Afwijzing ondertoezichtstelling. Wel sprake van zorgen, maar geen ernstige ontwikkelingsbedreiging.
Rechtbank Midden-Nederland 6 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:4684
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-07-2026
Datum publicatie
06-08-2026
Zaaknummer
C/16/612240 / JL RK 26-343
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
ECLI:NL:RBMNE:2026:4684text/xmlpublic2026-08-06T13:18:382026-07-24Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Midden-Nederland2026-06-25C/16/612240 / JL RK 26-343UitspraakBeschikkingNLAlmereCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4684text/htmlpublic2026-08-06T13:18:012026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBMNE:2026:4684 Rechtbank Midden-Nederland , 25-06-2026 / C/16/612240 / JL RK 26-343 Afwijzing ondertoezichtstelling. Wel sprake van zorgen, maar geen ernstige ontwikkelingsbedreiging.
Datum uitspraak: 25 juni 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling in de zaak van DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
gevestigd in Lelystad,
hierna te noemen: de Raad, over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. W.F. Wienen. De kinderrechter merkt als informant aan: STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd in Lelystad,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI). 1Het verloop van de procedure1.1. De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 mei 2026, mee in de beoordeling. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met mr. I. El Azzati (waarnemend advocaat);
- de moeder;
- [A] namens de Raad;
- [B] namens de GI. 1.3. Tijdens de zitting heeft mr. I. El Azzati gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. Deze aantekeningen zijn op de zitting overhandigd om toe te voegen aan het dossier. 1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven. De kinderrechter heeft [minderjarige 2] niet om haar mening gevraagd. De kinderrechter vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht vindt de kinderrechter daar te jong voor. 2De feiten2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader en moeder. 3Het verzoek3.1. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De standpunten De Raad 4.1. Uit de stukken en dat wat de Raad op zitting heeft gezegd, blijkt dat er zorgen zijn over de spanningen tussen de ouders, het zorgmijdende gedrag van de moeder in het kader van haar gezondheidsproblemen, haar afhankelijkheid van de vader en daarmee het risico voor de vader om overbelast te raken en het gegeven dat de kinderen belast kunnen raken door de situatie waarin zij leven. Ook maakt de Raad zich zorgen over het gegeven dat niemand goed zicht krijgt op hoe het thuis met de kinderen gaat. Het is volgens de Raad belangrijk dat er opvoedondersteuning wordt ingezet, de hulp voor [minderjarige 1] bij ’s Heeren Loo en thuis wordt voortgezet, er grip komt op de schoolgang van [minderjarige 2] en er psycho-educatie wordt ingezet voor de vader en de moeder. De vader 4.2. Namens en door de vader is verzocht het verzoek af te wijzen. Volgens de vader is de situatie in het Raadsrapport staat beschreven overdreven en ook niet actueel meer. Het gaat goed met de kinderen, zij hebben voldoende te eten, [minderjarige 1] heeft zijn achterstand op school bijna ingehaald en het huiselijk geweld dat in het Raadsrapport wordt genoemd, heeft niet plaatsgevonden. De woordenwisseling en ruzies die er waren ten tijde van de scheiding, vinden inmiddels niet meer plaats. De moeder 4.3. Ook de moeder ziet geen noodzaak voor het uitspreken van de ondertoezichtstelling. De zorgen over haar gezondheid zijn van langere tijd geleden en ook toen zorgde de moeder voor de kinderen. Hoewel zij en de vader uit elkaar zijn, zitten zij wat betreft de opvoeding nog wel op één lijn. Over het schoolverzuim van de kinderen stelt de moeder dat dit veroorzaakt werd door ziekte, maar dat zij hun achterstand inmiddels wel (grotendeels) hebben ingehaald. Wanneer er thuis sprake van problemen zou zijn, zouden zij dit niet hebben kunnen doen. 5De beoordeling5.1. De kinderrechter wijst het verzoek tot het verlenen van een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af en legt hierna uit waarom zij dat doet. 5.2. Voor een ondertoezichtstelling moet sprake zijn van ernstige ontwikkelingsbedreigingen voor de kinderen. De kinderrechter is van oordeel dat op dit moment onvoldoende is onderbouwd dat daarvan nu sprake is, mede gelet op het verhaal van de ouders. Dit betekent niet dat er niets aan de hand is: de beide scholen van de kinderen, de huisarts en de hulpverlening vanuit De Schoor hebben allemaal wel hun zorgen geuit, onder meer over spanningen tussen de vader en de moeder, de financiële en individuele problematiek van de ouders en over de achterstanden van de kinderen op school. Hier komt bij dat niemand precies zicht op de thuissituatie lijkt te kunnen krijgen. Tegelijkertijd hebben de vader en de moeder op de zitting naar voren gebracht dat zij, nu zij na de scheiding in rustiger vaarwater komen, op één lijn zitten wat betreft de opvoeding. Ook hebben zij verteld dat het inmiddels beter gaat met de kinderen op school en zij bezig zijn met het inhalen van hun achterstanden. Tot slot hebben de vader en de moeder los van elkaar dezelfde verklaring gegeven voor de meldingen van het huiselijk geweld. Dit alles maakt dat er naar het oordeel van de kinderrechter nu wel vaststaat dat er zorgen zijn, maar niet dat die zorgen ook ernstige ontwikkelingsbedreigingen vormen. Dat is wel vereist voor een ingrijpende maatregel als een ondertoezichtstelling. Hoewel de kinderrechter wel de zorg van de Raad deelt dat er weinig zicht is op de thuissituatie, is een ondertoezichtstelling ook niet bedoeld als middel om dat zicht te verkrijgen. Er is dus niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor het verleden van een ondertoezichtstelling, waardoor het verzoek zal worden afgewezen. 5.3. De kinderrechter wil nog het wel volgende aan de vader en de moeder meegeven. Hoewel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet onder toezicht zullen worden gesteld, zijn de zorgen zoals hierboven beschreven wel aanwezig. Het is naar het oordeel van de kinderrechter wel verstandig om op vrijwillige basis hiervoor hulpverlening te (blijven) accepteren, waaronder het voortzetten van de hulp voor [minderjarige 1] vanuit ’s Heeren Loo en de betrokkenheid van De Schoor. Deze hulp kan een steun in de rug zijn, juist na een ingewikkelde periode zoals een scheiding, waarbij de ouders bovendien voorlopig nog in één huis wonen. De kinderrechter hoopt dat als dit vrijwillige hulp is, de ouders zich er makkelijker voor open kunnen stellen en dit hen helpt om de zorgen die er zijn, zoveel mogelijk weg te nemen. Zo kunnen de ouders en de kinderen zo goed mogelijk omgaan met de nieuwe situatie na de scheiding. 6De beslissing De kinderrechter wijst het verzoek af. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026 door mr. J.M. Atema, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Mather als griffier, en op schrift gesteld op 8 juli 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.