Verzoek om voorlopige voorziening, maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Verzoek afgewezen, omdat verzoekster zelfredzaam is en daarom geen aanspraak kan maken op maatschappelijke opvang.
Rechtbank Midden-Nederland 6 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:4656
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-07-2026
Datum publicatie
06-08-2026
Zaaknummer
UTR 26/5805
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBMNE:2026:4656text/xmlpublic2026-08-06T09:52:552026-07-23Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Midden-Nederland2026-07-14UTR 26/5805UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigVoorlopige voorzieningNLLelystadBestuursrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4656text/htmlpublic2026-08-06T09:52:412026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBMNE:2026:4656 Rechtbank Midden-Nederland , 14-07-2026 / UTR 26/5805 Verzoek om voorlopige voorziening, maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Verzoek afgewezen, omdat verzoekster zelfredzaam is en daarom geen aanspraak kan maken op maatschappelijke opvang.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Lelystad Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/5805
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigden: mr. M.F.C. Gommans en mr. J. Nieuwstraten), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, het college (gemachtigde: P. Algoe). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aanvraag van verzoekster om toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college heeft de aanvraag afgewezen. Verzoekster is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter maakt het bezwaar vooralsnog geen redelijke kans van slagen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 4 juni 2026 afgewezen, omdat verzoekster voldoende zelfredzaam wordt geacht. 2.1. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het college op 23 juni 2026 bij wijze van ordemaatregel gelast om voor passende opvang te zorgen voor verzoekster en haar dochter, tot aan de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening. 2.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigden van verzoekster en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter Standpunten van partijen
3. Het college heeft naar aanleiding van de aanvraag van verzoekster op 23 april, 4 mei en 26 mei 2026 onderzoek verricht en een onderzoeksverslag opgesteld. Hierbij is ook afzonderlijk (telefonisch) netwerkonderzoek verricht. Op grond van dit onderzoeksverslag heeft het college de aanvraag afgewezen omdat verzoekster voldoende zelfredzaam wordt geacht. Volgens het college heeft verzoekster voldoende vaardigheden om haar leven en dat van haar dochter [A] , geboren op [geboortedatum] 2021, vorm te geven. Ook blijkt verzoekster in staat te zijn om hulp te vragen bij instanties. Ten aanzien van de psychische problematiek, die verzoekster heeft aangevoerd, wijst het college erop dat verzoekster reeds contact heeft opgenomen met de huisarts en de praktijkondersteuner en dat behandeling voorliggend is. Voor de minderjarige dochter van verzoekster acht het college het van belang dat er voldoende oog blijft voor de impact die de situatie op haar kan hebben. School en het wijkteam kunnen hierin signalerend zijn en indien gewenst kan er worden doorverwezen naar JGZ. 4. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het college haar aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Zij stelt onder andere dat het college een te beperkte invulling van het begrip zelfredzaamheid hanteert. Er moet een samenhangende beoordeling worden gemaakt van de behoeften, persoonskenmerken, eigen kracht, het sociale netwerk en de praktische uitvoerbaarheid van wonen, het inkomen en de maatschappelijke participatie. Volgens verzoekster heeft het college niet inzichtelijk gemotiveerd waarom deze factoren in haar geval niet leiden tot een beperking in de zelfredzaamheid. Daarnaast zijn ook niet alle relevante omstandigheden betrokken en is de eindconclusie in het onderzoeksverslag intern tegenstrijdig. Verder stelt verzoekster dat het college het geldende stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) niet heeft doorlopen en de problematiek van verzoekster onvoldoende in kaart heeft gebracht. Verzoekster wijst ook op omstandigheden zoals het belang van haar minderjarige dochter, de psychische en financiële problematiek en afhankelijkheid van anderen. Volgens verzoekster heeft het college (een deel van) deze omstandigheden in het onderzoeksverslag benoemd, maar zijn deze niet kenbaar betrokken in de beoordeling van de vraag of sprake is van voldoende zelfredzaamheid. Spoedeisend belang
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter moet daarom eerst kijken of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld. 5.1. Verzoekster heeft in het kader van het spoedeisend belang aangevoerd dat het bezwaar niet kan worden afgewacht, omdat haar opvang via het Rode Kruis op 25 juni 2026 wordt beëindigd. Verzoekster en haar minderjarige dochter zouden dan per die datum geen dak meer boven hun hoofd hebben. Met de ordemaatregel moet het college voor passende opvang zorgen voor verzoekster en haar dochter, tot aan de uitspraak op dit verzoek. Hierna heeft verzoekster vooralsnog geen opvang. Verzoekster heeft daarom een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal het verzoek verder inhoudelijk beoordelen. Redelijke kans van slagen
6. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster. Zorgvuldigheid
7. Verzoekster heeft onder andere aangevoerd dat het college geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht, het geldende stappenplan van de CRvB niet heeft doorlopen en de problematiek onvoldoende in kaart heeft gebracht. 7.1. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, volgt uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over een maatwerkvoorziening van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. De CRvB heeft daarvoor een stappenplan opgesteld. Zo moet het college bij een melding eerst de hulpvraag vaststellen (stap 1). Daarna moet het college vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2). Als die problemen voldoende concreet in kaart worden gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren in die zelfredzaamheid of participatie of het kunnen redden in de samenleving (stap 3). Tot slot moet het college onderzoeken in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp kunnen bieden (stap 4). Alleen als die mogelijkheden onvoldoende toereikend zijn, wordt er een maatwerkvoorziening verleend. 7.2. De voorzieningenrechter overweegt dat uit het onderzoeksverslag blijkt dat het college een onderzoek in het kader van de Wmo 2015 heeft uitgevoerd. Daarbij is overeenkomstig het stappenplan eerst vastgesteld wat de ondersteuningsvragen van het gezin zijn (stap 1). Verzoekster heeft aangegeven op zoek te zijn naar passende, veilige huisvesting, waar zij en haar dochter rust kunnen vinden. Daarnaast wenst verzoekster hulp bij administratie en regelzaken en bij het organiseren van werk/een daginvulling. Ten aanzien van stap 2 van het stappenplan heeft het college onder andere gekeken naar de onderwerpen huisvesting, werk en opleiding, de belangen van de dochter van verzoekster, de financiën en de psychische problematiek van verzoekster. Op grond daarvan heeft het college geconcludeerd dat niet is gebleken dat verzoekster beperkt is in haar zelfredzaamheid. De stelling van verzoekster dat het stappenplan niet of onvoldoende is doorlopen volgt de voorzieningenrechter dan ook niet. Gelet daarop volgt de voorzieningenrechter ook niet dat de problematiek van verzoekster onvoldoende in kaart is gebracht. Bovendien is in het onderzoeksverslag opgenomen dat het tot stand is gekomen vanuit verschillende gesprekken met verzoekster en haar netwerk, bestaande uit de leerkracht van de dochter, een medewerker van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Almere, de neef van verzoekster en de tante van de dochter. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat er onvoldoende onderzoek is verricht. Toegang tot maatschappelijke opvang
8. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat verzoekster niet in aanmerking komt voor de maatschappelijke opvang. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 8.1. Voor een recht op opvang is bepalend of verzoekster in staat is zich te handhaven in de samenleving. Gelet op de hulpvraag van verzoekster houdt dat in dit geval concreet in dat beoordeeld moet worden of zij door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor haar en haar minderjarige dochter te voorzien. Met andere woorden: verzoekster kan pas aanspraak maken op maatschappelijke opvang als zij geen onderdak heeft door problemen die zij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving. Maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015 is niet bedoeld om een louter huisvestingsprobleem op te lossen. 8.2. Dat het onderzoeksverslag intern tegenstrijdig zou zijn volgt de voorzieningenrechter niet. Uit het onderzoeksverslag blijkt dat verzoekster maandelijks een bijstandsuitkering, zorgtoeslag en kindgebonden budget ontvangt. Haar gemachtigde heeft verwezen naar de verklaring die volgt uit informatie uit een onderzoeksgesprek van 4 mei 2026 dat verzoekster het moeilijk vindt om rond te komen met haar huidige inkomsten. Uit deze informatie volgt echter ook dat verzoekster in staat is om hulp te vragen bij instanties en bijvoorbeeld met het aanvragen van een hogere uitkering. Het enkele feit dat verzoekster hierbij (en bij praktische en administratieve zaken) hulp krijgt van anderen betekent nog niet dat zij niet zelfredzaam is. Verzoekster heeft daarna op 26 mei 2026 ook nog zelf verklaard dat zij goed kan omgaan met haar geld. Dat het college onvoldoende heeft gekeken naar de financiële omstandigheden van verzoekster volgt de voorzieningenrechter daarom niet. Dat verzoekster aangifte heeft gedaan van oplichting is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter ook onvoldoende om haar daarom bijzonder kwetsbaar te achten. Verder is gebleken dat verzoekster zelfstandig op woningen heeft gereageerd en heeft gesolliciteerd op banen (en eerder ook heeft gewerkt). Ten aanzien van de psychische problematiek overweegt de voorzieningenrechter dat het hebben van psychische klachten niet per definitie betekent dat aanspraak kan worden gemaakt op maatschappelijke opvang. Verzoekster krijgt hulp van de huisarts, met onder andere slaapmedicatie, en heeft voor haar klachten contact met de praktijkondersteuner. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster onvoldoende met medische stukken heeft onderbouwd dat zij door psychische klachten niet zelfredzaam zou zijn. Voor zover verzoekster stelt dat de psychische klachten worden verergerd door haar woonprobleem, wijst de voorzieningenrechter er nogmaals op dat maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015 niet bedoeld is om een oplossing te bieden voor een huisvestingsprobleem. 8.3. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster aangevoerd dat het college ten onrechte niet heeft betrokken dat de organisatie Mee betrokken is bij verzoekster en dat zij betrokken raken indien er een vermoeden is van een licht verstandelijke beperking. De voorzieningenrechter overweegt dat dit de situatie niet anders maakt. Verzoekster heeft namelijk niet met stukken onderbouwd dat er sprake is van een lichtverstandelijke beperking. Daarnaast heeft de gemachtigde van het college toegelicht dat Mee onder andere ook cliëntondersteuning doet. De enkele betrokkenheid van Mee betekent dan ook niet zonder meer dat sprake is van een licht verstandelijke beperking. 8.4. Verzoekster heeft verder gesteld dat het belang van haar minderjarige dochter onvoldoende is betrokken in de beoordeling. De voorzieningenrechter stelt vast dat in het onderzoek wordt erkend dat het wenselijk is dat de minderjarige dochter zich in een stabiele woonomgeving bevindt. Verder heeft het college ook betrokken dat het goed gaat met de dochter van verzoekster, dat er vanuit school geen zorgen zijn over de sociaal emotionele of cognitieve ontwikkeling van de dochter van verzoekster en dat er geen bijzonderheden aangaande de groei of problemen met opvoeding naar voren zijn gekomen. Verzoekster heeft bij haar verzoekschrift een brief van de school meegestuurd waarin wordt vermeld dat de school zich zorgen maakt om de thuissituatie. Dat heeft volgens de school momenteel nog geen zichtbare invloed, maar als de dochter van verzoekster naar groep 2 gaat zal meer van haar worden verwacht. De voorzieningenrechter acht dit onvoldoende om thans te concluderen dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang van de dochter van verzoekster. 8.5. Gelet op de voorgaande omstandigheden komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat het college zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster zelfredzaam is en verzoekster daarom geen aanspraak kan maken op maatschappelijke toegang. Conclusie en gevolgen 9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit de uitspraak van de CRvB van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819. Dit volgt uit de definitie van het begrip ‘opvang’ in artikel 1.1.1, aanhef en eerste lid, en uit artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015. Zie onder meer de uitspraken van de CRvB van 18 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1931, en van 19 februari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:194.