Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2026:4665

Het college heeft geweigerd om het door eisers gevraagde besluit te nemen. De rechtbank concludeert dat het college geen publiekrechtelijke bevoegdheid heeft om het door eisers verzochte rechtsgevolg te bewerkstelligen. Daarom is de brief van het college geen besluit in de zin van de Awb en ook geen met een besluit gelijk te stellen weigering om een besluit te nemen. Tegen de brief kon geen be...

Rechtbank Midden-Nederland 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:4665 text/xml public 2026-08-06T10:33:55 2026-07-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-15 UTR 26/1686 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4665 text/html public 2026-08-06T10:33:30 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:4665 Rechtbank Midden-Nederland , 15-07-2026 / UTR 26/1686
Het college heeft geweigerd om het door eisers gevraagde besluit te nemen. De rechtbank concludeert dat het college geen publiekrechtelijke bevoegdheid heeft om het door eisers verzochte rechtsgevolg te bewerkstelligen. Daarom is de brief van het college geen besluit in de zin van de Awb en ook geen met een besluit gelijk te stellen weigering om een besluit te nemen. Tegen de brief kon geen beroep worden ingesteld. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het ingestelde beroep.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/1686
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen
<?linebreak?> [eiser] en [eiseres] , uit [plaats] , eisers,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden (het college), verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Dekker).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over de vraag of de brief van het college van 3 februari 2026 moet worden aangemerkt als een - met een besluit gelijk te stellen - weigering om het door eisers gevraagde besluit te nemen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat deze brief geen besluit is en dat zij daarom onbevoegd is om kennis te nemen van het ingestelde beroep. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Op 10 december 2025 hebben eisers het college verzocht om een besluit te nemen, waarin kort gezegd:

de rechtsgevolgen van het handelen van het college in 2020 (communicatie over handhaving, bouwstop, bewoningsverbod en het geven van een veiligheidsoordeel) worden vastgesteld.

de rechtmatigheid en de juistheid van de brief van 14 augustus 2020 worden vastgesteld;

een standpunt wordt ingenomen over de conclusies in de deskundigenrapporten van [deskundige] B.V. en [deskundige] B.V.

In de brief van 3 februari 2026 heeft het college besloten niet over te gaan tot het nemen van het door eisers verzochte besluit, omdat daarvoor geen publiekrechtelijke bevoegdheid of rechtsplicht bestaat.

Eisers zijn het hier niet mee eens en hebben hiertegen beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Eisers waren daarbij aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. R. Yahya en mr. A.J.M. de Braal. Het proces-verbaal van de zitting is aan deze uitspraak gehecht.
Rechtstreeks beroep
1. Uit de systematiek van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de weigering om een besluit te nemen met een besluit moet worden gelijkgesteld voor zover het gaat over de toepasselijkheid van de voorschriften voor bezwaar en beroep. Zoals ook op de zitting is toegelicht betekent dit dat eisers eerst bezwaar bij het college hadden moeten maken tegen de weigering om te beslissen. Dat de brief van 3 februari 2026 geen rechtsmiddelenclausule bevat en verder ook niet is gepresenteerd als een schriftelijke weigering om een besluit te nemen, maakt dit niet anders. Omdat partijen op de zitting hebben ingestemd met een rechtstreeks beroep en dus om de bezwaarfase over te slaan, heeft de rechtbank het beroep inhoudelijk behandeld.
Achtergrond van deze zaak
2. De rechtbank zal eerst kort de relevante achtergrond van deze zaak schetsen. Deze achtergrond is nodig om het voorliggende verzoek van eisers en de daarop gevolgde standpunten van partijen in de juiste context te plaatsen.

3. Het college heeft op 7 december 2018 aan eisers een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning met bedrijfsruimte aan de [adres] in [plaats] . De woning is in maart 2020 opgeleverd. Tussen eisers en de aannemer bestaat al geruime tijd een civielrechtelijk geschil bij de Geschillencommissie over de constructieve veiligheid van de woning van eisers. Tegen de achtergrond van dat geschil hebben eisers en het college gedurende meerdere jaren gecorrespondeerd over de constructieve veiligheid van de woning en de vraag of aanleiding bestond voor handhavend optreden. De voor deze zaak relevante voorgeschiedenis kan als volgt worden samengevat.

4. Nadat het college in april 2020 bouwafwijkingen had geconstateerd, heeft het college onderzoek laten verrichten naar de constructieve veiligheid van de woning. Na beoordeling van de aangeleverde documentatie door een externe adviseur heeft het college met de brief van 14 augustus 2020 aan eisers meegedeeld dat van handhavend optreden werd afgezien, omdat de overtreding was beëindigd.

5. In de periode daarna zijn, zowel in opdracht van het college als in het kader van de civiele geschillenprocedure, deskundigenonderzoeken verricht naar de constructieve veiligheid van de woning. Naar aanleiding daarvan heeft het college op 14 februari 2024 aan eisers een vooraankondiging van een last onder dwangsom verzonden vanwege mogelijke bouwafwijkingen. In de brief van 27 februari 2024 besloot het college echter om de handhavingsprocedure voorlopig niet voort te zetten, omdat geen overtreding kon worden vastgesteld.

6. Tegen de brieven van 14 augustus 2020 en 27 februari 2024 hebben eisers bezwaar gemaakt. Dat bezwaar heeft het college niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze brieven geen besluiten zijn. Het daartegen ingestelde beroep is ongegrond verklaard.
De kernpunten van het beroep van eisers
7. Eisers stellen dat het college ten onrechte heeft geweigerd om een besluit te nemen op hun verzoek van 10 december 2025. Volgens eisers hebben de door het college gecommuniceerde bestuurlijke oordelen over onder meer de constructieve veiligheid van de woning, het bestaan van een handhavingstraject en een bouwstop en de betekenis van de brief van 14 augustus 2020 nog steeds gevolgen voor hun rechtspositie. Die bestuurlijke oordelen worden volgens eisers jarenlang door de aannemer tegen hen gebruikt, met name in de civiele geschillenprocedure tegen die aannemer. Omdat er geen enkel besluit bestaat waartegen rechtsmiddelen openstaan, vinden eisers dat het college gehouden is alsnog het door hen gevraagde besluit te nemen. De door het college genoemde mogelijkheid om een verzoek om handhaving in te dienen, is volgens eisers geen reële rechtsingang gezien de verstrekkende gevolgen die een dergelijk traject voor hen heeft.
Standpunt van het college
8. Het college stelt dat zij geen publiekrechtelijke bevoegdheid heeft om het door eisers gevraagde besluit te nemen. Dit betekent volgens het college dat de brief van 3 februari 2026 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

9. In de brief van 3 februari 2026 is ook opgemerkt dat er sprake is van een herhaald verzoek, omdat het huidige verzoek grote overeenkomsten heeft met een eerder verzoek van eisers waarbij het college gelijkluidend heeft gereageerd met de brief van 6 maart 2025. Op de zitting heeft het college toegelicht dat hiermee niet is bedoeld te stellen dat er sprake is van een herhaald verzoek in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank gaat dan ook niet verder op dit punt in.
Beoordeling door de rechtbank
10. Op de zitting hebben partijen uitvoerig stilgestaan bij de achtergrond van deze zaak. De rechtbank begrijpt dat het eisers in deze zaak in de kern gaat om een bestuurlijke (her)beoordeling door het college van de gang van zaken in 2020. Eisers hebben op de zitting toegelicht dat zij met dit beroep willen bereiken dat het college de feitelijke gang van zaken rondom de constructieve veiligheid van hun woning erkent. Volgens eisers is met de eerdere brieven van het college ten onrechte de indruk ontstaan dat sprake is geweest van een handhavingstraject en een bouwstop. Met name in de brief van 14 augustus 2020 is volgens eisers ten onrechte vermeld dat de geconstateerde gebreken waren hersteld en dat daarom van handhavend optreden werd afgezien, terwijl volgens hen geen herstelwerkzaamheden hebben plaatsgevonden en uit de later verrichte deskundigenonderzoeken volgt dat de constructieve veiligheid van de woning niet was gewaarborgd. Eisers willen dus dat het college erkent dat de brief van 14 augustus 2020 op onjuiste uitgangspunten berust en dat het college alsnog een bestuurlijk oordeel geeft over de constructieve veiligheid van de woning.

11. Het college heeft op de zitting toegelicht dat nooit sprake is geweest van een handhavingstraject of een bouwstop. Wel zijn destijds stappen gezet om te beoordelen of handhavend optreden aangewezen was in het kader waarvan een tijdelijk gebruiksverbod van de woning aan de orde is geweest in verband met de constatering dat in afwijking van de omgevingsvergunning was gebouwd. In de brief van 14 augustus 2020 is volgens het college geen definitief of zelfstandig oordeel gegeven over de constructieve veiligheid van de woning. Deze brief had uitsluitend betrekking op de destijds verrichte beoordeling op basis van op dat moment bekende feiten. Ook in de andere brieven is volgens het college geen sprake geweest van een oordeel over de constructieve veiligheid van de woning, maar van mededelingen in het kader van de beoordeling van eventuele handhavingsmogelijkheden. Uiteindelijk heeft het college geconcludeerd dat er geen grond bestond voor handhavend optreden, omdat geen overtreding kon worden vastgesteld. Eisers hebben ook niet verzocht om handhavend op te treden, zodat het college ook op die grond niet verplicht was om een handhavingsbesluit te nemen.

12. De rechtbank begrijpt het belang van eisers bij het verkrijgen van duidelijkheid over de gang van zaken rondom de constructieve (on)veiligheid van hun woning. Dat resultaat kan in deze zaak echter niet worden bereikt. Zoals ook op de zitting is besproken, leent de bij de Geschillencommissie aanhangige procedure zich meer voor een inhoudelijke beoordeling van wat eisers met deze procedure willen bereiken. In deze zaak ligt uitsluitend de vraag voor of een publiekrechtelijke grondslag bestaat om het door eisers gevraagde besluit te nemen. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Hierna zal zij toelichten waarom.

Geen sprake van een besluit

13. Onder een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publieksrechtelijke rechtshandeling. Het beroep van eisers richt zich tegen de mededeling van het college in de brief van 3 februari 2026 dat hij niet bevoegd is om aan het verzoek van eisers te voldoen.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een mededeling van een bestuursorgaan dat het in een bepaald geval niet bevoegd is om het door verzoeker gewenste rechtsgevolg te bewerkstelligen, in beginsel moet worden aangemerkt als een besluit omdat zo’n mededeling in ieder geval een beoordeling inhoudt over de aanwezigheid en de reikwijdte van de vermeende bevoegdheid. Dit geldt echter niet wanneer er aan het bestuursorgaan geen enkele bevoegdheid toekomt ter uitvoering van de wettelijke regeling waarop het verzoek betrekking heeft.

14. Van dit laatste is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval sprake. Er is geen publiekrechtelijke rechtsplicht en een daaruit voortvloeiende bevoegdheid voor het college aan te wijzen om de door eisers gewenste rechtsgevolgen te bewerkstelligen. Eisers hebben ook niet onderbouwd dat er wél een publiekrechtelijke grondslag bestaat op grond waarvan het college bevoegd is om op hun verzoek te beslissen. De door eisers aangehaalde aanbevelingen van de provincie aan het college in de brief van 10 december 2024 om een eigenstandig oordeel te vormen over de conclusies uit de verschillende deskundigenrapporten en over de constructieve veiligheid van de woning, doet er niet aan af dat daarvoor een specifiek wettelijk voorschrift ontbreekt.

15. Het college heeft dus terecht geconcludeerd dat hij niet bevoegd is om op het verzoek van eisers te beslissen. Dat heeft als gevolg dat het verzoek van eisers geen aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb.

Geen sprake van een bestuurlijk rechtsoordeel

16. Voor zover eisers stellen dat de brief van 3 februari 2026 bestuurlijke rechtsoordelen bevatten, slaagt deze grond ook niet. Op grond van vaste rechtspraak is een bestuurlijk rechtsoordeel in de regel geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In uitzonderingssituaties moet een bestuurlijk rechtsoordeel als besluit worden aangemerkt. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het voor de betrokkene onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een beroepsprocedure over het daadwerkelijke besluit bij de bestuursrechter aan de orde te stellen.

17. Een bestuurlijk rechtsoordeel is een zelfstandig en als definitief bedoeld oordeel van een bestuursorgaan over de toepasselijkheid van een wettelijk voorschrift, waarvan de toepassing tot de bevoegdheid van dat bestuursorgaan behoort. Naar het oordeel van de rechtbank voldoen de opmerkingen van het college in de brief van 3 februari 2026 over het gebruiksverbod en herstel van de eerdere geconstateerde onderdelen, waar eisers in beroep op wijzen, hier niet aan. Met die opmerkingen heeft het college eisers duidelijkheid willen geven over de aard, omvang en strekking van de eerdere brief van 14 augustus 2020 waarvan in de eerdere uitspraak van deze rechtbank al is geoordeeld dat deze brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het zijn slechts mededelingen van feitelijke en informatieve aard. Daarom komt de rechtbank niet toe aan de vraag of het onevenredig bezwarend is om een daadwerkelijk besluit via een verzoek om handhaving uit te lokken.
Conclusie en gevolgen
18. De brief van het college van 3 februari 2026 is dus geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dit betekent dat ook geen sprake is van een - met een besluit gelijk te stellen - schriftelijke weigering een besluit te nemen. Tegen de brief van 3 februari 2026 kon daarom geen beroep worden ingesteld.

19. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep van eisers. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9205 r.o. 4.1 en van de Centrale Raad van Beroep van 7 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1694 r.o. 5.

Als bedoeld in artikel 7:1a van de Awb.

Uitspraak van deze rechtbank van 31 oktober 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:6339).

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 17 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL4154 r.o. 2.2.3 en 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:191 r.o. 3.1.

Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:245 r.o. 4.2.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1711, r.o. 3.1.

Op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb.

Artikel delen