Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2026:4697

bnt, ZW, niet tijdig besluit op de EZWb

Rechtbank Midden-Nederland 27 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:4697 text/xml public 2026-07-27T13:57:15 2026-07-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-22 UTR 26/2098 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4697 text/html public 2026-07-27T13:56:36 2026-07-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:4697 Rechtbank Midden-Nederland , 22-04-2026 / UTR 26/2098
bnt, ZW, niet tijdig besluit op de EZWb
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/2098
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen Start People Staffing B.V., gevestigd te Almere, eiseres
(gemachtigde: mr. M. Bockting),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet tijdig een besluit op de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (hierna: EZWb) van haar (ex-)werkneemster mevrouw [A] heeft genomen.
Overwegingen <?linebreak?>
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de

betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. De EZWb is een ambtshalve beslissing van verweerder. Een EZWb-besluit moet

uiterlijk in week 52 van de ziekte van de (ex-)werkneemster worden genomen. De werkneemster van eiseres is op 13 februari 2025 ziek uitgevallen. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 14 februari 2026 een EZWb-besluit had moeten nemen. Verweerder heeft op 10 februari 2026 een ingebrekestelling van eiseres ontvangen.

4. Verweerder geeft in zijn verweerschrift van 25 maart 2026 aan dat de ingebrekestelling van eiseres door hem is afgewezen. Hij stelt hierbij dat een Eerstejaars Ziektewet-beoordeling een ambtshalve beslissing is en geen beslissing op een aanvraag.

Verweerder stelt dat de regeling over bestuurlijke dwangsommen niet van toepassing is op besluiten die ambtshalve genomen (moeten) worden en dat dit ook geldt als er een aanvraag ligt voor deze ambtshalve beoordeling. Verder stelt hij dat hij alsnog een inhoudelijke beslissing zal nemen op de EZWb.

5. Op 10 maart 2026 heeft eiseres beroep ingesteld in verband met het uitblijven van een besluit van verweerder. Omdat verweerder niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling een besluit heeft genomen, en dat nog altijd niet heeft gedaan, verklaart de rechtbank het beroep gegrond. Dat er geen aanvraag ten grondslag ligt aan de ingebrekestelling doet hier niets aan af. De ingebrekestelling is terecht ingediend en verweerder dient nog steeds binnen de wettelijke termijn een EZWb-besluit te nemen.

6. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat

verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.

7. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen gestelde termijn af te handelen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om een beslistermijn vast te stellen die aansluit bij de termijn zoals gehanteerd in de uitspraak van Zeeland-West-Brabant van 9 januari 2025 en de uitspraak van rechtbank Oost-Brabant van 31 januari 2025. De rechtbank ziet hier aanleiding om de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.

8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke

dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.
Conclusie <?linebreak?>
9. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na

verzending van deze uitspraak een beslissing nemen.

10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten

die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.

11. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan

eiseres betalen.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van E.H.M. Jansen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak? <?linebreak?>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Dit volgt uit artikel 19aa, eerste lid, van de Ziektewet.

ECLI:NL:RBZWB:2025:91 en ECLI:NL:RBOBR:2025:456.

ECLI:NL:RBMNE:2025:41.

Artikel delen