Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2026:4402

Beroep tegen weigeren omgevingsvergunning voor het realiseren van vier zelfstandige studio’s. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser belang heeft bij de beoordeling van zijn zaak door de rechtbank en dat het college de weigering van de omgevingsvergunning ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het college opdragen een nieuw b...

Rechtbank Midden-Nederland 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:4402 text/xml public 2026-08-03T10:47:12 2026-07-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-10 UTR 23/5860 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4402 text/html public 2026-08-03T10:46:54 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:4402 Rechtbank Midden-Nederland , 10-07-2026 / UTR 23/5860
Beroep tegen weigeren omgevingsvergunning voor het realiseren van vier zelfstandige studio’s. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser belang heeft bij de beoordeling van zijn zaak door de rechtbank en dat het college de weigering van de omgevingsvergunning ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het college opdragen een nieuw besluit te nemen. Het beroep is gegrond en het college moet het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding, omdat er geen kosten zijn die hiervoor in aanmerking komen.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 23/5860
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen
<?linebreak?> [eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. van de Ven)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (het college), verweerder

(gemachtigde: mr. drs. H. Maaijen)
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het weigeren van een omgevingsvergunning voor het realiseren van vier zelfstandige studio’s op het adres [adres] in [plaats] (het adres).
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser belang heeft bij de beoordeling van zijn zaak door de rechtbank en dat het college de weigering van de omgevingsvergunning ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het college opdragen een nieuw besluit te nemen. Het beroep is gegrond en het college moet het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding, omdat er geen kosten zijn die hiervoor in aanmerking komen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Geschiedenis en totstandkoming van het besluit
2. Eiser is (mede) eigenaar van de woning op het adres. Hij heeft op 7 oktober 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van vier zelfstandige studio’s op het adres. Met het besluit van 15 december 2022 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd.
2.1
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering. Met de beslissing op bezwaar van 24 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit in stand gelaten. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.2
De rechtbank heeft met de uitspraak van 15 maart 2024 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser het beroepschrift niet had ondertekend. Eiser is in verzet gegaan tegen deze uitspraak. Dit verzet is met de uitspraak van 21 november 2024 gegrond verklaard.2.3 De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk behandeld tijdens de zitting van 11 april 2025. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door [A] , en de gemachtigde van het college. Tijdens de zitting heeft de rechtbank, op verzoek van partijen, het onderzoek geschorst in afwachting van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), omdat bij de Afdeling een procedure aanhangig was over het realiseren van studentenwoningen op het adres. De Afdeling heeft inmiddels uitspraak gedaan. Partijen hebben zich vervolgens schriftelijk uitgelaten over wat volgens hen de uitspraak van de Afdeling voor consequenties heeft voor onderhavige procedure.
2.4
Nadat partijen daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, hebben zij niet verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft daarna het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft eiser procesbelang?

3. Volgens het college heeft eiser geen procesbelang. Het college heeft namelijk op 6 juli 2023 een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de constructie van de woning op het adres. Deze omgevingsvergunning heeft betrekking op dezelfde constructie als de constructie waarvoor de onderhavige vergunning was aangevraagd. In het beroepschrift van 23 november 2023 geeft eiser aan dat het onderdeel bouwen niet meer onderwerp van geschil is en het beroep zich beperkt tot de vraag naar het voorgenomen gebruik. Op het moment dat eiser beroep instelde in onderhavige zaak, was bij de Afdeling al een procedure aanhangig over het aspect strijdig gebruik op dit adres. Bovendien heeft het college naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en alsnog een vergunning verleend. Dat betekent dat het instellen van het onderhavige beroep (en het voortzetten ervan) niet nodig was.
3.1
Volgens eiser heeft hij wel belang bij een uitspraak in onderhavige zaak. Hij voert aan dat het college de gevraagde omgevingsvergunning ten onrechte heeft geweigerd en stelt alsnog belang te hebben bij het verlenen van deze omgevingsvergunning. Daarnaast voert eiser aan dat zijn belang gelegen is in een vergoeding van de geleden schade. Deze schade bestaat uit de gemaakte proceskosten en hij moest vanwege de weigering zijn bouwplannen aanpassen, een nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning indienen en de bouw heeft vertraging opgelopen. Bovendien kon eiser na de verleende vergunning van 6 juli 2023 het pand alleen gebruiken als eengezinswoning in plaats van de beoogde verhuur van zelfstandige studio’s. Hij heeft hierdoor inkomstenderving gehad. Hij wijst naar jurisprudentie waaruit volgt dat procesbelang gelegen kan zijn in de financiële vergoeding van schade.
3.2
De rechtbank stelt voorop dat met procesbelang wordt bedoeld: het belang dat eiser (nog) heeft bij de uitkomst van de aanhangige procedure. De vraag is hierbij of het resultaat dat met de procedure wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en of het realiseren van dat resultaat voor eiser feitelijk betekenis kan hebben. Een belang kan onder meer worden aangenomen als tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat schade is geleden als gevolg van het besluit. Een verzoek om proceskostenvergoeding valt hier niet onder en zal niet leiden tot het aannemen van een procesbelang.
3.3
De rechtbank stelt vast dat in onderhavige zaak een omgevingsvergunning is gevraagd voor het realiseren van 4 zelfstandige studio’s op het adres. In de zaak die aanhangig was bij de Afdeling zag de aanvraag op het realiseren van studentenwoningen op het adres. Het college heeft met het besluit van 6 juli 2023 een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een constructiedoorbraak, waarbij als voorwaarde geldt dat de ruimten op de eerste en tweede verdieping, die in open verbinding staan, samen één verblijfsruimte zijn. De rechtbank overweegt dat zelfstandige studio’s en studentenwoningen niet hetzelfde zijn. Bovendien kon eiser met de verleende omgevingsvergunning van 6 juli 2023 de woning gebruiken als eengezinswoning, terwijl eiser aanvoert dat hij voornemens was om op het adres ofwel studentenwoningen ofwel zelfstandige studio’s te realiseren. De rechtbank oordeelt daarom dat eiser nog belang heeft bij de uitkomst van deze procedure.

De inhoudelijke beoordeling van de zaak

Heeft het college de omgevingsvergunning kunnen weigeren? 4. Eiser voert aan dat het college de omgevingsvergunning niet mocht weigeren. In het bestemmingsplan is geen definitie opgenomen, waardoor op grond van vaste rechtspraak het begrip ‘wonen’ uitgelegd moet worden volgens het algemeen spraakgebruik. En hieronder valt ook het verhuren van kamers of studio’s. De vier woningen zijn, zowel voor wat betreft het gebruik (wonen in de vorm van studio's) als voor wat betreft de bouw, niet in strijd met het bestemmingsplan.
4.1
Het college voert aan dat de omgevingsvergunning terecht is geweigerd en verwijst hierbij naar de motivering zoals het college dit heeft gedaan in de beslissing op bezwaar in de procedure tegen de geweigerde vergunning van 15 december 2021. Volgens het college is het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Op grond van de planregels zijn op de locatie uitsluitend aaneengebouwde woningen toegestaan en het splitsen van de woning in 4 studio’s is hiermee in strijd. Volgens het college wordt niet voldaan aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening, omdat er veel vraag is naar eengezinswoningen, zoals de woning op het adres. Bovendien heeft eiser geen belang meer bij deze omgevingsvergunning, omdat het college naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling een nieuwe beslissing op bezwaar in die zaak heeft genomen en alsnog een omgevingsvergunning heeft verleend.
4.2
De rechtbank stelt voorop dat in de zaak waarin de Afdeling uitspraak heeft gedaan eiser een omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor het realiseren van studentenwoningen en in onderhavige zaak heeft eiser een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van zelfstandige studio’s. Dit is niet hetzelfde. Bovendien is de rechtbank niet bekend met de nieuwe beslissing op bezwaar naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling.
4.3
De rechtbank stelt vast dat eiser de beroepsgrond - dat geen sprake is van strijdig gebruik - ook heeft aangevoerd in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling. Daarin heeft de Afdeling – kort gezegd- overwogen dat op het adres het bestemmingsplan “Soesterkwartier” van toepassing is en dat op het perceel de bestemming "Wonen - 1" rust. De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor: wonen. Op en in deze gronden zijn uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken toegestaan, die ten dienste staan van de bestemming. Voor het bouwen van woningen geldt dat de woningen uitsluitend aaneen gebouwd mogen worden. Volgens de planregels zijn studio’s zelfstandige wooneenheden die aangemerkt dienen te worden als woningen. In de planregels wordt niet omschreven wat onder de begrippen ‘aaneen gebouwde woningen’ en ‘gestapelde woningen’ moet worden verstaan. Volgens de omschrijvingen in het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal kan ‘gestapeld’ ook ‘aaneen’ zijn. De planregels sluiten daarom niet uit dat gestapeld gebouwd mag worden binnen de bestemming “Wonen-1”. Gelet daarop is het bouwplan in zoverre niet in strijd met het bestemmingsplan, waardoor de weigering van de aangevraagde omgevingsvergunning ondeugdelijk is gemotiveerd.
4.4
De rechtbank zal het oordeel van de Afdeling in deze procedure volgen. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat het bouwplan van eiser in onderhavige zaak eveneens in zoverre niet in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft de weigering om de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen daarom ondeugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond van eiser slaagt.


Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen het bestreden beluit van 24 oktober 2023 is gegrond wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het college zal daarbij moeten beoordelen of er andere redenen zijn dan vermeld in het besluit van 15 december 2022 om de omgevingsvergunning te weigeren. Indien een andere weigeringsgrond ontbreekt, dan moet het college de aangevraagde omgevingsvergunning alsnog verlenen. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
5.1
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden.
5.2
Eiser heeft ook gevraagd om een proceskostenvergoeding. De rechtbank stelt vast dat eiser zelf het beroepschrift en verzetschrift heeft ingediend. Eiser heeft zich tijdens de zitting van 11 mei 2025 laten vertegenwoordigen door zijn schoonzus en mede eigenaar van de woning, [A] . Artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) bepaalt dat een vergoeding van de (bezwaar)kosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitsluitend betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In dit geval is niet gebleken van aanknopingspunten dat [A] meer dan incidenteel rechtsbijstand aan derden verleent, zodat niet kan worden aangenomen dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. Eiser wordt sinds 7 november 2025 bijgestaan door mr. M.C.H. van de Ven. Zij is aan te merken als professioneel gemachtigde en zij heeft op verzoek van de rechtbank een schriftelijke zienswijze ingediend. Deze zienswijze is echter ingediend na de zitting van 11 mei 2025, zodat dit geen proceshandeling betreft waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit een punt wordt toegekend. Er zijn daarom in deze procedure geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 24 oktober 2023;

- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. R. van Manen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Uitspraak van 29 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5037.

De zaak die heeft geresulteerd in ECLI:NL:RVS:2025:5037.

De uitspraak van 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2282.

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6367.

ECLI:NL:RVS:2026:644.

De procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 29 oktober 2025.

Op het adres is het bestemmingsplan ‘Soesterkwartier’ van toepassing. De bestemming van het perceel is ‘Wonen-1’.

Dit staat in artikel 18 van de planregels.

Uitspraak van 29 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5037

ECLI:NL:RVS:2025:5037.

Zie artikel 17.1 van de planregels.

Zie artikel 17.2 en 17.2.1 van de planregels.

Zoals bedoeld in artikel 1.87 van de planregels.

In het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal wordt ‘aaneen’ omschreven als "aan elkaar, zonder of met geringe tussenruimte" en ‘stapelen’ als "zaken op elkaar stapelen". Volgens deze omschrijvingen, die niet aan elkaar zijn tegengesteld, kan gestapeld daarom ook aaneen zijn.

Artikel 17.2.1, aanhef en onder a van het bestemmingsplan ‘Soesterkwartier’.

Artikel delen