Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2026:4692

btn wia aanvraag herbeoordeling

Rechtbank Midden-Nederland 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:4692 text/xml public 2026-08-03T13:24:13 2026-07-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-21 UTR 26/1947 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4692 text/html public 2026-08-03T13:23:53 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:4692 Rechtbank Midden-Nederland , 21-04-2026 / UTR 26/1947
btn wia aanvraag herbeoordeling
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/1947
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

Verweerder heeft op 16 maart 2026 een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft bij brief van 18 maart 2026 een reactie gegeven op het verweerschrift.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de

betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Eiseres heeft haar aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend op 12 september 2025.

Verweerder heeft de aanvraag ontvangen op 12 september 2025. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op de aanvraag om een WIA-uitkering van eiseres. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 16 maart 2026. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 24 december 2025 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiseres heeft op 4 maart 2026 beroep ingesteld.

4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat

verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.

5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan

verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om een beslistermijn vast te stellen die aansluit bij de termijn zoals gehanteerd in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025.De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op twee weken. De rechtbank wijkt hierbij af van haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. De rechtbank ziet aanleiding om in dit geval af te wijken omdat ten tijde van deze uitspraak er reeds een spreekuur heeft plaatsgevonden. Dit blijkt uit het beroepschrift van eiseres en uit de brief van verweerder van 20 november 2025. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen. De rechtbank sluit hiermee aan bij haar uitspraak van 21 oktober 2025.

6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke

dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.
Conclusie <?linebreak?>
7. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van twee weken na

verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op de aanvraag van eiseres.

8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 54,- aan

eiseres betalen. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van E.H.M. Jansen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak? <?linebreak?>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

ECLI:NL:RBROT:2025:9226.

ECLI:NL:RBMNE:2025:41.

ECLI:NL:RBMNE:2025:5638.

Artikel delen