ECLI:NL:RBMNE:2026:4403text/xmlpublic2026-08-03T10:50:422026-07-16Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Midden-Nederland2026-07-1026/5956UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLUtrechtBestuursrecht; OmgevingsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4403text/htmlpublic2026-08-03T10:50:062026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBMNE:2026:4403 Rechtbank Midden-Nederland , 10-07-2026 / 26/5956 vovo ivm verlenen omgevingsvergunning zendmast, bz, kennelijk ogg ivm geen seb.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/5956
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder (gemachtigde: N. Christiaens).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel [derde belanghebbende] B.V., uit [plaats] , vergunninghouder. Inleiding In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter om de besluiten van 6 en 7 mei 2026 van het college te schorsen, totdat op het bezwaar is beslist. Met deze omgevingsvergunningen is aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een (tijdelijke) zendmast met een hoogte van 75 meter. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek als kennelijk ongegrond zal worden afgewezen. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. Een voorlopige voorziening is een spoedmaatregel om te voorkomen dat er onomkeerbare dingen gebeuren als gevolg van een besluit, voordat op het bezwaar is beslist.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het bericht van 19 juni 2026 van vergunninghouder volgt dat op 9 juni 2026 een aanvang is gemaakt met de werkzaamheden. Vergunninghouder heeft telefonisch toegelicht dat deze werkzaamheden zien op het heien en het storten van de fundering. De feitelijke bouwwerkzaamheden nemen 4 weken in beslag, verspreid over 4 maanden. De fundering zal 3 maanden moeten drogen voordat de bouw van de mast kan plaatsvinden. De voorzieningenrechter overweegt, gelet op het vorenstaande, dat de heiwerkzaamheden inmiddels zijn afgerond, zodat geen sprake meer is van acute en ernstige geluidshinder of risico op trilling schade voor verzoekster.
6. Verzoekster voert verder aan dat de omgevingsvergunning op onjuiste gronden is verleend. Zij geeft hiervoor een aantal argumenten die onder andere betrekking hebben op de hoogte van de zendmast en gezondheidsrisico’s vanwege de antennes van de telecomaanbieders. Verzoekster en het college kunnen hieraan in de bezwaarprocedure aandacht besteden. De rechtbank overweegt dat de bouwwerkzaamheden op eigen risico en voor eigen rekening van de vergunninghouder zijn, nu de aan hem verleende omgevingsvergunningen nog niet onherroepelijk zijn geworden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van bouwwerkzaamheden die ongedaan kunnen worden gemaakt. Ook als het college in het kader van de heroverweging naar aanleiding van de door verzoekster ingediende bezwaren de omgevingsvergunningen herroept. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen reden is waarom het belang van verzoekster zodanig spoedeisend is dat die beslissing niet afgewacht kan worden.
7. De conclusie is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorziening.Conclusie en gevolgen
8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr.R. van Manen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.