proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 9], uit [plaats] , eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, verweerder (gemachtigde: mr. J. Kaljee). Inleiding 1. Het college heeft twee verkeersbesluiten genomen op 17 september 2025, gepubliceerd op 24 september 2025. Het verkeersbesluit van 17 september 2025 met nummer [nummer] houdt in dat het verkeersbesluit van 12 maart 2025 inhoudende ‘het aanwijzen parkeerplaatsen voor opladen elektrische voertuigen op de [adres 1] ’ wordt ingetrokken. Het verkeersbesluit van 17 september 2025 met nummer [nummer] houdt in dat twee parkeerplaatsen voor het opladen van elektrische voertuigen bij [adres 2] in [plaats] worden aangewezen. 2. Eisers zijn het hier niet mee eens en hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Het college heeft het bezwaar gericht tegen het besluit met nummer [nummer] op 29 januari 2026 niet-ontvankelijk verklaard omdat eisers geen belanghebbenden zijn bij dat verkeersbesluit.
Het college heeft het bezwaar gericht het besluit met nummer [nummer] op 29 januari 2026 ongegrond verklaard. 3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van hun bezwaar tegen het besluit [nummer] , waarbij het college twee parkeerplaatsen heeft aangewezen voor het opladen van elektrische voertuigen bij [adres 2] . Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben op 20 mei 2016 aanvullende gronden ingediend. 4. De rechtbank heeft het beroep van eisers op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] , [eiser 2] [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] en de gemachtigde van het college. Ook is namens het college op zitting verschenen [A] , wijkcoördinator van de gemeente Houten. 5. Na afloop heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank 6. De rechtbank beoordeelt de vraag of het college het verkeersbesluit heeft mogen nemen waarbij twee parkeerplaatsen voor opladen elektrische voertuigen bij [adres 2] worden aangewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. 7. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college het bestreden besluit heeft mogen nemen. Dit betekent dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Ontvankelijkheid
8. De bewoners van [adressen] hebben bezwaren ingediend tegen beide primaire verkeersbesluiten. Vervolgens hebben zij beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit tot aanwijzing van de locatie bij [adres 2] . Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de bewoners van [adres 3] , de familie [naam] , geen belanghebbenden zijn omdat er voor hen geen gevolgen van enige betekenis zijn. 9. De rechtbank overweegt dat zij wel belanghebbenden zijn en daarom zijn zij ontvankelijk in hun beroep. De rechtbank volgt het college in haar standpunt dat familie [naam] mogelijk minder hinder ondervindt van de laadpaal dan de andere eisers, omdat hun woning verder is gelegen van de laadpaal en zij geen direct zicht hebben op de laadpaal. Het verschil in hinder ten opzichte van de bewoners van nummers [adressen] is niet zodanig dat zij geen feitelijke gevolgen van enige betekenis ervaren. Dat er zoveel verschil in hinder zou zijn tussen de bewoners van nummer [adres 3] en [adres 4] dat de één wel belanghebbende is en de ander niet is niet uit leggen, gelet op het feit dat de woning op de hoek ligt en geschakeld is aan woning nummer [adres 4] . Toetsingskader
10. Het bestreden besluit is een verkeersbesluit. Uit vaste jurisprudentie volgt dat het college beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag wat nodig is ter bescherming van de verkeersbelangen genoemd in de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994). Het college moet dit naar behoren motiveren. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het college van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen. Nadat het college heeft vastgesteld welke verkeersbelangen naar zijn oordeel bij het besluit moeten worden betrokken, moet het die belangen tegen elkaar afwegen. Bij die afweging heeft het bestuursorgaan beleidsruimte. De bestuursrechter gaat niet na of zij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Inhoudelijk 11. De rechtbank stelt vast dat het college geen beleid over laadpalen heeft gemaakt. De informatie die de gemeente op de website heeft geplaatst is geen beleid en bevat niet het beoordelingskader waar de rechtbank aan moet toetsen. Het college heeft wel de Parkeervisie Houten 2021 en de Nota parkeernormen Houten 2021 opgesteld, maar daarin is ook geen beleid vastgelegd. Het college heeft op de zitting toegelicht dat in de besluiten over laadpalen wel steeds dezelfde aspecten worden getoetst. Eerst wordt gekeken of een locatie geschikt is, en dan wordt een belangenafweging gemaakt. 12. De bestuursrechter toetst wat er in het besluit staat. Het college heeft in het bestreden besluit een belangenafweging gemaakt en heeft beoordeeld of de gekozen locatie voor de laadpaal geschikt is. Dat heeft te maken met praktische zaken, maar ook met spreiding. Het college heeft in het verweerschrift en op de zitting nader toegelicht hoe Laadwerk (voorheen MRAE), het samenwerkingsverband dat de gemeente ondersteunt op het terrein van laadpalen, praktisch te werk gaat. Een van de criteria voor Laadwerk is dat een laadpaal niet te dicht bij ramen en woningen wordt geplaatst. Dat heeft ook te maken met het onderhoud van laadpalen, omdat bij sommige laadpalen ruimte moet bestaan aan de achterkant van de laadpaal om onderhoud te kunnen uitvoeren. Voor de locatie aan [adres 2] hebben eisers niet betwist dat aan dit criterium wordt voldaan. De locatie is technisch geschikt. Dit criterium is niet hetzelfde criterium als ‘in de onmiddellijke nabijheid van een woning’. Het gaat om praktische redenen en dat mag het college meewegen in besluit. 13. Eisers voeren aan dat zij hinder hebben van de inmiddels geplaatste laadpaal. Er zijn minder beschikbare parkeerplekken en het is onrustiger in de straat. Dit komt omdat er meer verkeersbewegingen zijn rondom de laadpaal. Het college mag meewegen dat de parkeerdruk hier niet te hoog is. Dat de laadpaal leidt tot minder parkeerplekken en dat eisers daar belang bij hebben maakt niet dat de belangenafweging in het voordeel van eisers moet uitvallen. Dat hoort nu eenmaal bij het plaatsen van een laadpaal. Datzelfde geldt voor de extra verkeersbewegingen rondom een laadpaal. Natuurlijk betekent het aanwijzen van twee parkeerplekken voor elektrische voertuigen enige hinder voor eisers en zullen ze hun auto ergens anders moeten parkeren, maar daartegenover staat het belang van duurzaamheid en dat heeft het college zwaarder mogen laten wegen. Dat eisers meer hinder ondervinden van koplampen leidt niet tot een ander oordeel. Ook zonder laadpaal staat het automobilisten vrij om hun auto voor- dan wel achteruit te parkeren in de parkeervakken. Dat men blijkbaar meer achteruit parkeert dan daarvoor maakt niet dat de belangenafweging anders uitvalt. Over het blauwe licht van de laadpaal dat onaangenaam is hebben eisers op de zitting aangegeven dat dit in de praktijk meevalt. Het college heeft bovendien in het besluit aangegeven dat het licht kan worden gedimd. 14. Dit betekent dat de aangewezen locatie aan de [adres 2] voor elektrische voertuigen een geschikte locatie is en dat het college de belangen op deze manier heeft mogen wegen. 15. Als er alternatieven worden aangedragen die beter zijn dan de locatie die gekozen is door het college, dan ligt het op de weg van het college om die te onderzoeken. In dat geval kan het college niet de eis stellen dat honderd procent van de buurt achter een alternatieve locatie staat voordat de locatie wordt gewijzigd. De rechtbank ziet echter in dit geval dat geen sprake is van een beter alternatief, maar van gelijkwaardige alternatieven. Zo heeft [adres 5] als voordeel dat omwonenden minder zicht hebben op de laadpaal, maar als nadeel dat niet alle aanbieders op die locatie een laadpaal kunnen plaatsen vanwege de afstand tot aan het groen. Ook ligt deze locatie niet aan een doorgaande weg en in het kader van duurzaamheid heeft dat niet de voorkeur. Het college heeft dit een gelijkwaardig alternatief mogen vinden en niet een beter alternatief.
De locatie [adres 6] heeft als voordeel dat het wat verder weg staat van huizen met zicht op de laadpaal, maar als nadeel dat hier een hogere parkeerdruk is. Ook hiervan heeft het college mogen vinden dat dit een gelijkwaardig alternatief is. 16. De rechtbank overweegt dat, omdat het om gelijkwaardige alternatieven gaat, het college heeft mogen besluiten om aan de keuze van [adres 2] vast te houden. Het college heeft daarvoor gekozen omdat dit de voorkeurslocatie is van Laadwerk, waarbij ook rekening is gehouden met de spreiding van laadpalen. De rechtbank begrijpt dat het college daarbij ook betrekt dat zij altijd iemand teleurstelt als gekozen wordt voor een andere locatie en dat mag het college meewegen. Om die reden is het beginsel van fair play niet geschonden. 17. Verder is door eisers een beroep gedaan op het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank ziet dat in de communicatie rond deze niet altijd alles goed is gelopen. Zo hebben eisers informatie op de website gelezen die zij niet konden rijmen met het besluit waardoor er misverstanden konden ontstaan. De rechtbank moet echter toetsen of dat ertoe leidt dat het besluit onzorgvuldig is genomen, en dat is niet zo. 18. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Conclusie en gevolgen 19. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de laadpaal mag blijven staan. Omdat het beroep ongegrond is krijgen eisers het griffierecht niet terug. 20. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026 door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De rechter is verhinderd dit
proces-verbaal te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie de uitspraken van de Afdeling van 21 december 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3908 en 27 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4053. Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:599. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2988.