze uitspraak was de redelijke termijn nog niet overschreden. Met de uitspraak op verzet constateert de rechtbank dat sinds de ontvangst van het bezwaarschrift de redelijke termijn van twee jaar, na het doen van uitspraak op verzet, met (afgerond) 5 maanden is overschreden.

26. Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. In het arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang bij een procedure minder is dan € 1.000,- en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank moet dan ook beoordelen of deze bagatelgrens wordt gehaald.

27. Uit overweging 3.3.3 van het arrest volgt dat het financiële belang bij de procedure

in beginsel bestaat uit het financiële voordeel dat belanghebbende met betrekking tot de

fiscale beschikking(en) krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt

wordt gehonoreerd. Het financiële belang bij de procedure wordt dus niet bepaald door de

hoogte van een of meer fiscale beschikkingen en ook niet door de omvang van het (uiteindelijk) door de belanghebbende in de procedure bereikte financiële resultaat.

28. De rechtbank stelt vast dat het financiële belang in deze zaak niet boven € 1.000,- komt. Opposante heeft geen feiten aangevoerd op grond waarvan de omvang van het financiële belang kan worden vastgesteld. Gelet hierop heeft opposante naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het financieel belang meer dan € 1.000,- bedraagt. Omdat daarnaast de overschrijding van de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, kan de belastingrechter volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank zal dit dan ook toepassen. Het verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het verzet ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr.D. Burggraaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 134.

Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 135.

ABRvS 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1449.

HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:393.

HR 13 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4296, rechtsoverweging 3.5, en ABRvS 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1533, rechtsoverweging 3.

HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787, rechtsoverweging 2.3.1.

HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571.

Zie onder andere de uitspraken van deze rechtbank van 13 augustus 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4903, 15 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6529 en 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4573, maar ook uitspraken van bijvoorbeeld het gerechtshof Den Haag 9 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:104 en het gerechtshof Amsterdam 21 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:150).

HR 27 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1493.

HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:393.

ECLI:NL:HR:2024:853.

Artikel delen