Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2026:4771

Gevoegde zaken. Tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Openstaande factuur wordt verrekend met de schade. Een deel van de schade moet nader bij staat worden opgemaakt.

Rechtbank Midden-Nederland 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:4771 text/xml public 2026-08-03T13:03:12 2026-07-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-15 C/16/592913 / HA ZA 25-246 en C/16/597201 / HA ZA 25-376 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4771 text/html public 2026-08-03T13:02:22 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:4771 Rechtbank Midden-Nederland , 15-07-2026 / C/16/592913 / HA ZA 25-246 en C/16/597201 / HA ZA 25-376
Gevoegde zaken. Tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Openstaande factuur wordt verrekend met de schade. Een deel van de schade moet nader bij staat worden opgemaakt.
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Vonnis van 15 juli 2026

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/16/592913 / HA ZA 25-246 van

[procesdeelneemster 1] B.V.,

gevestigd in [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [procesdeelneemster 1] ,

advocaat: mr. T.J. van Veen,

tegen

[procesdeelneemster 2] B.V.,

gevestigd in [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [procesdeelneemster 2] ,

advocaat: mr. S.C. Lin.

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/16/597201 / HA ZA 25-376 van

[procesdeelneemster 2] B.V.,

gevestigd in [plaats 2] ,

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [procesdeelneemster 2] ,

advocaat: mr. S.C. Lin,

tegen
<nr>1</nr> [procesdeelneemster 1] B.V.,
gevestigd in [plaats 1] ,

hierna te noemen: [procesdeelneemster 1] , 2. [procesdeelneemster 3] B.V.,

gevestigd in [plaats 1] ,

hierna te noemen: [procesdeelneemster 3] , 3. [procesdeelneemster 4] B.V.,

gevestigd in [plaats 1] ,

hierna te noemen: [procesdeelneemster 4] , 4. [procesdeelnemer 5],

wonend in [plaats 1] ,

hierna te noemen: [procesdeelnemer 5] ,

gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [procesdeelneemster 1] c.s.,

advocaat: mr. T.J. van Veen.
<nr>1</nr>De procedure 1.1
De volgende processtukken zijn in het geding gebracht:

in de zaak met rolnummer 25-246

- de dagvaarding van 23 april 2025 met producties;

- de akte overlegging beslagstukken van [procesdeelneemster 1] ;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de aktes met aanvullende producties van [procesdeelneemster 1] ;

- de aktes met aanvullende producties van [procesdeelneemster 2] .

in de zaak met rolnummer 25-376

- het vonnis van deze rechtbank van 29 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken;

- de conclusie van antwoord in conventie en de eis in reconventie met producties;

- de conclusie van antwoord in reconventie met één productie;

- de aktes met aanvullende producties van [procesdeelneemster 2] ;

- de aktes met aanvullende producties van [procesdeelneemster 1] .
1.2
De rechtbank Zeeland- West Brabant heeft de zaak met rolnummer 25-376 verwezen naar deze rechtbank en de zaken zijn gevoegd bij incidenteel vonnis van 2 juli 2025.
1.3
Op 27 mei 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in beide zaken. Partijen hebben hun standpunten mede aan de hand van spreekaantekeningen toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken. Daarna is bepaald dat vandaag in beide zaken een vonnis wordt uitgesproken.
<nr>2</nr>De kern van de zaken
[procesdeelneemster 1] en [procesdeelneemster 2] hebben een overeenkomst gesloten voor de bouw van een appartementencomplex. Volgens [procesdeelneemster 2] vertoont het werk gebreken. Omdat [procesdeelneemster 1] de gebreken niet op tijd heeft hersteld, heeft [procesdeelneemster 2] de overeenkomst gedeeltelijk ontbonden. [procesdeelneemster 2] vordert vergoeding van de door haar geleden schade, die zij begroot op ruim 2 miljoen euro. [procesdeelneemster 1] vordert op haar beurt dat [procesdeelneemster 2] alsnog de laatste termijn van de aanneemsom van € 302.500,- inclusief btw aan haar moet betalen. [procesdeelneemster 2] stelt dat zij die openstaande factuur van [procesdeelneemster 1] heeft verrekend met haar vordering tot schadevergoeding. Tot slot speelt een geschil over de waterschade die tijdens de bouw is ontstaan en waarvoor Nationale Nederlanden een schadebedrag van € 547.606,78 heeft toegekend, dat nog niet is uitgekeerd. [procesdeelneemster 1] en [procesdeelneemster 2] maken allebei aanspraak op dat bedrag. [procesdeelneemster 2] krijgt grotendeels gelijk: de overeenkomst is ontbonden en [procesdeelneemster 1] moet de schade van [procesdeelneemster 2] vergoeden, waarvan een deel nader bij staat moet worden opgemaakt. Het beroep op verrekening slaagt: de onbetaalde factuur wordt afgetrokken van de te betalen schadevergoeding.
<nr>3</nr>De achtergrond van het geschil 3.1
[procesdeelneemster 1] is een bouw- en aannemersbedrijf. [procesdeelneemster 2] houdt zich bezig met het beheren en exploiteren van registergoederen en het ontwikkelen en begeleiden van bouwprojecten. Op 20 oktober 2021 hebben [procesdeelneemster 1] en [procesdeelneemster 2] een aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw en oplevering van het project [.] in [wijk] (hierna: de overeenkomst). Dit project bestond uit een appartementencomplex van in totaal 125 eenheden, waaronder woningen en een commerciële ruimte die door [procesdeelneemster 2] zouden worden verhuurd. Voor het gehele project moest [procesdeelneemster 2] een vaste aanneemsom van € 25.300.000,- exclusief btw betalen.
3.2
In de overeenkomst hebben [procesdeelneemster 1] en [procesdeelneemster 2] afgesproken dat de oplevering op 16 december 2023 zal plaatsvinden en dat [procesdeelneemster 1] vanaf 31 januari 2024 een boete moet betalen van € 30,- per appartement per dag dat het appartement te laat wordt opgeleverd. De oplevering heeft niet op de afgesproken datum plaatsgevonden. Uiteindelijk is het werk in drie delen opgeleverd:

1e oplevering op 5 juli 2024 (49 appartementen)

2e oplevering op 19 juli 2024 (63 appartementen)

3e oplevering op 6 september 2024 (12 appartementen).

Op 6 september 2024 was ook de eindoplevering van het werk. Alleen de commerciële ruimte is bij de eindoplevering niet opgeleverd. Na de deelopleveringen zijn de appartementen verhuurd.
3.3
Naast de opleverdatum en de boete hebben [procesdeelneemster 1] en [procesdeelneemster 2] in de aanneemovereenkomst afgesproken dat er vanaf de eindoplevering een onderhoudstermijn zou lopen voor de duur van zes maanden. Binnen deze onderhoudstermijn herstelt [procesdeelneemster 1] gebreken die binnen deze termijn worden geconstateerd. [procesdeelneemster 2] mocht tijdens de onderhoudstermijn € 250.000,- exclusief btw (€ 302.500 inclusief btw) inhouden op de totale aanneemsom, in afwachting van de nakoming van de verplichtingen van [procesdeelneemster 1] . Nadat de onderhoudstermijn was afgelopen heeft [procesdeelneemster 1] [procesdeelneemster 2] gesommeerd om het ingehouden bedrag te betalen.
3.4
Tijdens de bouw van het project heeft er tussen oktober 2023 en januari 2024 hevige regenval plaatsgevonden. Deze regenval heeft veel vochtschade veroorzaakt aan het project omdat het nog niet volledig wind- en waterdicht was. De schade zag vooral op de wanden, vloeren en plafonds die nat waren geworden en daardoor beschadigd zijn. Na deze gebeurtenis heeft [procesdeelneemster 1] een schadeclaim ingediend bij haar verzekeraar Nationale Nederlanden. [procesdeelneemster 1] heeft voor het project namelijk een Construction Allrisk (CAR) verzekering afgesloten. Nationale Nederlanden heeft een schaderapport laten opstellen. Daaruit blijkt dat sprake is van waterschade in 104 appartementen en dat herstelkosten moeten worden gemaakt voor dekvloeren, Fermacell-wanden, stuc- en spuitwerk, plafondplaten, binnendeuren, het kitwerk en de toezicht en begeleiding tijdens het schadeherstel. De schade-uitkering is vastgesteld op € 547.606,78. Nationale Nederlanden heeft de schade niet uitgekeerd aan [procesdeelneemster 1] , omdat in de polis staat dat bedragen boven € 100.000,- worden uitgekeerd aan de opdrachtgever, en dat is [procesdeelneemster 2] . Alleen als de opdrachtgever daarvoor toestemming geeft wordt de schade aan de aannemer uitgekeerd. Deze toestemming wil [procesdeelneemster 2] niet geven omdat zij vindt dat de schade niet is hersteld en zij zelf recht heeft op de schadevergoeding. Ook wil [procesdeelneemster 2] inzage in het volledige schadedossier.
3.5
Tijdens en na de deelopleveringen heeft [procesdeelneemster 2] meerdere gebreken aan het werk geconstateerd en dit gemeld aan [procesdeelneemster 1] . Daarnaast kreeg [procesdeelneemster 2] meldingen van de huurders van de appartementen over gebreken, onder andere over ramen en deuren die niet goed openen of sluiten, vochtproblemen in de appartementen en ontbrekende hekwerken. Deze meldingen heeft [procesdeelneemster 2] aan [procesdeelneemster 1] doorgezet, maar volgens [procesdeelneemster 2] heeft [procesdeelneemster 1] de gebreken niet hersteld. [procesdeelneemster 1] erkent dat zij de gebreken niet heeft hersteld, deels omdat zij vindt dat de gebreken niet door haar hersteld hoefden te worden, deels omdat herstel nog niet mogelijk was omdat de oorzaak van de problemen eerst moest worden onderzocht.
3.6
Uiteindelijk hebben [procesdeelneemster 1] en [procesdeelneemster 2] op 14 oktober 2024 met elkaar gesproken over het herstel van de gebreken, met name de problemen met de ramen/de kozijnen. Vervolgens heeft op 23 oktober 2024 een overleg plaatsgevonden met [procesdeelneemster 1] en [procesdeelneemster 2] en met [onderneming 1] , leverancier van de kozijnen. [procesdeelneemster 1] zou na het gesprek een plan van aanpak opstellen voor het oplossen van de problemen met de kozijnen en dat plan aan [procesdeelneemster 2] sturen. Dit heeft [procesdeelneemster 1] op 28 oktober 2024 gedaan, maar [procesdeelneemster 2] vond het plan van aanpak niet concreet genoeg. Zij sommeerde [procesdeelneemster 1] om uiterlijk de volgende dag een uitgebreid plan van aanpak te sturen en anders zou zij de overeenkomst ontbinden. Op 30 oktober 2024 reageerde [procesdeelneemster 1] op de sommatie, maar voor [procesdeelneemster 2] was die reactie onvoldoende. Zij heeft de overeenkomst op 31 oktober 2024 ontbonden. Vervolgens heeft [procesdeelneemster 2] derden ingeschakeld om de gebreken te herstellen en heeft zij onderzoek laten doen naar de problemen met de kozijnen. [procesdeelneemster 2] wil dat [procesdeelneemster 1] de kosten vergoedt die zij voor het (onderzoek naar het) herstel heeft gemaakt en nog moet maken.
<nr>4</nr>De beoordeling in beide zaken 4.1
De vorderingen in beide procedures hangen nauw met elkaar samen. Daarom worden de vorderingen hierna samen besproken.

[procesdeelneemster 2] heeft de overeenkomst rechtsgeldig gedeeltelijk ontbonden
4.2
Het staat vast dat er tijdens de oplevering opleverpunten zijn geconstateerd en dat na de oplevering gebreken zijn gemeld door huurders. [procesdeelneemster 1] erkent ook dat er gebreken zijn aan het werk die door haar moesten worden hersteld. [procesdeelneemster 2] heeft [procesdeelneemster 1] op 28 oktober 2024 gevraagd om uiterlijk de volgende dag 17:00 uur een uitgebreid plan van aanpak voor het herstel van de gebreken te sturen. Volgens [procesdeelneemster 1] mocht [procesdeelneemster 2] de overeenkomst op 31 oktober 2024 niet ontbinden omdat [procesdeelneemster 2] haar niet de gelegenheid heeft gegeven om de gebreken te herstellen en dit wel moest. Daarom zou [procesdeelneemster 1] niet in verzuim zijn en dit is wel nodig voordat [procesdeelneemster 2] de overeenkomst mag ontbinden. Dit verweer slaagt niet. Gelet op alle omstandigheden was [procesdeelneemster 1] op 31 oktober 2024 in verzuim, waardoor [procesdeelneemster 2] de overeenkomst mocht ontbinden.
4.3
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat onder omstandigheden kan worden aangenomen dat iemand zonder het overschrijden van een harde termijn, zonder ingebrekestelling en zonder mededeling dat hij niet zal nakomen, toch in verzuim raakt. Omstandigheden van het geval kunnen met zich brengen dat verzuim ook intreedt als de schuldenaar niet of niet toereikend reageert op een verzoek van de schuldeiser om binnen een redelijke termijn toe te zeggen dat hij binnen een eveneens redelijke, termijn zal nakomen, of om zich binnen een redelijke termijn uit te laten over de wijze waarop en de termijn waarbinnen hij door de schuldeiser omschreven gebreken in de uitvoering van de overeenkomst zal herstellen. Die situatie doet zich hier voor en daardoor is het verzuim van [procesdeelneemster 1] ingetreden zonder ingebrekestelling. Uit de omstandigheden en de voorgeschiedenis volgt dat [procesdeelneemster 1] in verzuim is geraakt op het moment dat zij op 28 oktober 2024 niet meer deed dan een summier plan van aanpak sturen en dat zij niet kort daarna alsnog doorkwam met een duidelijk verhaal over hoe zij de gebreken zou oplossen. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden relevant:

[procesdeelneemster 2] heeft [procesdeelneemster 1] al op 19 juni 2024 gemaild over de geconstateerde problemen in het pand, en aan [procesdeelneemster 1] laten weten dat zij zich zorgen maakt over de problemen met het gebruik van de ramen en deuren in de buitengevel.

Op 26 juni 2024 heeft [procesdeelneemster 2] haar zorgen herhaald en [procesdeelneemster 1] gewezen op haar verplichting om deugdelijk werk af te leveren.

Op 26 juli 2024 heeft [procesdeelneemster 2] [procesdeelneemster 1] per mail gesommeerd om uiterlijk dinsdag 30 juli 2024 per mail een plan van aanpak te sturen voor de oplevering van de nog resterende negen appartementen en het herstel van de kwaliteits- en opleveringspunten van de al in gebruik genomen woningen. [procesdeelneemster 2] heeft toen geen termijn gesteld voor de nakoming, maar wel het spoedeisende belang bij het oplossen van de problemen benadrukt.

Hoewel de appartementen in principe bij de oplevering af hoorden te zijn, zijn er bij de oplevering veel opleverpunten gemeld en was het merendeel van deze gebreken in oktober feitelijk nog steeds niet opgelost.

[procesdeelneemster 1] en [procesdeelneemster 2] hebben een aantal keren met elkaar gesproken over het oplossen van de gebreken.

Op 23 oktober 2024 vond een gesprek plaats met [onderneming 1] . [procesdeelneemster 1] en [procesdeelneemster 2] spraken af dat [procesdeelneemster 1] een plan van aanpak zou opstellen over hoe zij de problemen gaat oplossen. [procesdeelneemster 1] heeft vervolgens een summier plan van aanpak gestuurd. [procesdeelneemster 2] wilde gedetailleerd weten wat [procesdeelneemster 1] ging doen om de problemen te herstellen. Uit de e-mail met een kort, algemeen plan van aanpak blijkt niet dat [procesdeelneemster 1] de ernst van de problemen inzag en daadwerkelijk bezig was met het maken van een serieus plan om de gebreken aan te pakken

In de tussentijd kwam [procesdeelneemster 2] er achter dat [onderneming 1] in november 2023 al aan [procesdeelneemster 1] had gemeld dat zij afwijkingen in de afmetingen van de stelkozijnen had geconstateerd en dat zij toen al problemen voorzag als de aluminium kozijnen in die stelkozijnen zouden worden geplaatst. Ook was de afwaterdichtheid niet goed. Ondanks deze meldingen zijn de kozijnen geplaatst. [procesdeelneemster 1] kende een mogelijke oorzaak van de problemen dus al veel eerder, en had al eerder plannen kunnen maken voor het oplossen daarvan.
4.4
De conclusie is dat [procesdeelneemster 2] [procesdeelneemster 1] voldoende gelegenheid heeft gegeven om de gebreken te herstellen. Doordat [procesdeelneemster 1] dit niet heeft gedaan is zij in verzuim geraakt en mocht [procesdeelneemster 2] op 31 oktober 2024 de overeenkomst gedeeltelijk ontbinden. De partiële ontbinding was in dit geval ook proportioneel en gerechtvaardigd. De ontbinding ziet op de nog uit te voeren herstelwerkzaamheden. Daaronder vallen de herstelwerkzaamheden voor de al bekende gebreken en de werkzaamheden voor de gebreken die zich nog zouden openbaren binnen de onderhoudstermijn van zes maanden na de eindoplevering.
4.5
[procesdeelneemster 2] vordert een verklaring voor recht dat de overeenkomst op 31 oktober 2024 gedeeltelijk is ontbonden. Hoewel de overeenkomst inderdaad op die dag gedeeltelijk is ontbonden, wijst de rechtbank deze vordering af. [procesdeelneemster 2] heeft niet gemotiveerd welk (aanvullend) belang zij heeft bij die vordering, naast haar vordering tot betaling van schadevergoeding. Daarover zal hierna worden geoordeeld.

[procesdeelneemster 1] moet de schade van [procesdeelneemster 2] vergoeden
4.6
Zoals hiervoor geoordeeld staat vast dat sprake is van een of meerdere gebreken. Dit was voor [procesdeelneemster 2] de reden om de overeenkomst te ontbinden en [procesdeelneemster 1] de toegang tot het pand te ontzeggen. Daardoor heeft [procesdeelneemster 1] de gebreken niet meer hersteld. [procesdeelneemster 2] heeft derden ingeschakeld voor het herstel van de gebreken en daarvoor kosten moeten maken. Dit is schade die [procesdeelneemster 2] als gevolg van de ontbinding heeft geleden. Daarnaast heeft [procesdeelneemster 2] schade geleden door de tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomst en stelt zij dat [procesdeelneemster 1] daarvoor aansprakelijk is. Volgens [procesdeelneemster 2] heeft zij schade geleden als gevolg van:

Bouwkundige en constructieve fouten bij de levering en montage van de kozijnen;

Niet (laten) uitvoeren en opleveren van de meerwerkopdracht;

Vertraging in de oplevering van het werk;

Niet-nakoming van de herstelverplichting van oplevergebreken;

Andere kosten ten gevolge van de gedeeltelijke ontbinding van de aannemingsovereenkomst;

Niet-nakoming van de garantieverplichtingen;

Onrechtmatig conservatoir beslag ten laste van [procesdeelneemster 2] onder Nationale Nederlanden en onder banken.
4.7
[procesdeelneemster 2] vordert een verklaring voor recht dat [procesdeelneemster 1] aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden en/of nog zal lijden als gevolg van bovenstaande punten. Deze vordering wijst de rechtbank af. In deze procedure wordt de omvang van de schade van [procesdeelneemster 2] vastgesteld en het staat vast dat [procesdeelneemster 1] aansprakelijk is voor die schade. [procesdeelneemster 2] heeft niet gemotiveerd welk (aanvullend) belang zij heeft bij de vordering tot een verklaring voor recht naast de vordering tot schadevergoeding. De verschillende schadeposten worden hierna beoordeeld.

1. Bouwkundige en constructieve fouten bij de levering en montage van de kozijnen
4.8
[procesdeelneemster 1] en [procesdeelneemster 2] hebben afgesproken dat het project moest worden opgeleverd met aluminium kozijnen. Deze kozijnen moesten in houten stelkozijnen worden geplaatst. Daarnaast moesten de appartementen waterdicht worden gemaakt en moest er bouwkundige folie ten behoeve van de afwatering rondom de kozijnen en puien worden aangebracht. Voor al dit werk was [procesdeelneemster 1] verantwoordelijk. Het staat vast dat er gebreken zijn aan de kozijnen. Meerdere kozijnen konden niet of moeilijk worden gesloten en er is sprake van lekkages en waterschade in de appartementen. [onderneming 1] heeft [onderneming 2] ingeschakeld om onderzoek te doen naar de problemen met de kozijnen. De problemen komen volgens [onderneming 2] doordat de kwaliteit en maatvoering van de houten stelkozijnen ontoereikend zijn voor een juiste plaatsing van de aluminium kozijnen. Ook zijn de problemen met de kozijnen volgens [onderneming 2] te wijten aan de afwatering- en afdichtingswerkzaamheden van puien en balkons die onkundig zijn geplaatst. Daardoor worden de stelkozijnen bovenmatig belast met water. Het gevolg van deze ondeugdelijke bouwkundige werkzaamheden is dat de houten stelkozijnen kromtrekken, waardoor het daarin geplaatste aluminium kozijn niet of onvoldoende sluit. Dit is schade waarvoor [procesdeelneemster 1] aansprakelijk is en daarom moet zij de kosten van het herstel vergoeden. Over de hoogte daarvan verschillen partijen van mening.
4.9
Op 22 november 2024 heeft [procesdeelneemster 2] [onderneming 1] benaderd om te bepalen hoe de problemen met de kozijnen moesten worden hersteld en gevraagd dit herstel uit te voeren. Uit het herstelplan van [onderneming 1] volgt dat zij met twee opties voor herstel kwam: een ingrijpende, permanente optie waarbij de kozijnen gedemonteerd en opnieuw gemonteerd moeten worden en een minder ingrijpende, tijdelijke optie waarbij het hang- en sluitwerk wordt aangepast en een aantal sluitnokken buiten werking worden gesteld. Uiteindelijk is voor de minder ingrijpende, tijdelijke optie gekozen en [onderneming 1] heeft deze werkzaamheden uitgevoerd. [procesdeelneemster 2] wil de problemen uiteindelijk permanent herstellen, door alle stelkozijnen te vervangen. De kosten hiervan zijn volgens [procesdeelneemster 2] € 760.930,86 exclusief btw (€ 920.726,34 inclusief btw). Dit bedrag bestaat uit de kosten voor het permanent herstel van 192 kozijnen tegen een prijs van € 3.963,18 exclusief btw per kozijn. [procesdeelneemster 1] betwist dat er 192 kozijnen moeten worden vervangen en volgens [procesdeelneemster 1] zijn de kosten lager dan € 3.963,18 exclusief btw per kozijn.
4.10
Nadat [onderneming 1] de tijdelijke maatregelen had uitgevoerd, heeft [procesdeelneemster 2] een deskundige ingeschakeld, [onderneming 3] B.V. (hierna: [onderneming 3] ), om vast te stellen of de door [onderneming 1] genoemde optie een geschikte aanpak is voor een permanente oplossing van het probleem. Ook heeft zij aan [onderneming 3] gevraagd om de daarmee gemoeide kosten in kaart te brengen.
4.11
Hoewel [onderneming 3] zoals [procesdeelneemster 1] stelt een partijdeskundige is, baseert de rechtbank zich wel op het rapport van [onderneming 3] . [onderneming 3] heeft [procesdeelneemster 1] uitgenodigd om bij het onderzoek aanwezig te zijn, maar daar is [procesdeelneemster 1] niet op in gegaan. Door niet op de uitnodiging in te gaan heeft [procesdeelneemster 1] haar kans verspild om bij het onderzoek betrokken te zijn en ook om te oordelen of het onderzoek onpartijdig is uitgevoerd. [procesdeelneemster 1] had bovendien ook zelf een deskundige in kunnen schakelen, maar heeft dit niet gedaan.
4.12
In het rapport van [onderneming 3] zijn de bevindingen onderverdeeld in groepen van gevelelementen A tot en met D. De indeling is gebaseerd op de aard van de gebreken:

Aluminium puien met deuren (verdieping hoge draaivalramen) in de woningen grenzend aan balkon, serre of terras, aluminium voordeuren en ook aluminium kozijnen met draaivalramen aan de galerijzijde;

Schuifpuien ter plaatse van terrassen en de entreepuien tussen galerijen/buitenzijde en verkeersruimten;

De dichte geveldelen opgebouwd als houtskeletbouwelement en voorzien van een gevelbekleding (hout of metaal);

Aluminium vliesgevel.
4.13
Volgens [onderneming 3] vallen binnen groep A 113 van de 192 kozijnen. Voor deze groep heeft [onderneming 3] vastgesteld dat het correct afstellen van de draaidelen en, indien noodzakelijk, het vervangen van het raambeslag de meest duurzame en proportionele oplossing is. Daarvoor is geen ingrijpende demontage noodzakelijk en is er geen verhoogd risico op nevenschade. Dit zijn minder ingrijpende werkzaamheden dan de werkzaamheden die [onderneming 1] als definitieve oplossing had genoemd. [onderneming 3] geeft daarbij ook aan dat zij de kosten van deze werkzaamheden niet kan begroten, want dit moet worden afgestemd met één of meerdere marktpartijen. Gelet op deze bevindingen is het echter wel aannemelijk dat de kosten van deze wijze van herstel lager zullen uitpakken dan de kosten die [procesdeelneemster 2] heeft begroot. De exacte hoogte van de kosten komt echter pas vast te staan nadat de werkzaamheden zijn uitgevoerd. Daarom wordt de zaak naar de schadestaatprocedure verwezen om de hoogte van de schade als gevolg van het probleem met de kozijnen vast te stellen. In die procedure kan dan ook de schade als gevolg van de gebreken die vallen binnen de groepen B tot en met D worden vastgesteld.
4.14
[procesdeelneemster 2] heeft haar vordering zo ingestoken dat zij een bedrag van € 760.930,86 exclusief btw (€ 920.726,34 inclusief btw) vordert als voorschot op de daadwerkelijke schade. Gelet op de omvang van de problemen met de kozijnen zoals vastgesteld in het rapport van [onderneming 3] , staat vast dat [procesdeelneemster 2] kosten zal moeten maken voor het herstel. Het is redelijk dat [procesdeelneemster 1] een voorschot moet betalen, zodat [procesdeelneemster 2] deze kosten niet (helemaal) hoeft voor te schieten, totdat de exacte omvang van de schade vaststaat. Daarom wijst de rechtbank een voorschot op de daadwerkelijke schade van [procesdeelneemster 2] toe.
4.15
De hoogte van het voorschot wordt vastgesteld aan de hand van de offerte van [onderneming 4] van 12 mei 2026. In deze offerte heeft [onderneming 4] de werkzaamheden voor het na-stellen van draaidelen van 94 appartementen, het werk aan 28 schuifpuien en de brandwerende puien opgenomen. Deze werkzaamheden komen overeen met de voorgeschreven herstelwijze uit het rapport van [onderneming 3] die noodzakelijk wordt geacht. [onderneming 4] heeft de kosten van haar werkzaamheden geraamd op € 538.746,75 exclusief btw (€ 651.883,57 inclusief btw). Afgerond wijst de rechtbank daarom een voorschot toe van € 650.000,- inclusief btw dat [procesdeelneemster 1] aan [procesdeelneemster 2] moet betalen als voorschot op de schade aan de kozijnen.

2. Niet (laten) uitvoeren en opleveren van de meerwerkopdracht
4.16
Nadat [procesdeelneemster 1] en [procesdeelneemster 2] met elkaar de overeenkomst hadden gesloten, heeft [procesdeelneemster 2] aan [procesdeelneemster 1] een meerwerkopdracht verstrekt. Deze meerwerkopdracht hield in dat [procesdeelneemster 1] de wanden in de appartementen saus-klaar (in plaats van behangklaar) zou opleveren. [procesdeelneemster 2] stelt dat [procesdeelneemster 1] dit in zijn geheel niet heeft gedaan, maar dat heeft [procesdeelneemster 1] gemotiveerd betwist.
4.17
Als [procesdeelneemster 1] deze meerwerkopdracht niet had uitgevoerd, zou dat zijn gebleken bij de deelopleveringen of eindoplevering, en dat is niet het geval. [procesdeelneemster 2] heeft een overzicht van alle (oplever)gebreken overgelegd met de meldingen van huurders. Uit het overzicht van de meldingen van de huurders en het overzicht van [procesdeelneemster 1] blijkt dat het om een aantal wanden in een aantal appartementen gaat, en [procesdeelneemster 1] zou ervoor zorgen dat die muren alsnog saus-klaar gemaakt zouden worden. Hieruit blijkt dus niet dat [procesdeelneemster 1] de gehele meerwerkopdracht niet heeft uitgevoerd. De vordering van [procesdeelneemster 2] om een schadevergoeding te krijgen voor deze volledige meerwerkpost zal dan ook worden afgewezen.
4.18
[procesdeelneemster 2] heeft wel kosten moeten maken om de wanden die niet saus-klaar waren en niet zijn hersteld door [procesdeelneemster 1] , saus-klaar te maken. Dit zijn kosten die [procesdeelneemster 2] als gevolg van de ontbinding heeft moeten maken en door [procesdeelneemster 1] moeten worden vergoed. [procesdeelneemster 2] heeft niet inzichtelijk gemaakt welke kosten zij heeft gemaakt of zal moeten maken voor het alsnog saus-klaar maken van (delen van) de wanden. De rechtbank kan de schade daarom niet begroten in deze procedure. Deze schade kan worden vastgesteld in de schadestaatprocedure. Het is aan [procesdeelneemster 2] om in die procedure te onderbouwen welke kosten zij heeft gemaakt voor het alsnog saus-klaar maken van de wanden waarvan een melding is gemaakt.

3. Vertraging in de oplevering van het werk
4.19
Op 5 juni 2024 hebben [procesdeelneemster 1] en [procesdeelneemster 2] nieuwe afspraken gemaakt over de oplevering van het werk en de boete die [procesdeelneemster 1] aan [procesdeelneemster 2] verschuldigd was (hierna: de 5 juni afspraak). Er is toen afgesproken dat [procesdeelneemster 1] het werk op 28 juni 2024 zou opleveren zodat [procesdeelneemster 2] de appartementen per 1 juli 2024 kon verhuren. De verschuldigde boete werd gematigd in die zin dat [procesdeelneemster 1] in totaal € 185.000,- moest betalen vanwege de te late oplevering, in plaats van de contractuele boete die op de opleverdatum van 28 juni 2024 zou zijn opgelopen tot € 554.280,-.
4.20
Het staat vast dat [procesdeelneemster 1] het werk niet op 28 juni 2024 heeft opgeleverd. Als gevolg daarvan heeft [procesdeelneemster 2] schade geleden, want zij heeft de appartementen niet per 1 juli 2024 kunnen verhuren. Dit is schade die [procesdeelneemster 1] in beginsel moet vergoeden. [procesdeelneemster 2] heeft haar schade begroot op € 529.057,60, wat bestaat uit € 144.057,60 voor gemiste huurinkomsten vanaf 1 juli 2024 en € 385.00,- voor de contractuele boete vanaf 31 januari tot 1 juli 2024. [procesdeelneemster 2] stelt dat zij recht heeft op de contractuele boete omdat de 5 juni afspraak moet worden vernietigd, op grond van bedrog, misbruik van omstandigheden of dwaling. Het beroep op vernietiging slaagt niet.
4.21
Van bedrog is sprake als [procesdeelneemster 1] opzettelijk een onjuiste mededeling heeft gedaan of opzettelijke een feit heeft verzwegen waardoor [procesdeelneemster 2] is bewogen tot het maken van de 5 juni afspraak. Het is aan [procesdeelneemster 2] om feiten en omstandigheden naar voren te brengen waaruit dit blijkt, maar dat heeft zij onvoldoende gedaan. [procesdeelneemster 2] stelt enkel dat [procesdeelneemster 1] op 31 mei 2024 had moeten weten dat zij het werk niet op 28 juni 2024 kon opleveren, omdat er nog veel opleverpunten waren. [procesdeelneemster 1] heeft dit betwist. Zij ging ervan uit dat zij het werk op 28 juni 2024 kon opleveren en dat alle punten voor die datum zouden zijn opgelost. De rechtbank kan niet vaststellen dat [procesdeelneemster 1] opzettelijk een onjuiste mededeling heeft gedaan aan [procesdeelneemster 2] . Het beroep op bedrog slaagt daarom niet.
4.22
Voor misbruik van omstandigheden is nodig dat iemand weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling terwijl hij diegene daarvan had moeten weerhouden. Dat daarvan sprake was, heeft [procesdeelneemster 2] onvoldoende onderbouwd. Weliswaar was het voor [procesdeelneemster 2] belangrijk dat het werk snel zou worden opgeleverd, zodat de appartementen verhuurd konden worden, maar afronding van het project was ook in het belang van [procesdeelneemster 1] . Dit is geen bijzondere omstandigheid en [procesdeelneemster 2] heeft niet gemotiveerd gesteld dat sprake was van andere bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld. Dus er is geen sprake van misbruik van omstandigheden.
4.23
Tot slot slaagt het beroep op dwaling niet. Een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, kan onder omstandigheden vernietigbaar zijn. [procesdeelneemster 2] stelt dat zij niet tot matiging van de boete zou zijn overgegaan als zij had geweten dat de oplevering op 28 juni 2024 niet mogelijk zou zijn. Dat betwist [procesdeelneemster 1] . Hoewel [procesdeelneemster 2] blijkbaar bij het maken van de afspraken dacht dat het werk op 28 juni 2024 kon worden opgeleverd, is dit geen grond voor vernietiging van de overeenkomst. Het is namelijk niet gebleken dat:

de dwaling te wijten is aan een mededeling van [procesdeelneemster 1] over de opleverdatum.

[procesdeelneemster 1] wist dat zij de afgesproken opleverdatum niet zou halen.

[procesdeelneemster 2] de overeenkomst anders niet zou hebben gesloten. Zij had namelijk ook een andere reden om deze overeenkomst te sluiten: [procesdeelneemster 1] een prikkel geven om tot een spoedige oplevering over te gaan.

Daardoor kan niet worden vastgesteld dat [procesdeelneemster 1] een onjuiste mededeling heeft gedaan aan [procesdeelneemster 2] of heeft nagelaten haar in te lichten en evenmin dat [procesdeelneemster 2] de overeenkomst onder invloed daarvan heeft gesloten. Voor zover [procesdeelneemster 2] heeft bedoeld dat sprake is van wederzijdse dwaling, moeten de gevolgen daarvan voor rekening van [procesdeelneemster 2] blijven. Het is een keuze geweest van [procesdeelneemster 2] om niet zelf de stand van zaken in de appartementen te onderzoeken voordat zij deze overeenkomst over het matigen van de boete sloot.
4.24
Doordat de 5 juni afspraak niet wordt vernietigd, blijven de op die datum gemaakte afspraken van kracht. De contractuele boete vanaf 31 januari tot 1 juli 2024 hoeft [procesdeelneemster 1] niet aan [procesdeelneemster 2] te betalen. [procesdeelneemster 1] en [procesdeelneemster 2] hebben namelijk afgesproken dat [procesdeelneemster 1] voor die periode € 185.000,- zou betalen en [procesdeelneemster 1] heeft dit ook betaald.
4.25
[procesdeelneemster 2] heeft wel recht op de contractuele boete vanaf de datum waarop volgens de 5 juni afspraak zou worden opgeleverd (28 juni 2024), tot de uiteindelijke opleverdatum (5 juli, 19 juli en 6 september 2024). Deze contractuele boete moet [procesdeelneemster 1] aan [procesdeelneemster 2] betalen. In de 5 juni afspraak is namelijk niet afgesproken dat het boetebeding is komen te vervallen, waardoor deze nog van kracht is. De 5 juni afspraak ziet op de periode tot 28 juni 2024 en die opleverdatum is vervolgens niet gehaald. De boete bedraagt € 30,- per kalenderdag gerekend vanaf de dag dat de appartementen niet zijn opgeleverd, per niet opgeleverd appartement tot het moment dat de appartementen zijn opgeleverd. De boete voor de commerciële ruimte loopt tot en met de ontbinding van de overeenkomst, omdat de commerciële ruimte toen nog niet was opgeleverd.
4.26
Het boetebedrag dat [procesdeelneemster 1] aan [procesdeelneemster 2] moet betalen bedraagt in totaal € 75.210,- en is als volgt berekend:

1e oplevering € 8.820,- (49 appartementen x € 30,- x 6 dagen)

2e oplevering € 37.800,- (63 appartementen x € 30,- x 20 dagen)

3e oplevering € 24.840,- (12 appartementen x € 30,- x 69 dagen)

- Commerciële ruimte € 3.750,- (1 ruimte x € 30,- x 125 dagen)

Totaal € 75.210,-
4.27
[procesdeelneemster 2] vordert daarnaast nog schadevergoeding vanwege de gemiste huurderving. Daarop heeft zij geen recht, omdat in artikel 13.1 van de overeenkomst staat dat de afgesproken boete een compensatie is voor huurderving. Wanneer een contractuele boete verschuldigd is, treedt dit in de plaats van de schadevergoeding op grond van de wet. Dit betekent dat de boete voor gaat op een schadevergoeding voor hetzelfde doel: huurderving en [procesdeelneemster 2] dus geen aanspraak kan maken op een aanvullende schadevergoeding.

4. Niet-nakoming van de herstelverplichting van oplevergebreken
4.28
[procesdeelneemster 1] betwist niet dat er tijdens en na de oplevering gebreken zijn geconstateerd, die zij moest herstellen. Deze gebreken zijn na de ontbinding door derden hersteld en daarvoor heeft [procesdeelneemster 2] kosten moeten maken. Dit is schade die [procesdeelneemster 1] moet vergoeden. [procesdeelneemster 2] heeft haar schade vanwege de gemaakte herstelkosten begroot op € 428.388,01 exclusief btw (€ 514.788,78 inclusief btw). Dit bedrag bestaat uit de volgende posten:

Bedrag (excl. btw)

uitvoerder

omschrijving werkzaamheden

€ 216.629,32

[onderneming 5]

herstel van bouwkundige gebreken

€ 14.321,56

[onderneming 6]

herstel dakproblemen en lekkages

€ 15.796,01

[onderneming 6]

nog uit te voeren herstel dakproblemen en lekkages

€ 2.273,31

[onderneming 7] B.V.

herstel gevelproblemen

€ 14.146,-

[onderneming 8] B.V.

herstel en vervangen ventilatiesystemen

€ 3.024,-

[onderneming 9] B.V.

herstel vloerverwarming

€ 6.017,-

[onderneming 10]

herstel lekdetectie

€ 20.831,-

[onderneming 11] B.V.

herstel keukens

€ 5.890,-

[onderneming 12] B.V.

herstel van elektronische installaties

€ 87.555,83

[onderneming 1]

herstel acute sluitings- en lekkageproblemen

€ 25.000,-

[onderneming 1]

Nog te maken kosten herstel sluitings- en lekkageproblemen

Nog niet bekend

[onderneming 13]

Herstelwerkzaamheden door loodgieter

€ 16.957,27

compensatie huurders
4.29
[procesdeelneemster 1] moet deze kosten betalen, behalve de kosten voor het herstel van de keukens (€ 20.831,-) en de nog te maken kosten van [onderneming 1] (€ 25.000,-). Het is niet gebleken dat de gebreken aan de keukens te wijten zijn aan [procesdeelneemster 1] . Uit de lijst met gebreken volgt namelijk dat er problemen zijn met het keukenblad, maar daar blijkt niet uit of dit komt door toedoen van [procesdeelneemster 1] . [procesdeelneemster 1] is niet aansprakelijk voor de keukens, want [procesdeelneemster 1] heeft de keukens niet geplaatst. Dat betekent dat [procesdeelneemster 1] de kosten voor het herstel van de keukens niet hoeft te vergoeden. Ook hoeft [procesdeelneemster 1] de kosten van € 25.000,- voor [onderneming 1] niet te betalen. [procesdeelneemster 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat zij deze werkzaamheden niet meer door [onderneming 1] uit laat voeren, maar door [onderneming 4] . Dus worden deze kosten meegenomen in de schadestaatprocedure en zou het dubbelop zijn om deze post hier toe te wijzen, terwijl de schade als gevolg van de problemen met de kozijnen in een schadestaatprocedure zal worden vastgesteld.
4.30
[procesdeelneemster 1] heeft de gevorderde kosten verder onvoldoende gemotiveerd betwist. Volgens [procesdeelneemster 1] had zij de werkzaamheden van [onderneming 5] voor eenzelfde prijs kunnen uitvoeren. Ook had [procesdeelneemster 1] haar onderaannemers kunnen aanspreken wanneer zij de gelegenheid had gehad om de gebreken nog te herstellen. Zij zouden het herstel hebben kunnen uitvoeren en dan zou [procesdeelneemster 1] daarvoor niets aan de onderaannemers hebben hoeven te betalen. [procesdeelneemster 1] heeft haar stellingen echter onvoldoende toegelicht. Tijdens de mondelinge behandeling zijn dit als blote stellingen naar voren gebracht, en het is door [procesdeelneemster 2] betwist. Het had op de weg van [procesdeelneemster 1] gelegen om haar stellingen nader toe te lichten, maar dit heeft zij niet gedaan. De herstelkosten van [procesdeelneemster 2] zijn als zodanig verder niet betwist, en die worden daarom toegewezen, min de kosten voor het herstel van de keukens en de nog te maken kosten van [onderneming 1] . Gelet op de overgelegde facturen van de onderaannemers moet [procesdeelneemster 1] in totaal € 462.895,70 inclusief btw aan [procesdeelneemster 2] betalen voor de gemaakte herstelkosten.

5. Andere kosten ten gevolge van de gedeeltelijke ontbinding van de aannemingsovereenkomst
4.31
Naast de kosten die [procesdeelneemster 2] heeft moeten maken voor het herstellen van de gebreken, heeft zij ook andere kosten moeten maken. Volgens [procesdeelneemster 2] is haar aanvullende schade in totaal € 163.071,68 exclusief btw (€ 197.316,73 inclusief btw). Dit heeft zij uitgesplitst in de volgende kosten:

Bedrag (excl. btw)

uitvoerder

omschrijving werkzaamheden

€ 18.105,-

[onderneming 14]

Nulmeting

€ 38.760,-

[onderneming 15] B.V.

Voortzetten bouwbegeleiding

€ 30.663,06

[onderneming 1]

Facturen aan [procesdeelneemster 1]

€ 51.477,12

[onderneming 16] B.V.

Advocaatkosten

€ 24.066,50

[onderneming 3]

Toetsing herstelmethode

Het staat vast dat [procesdeelneemster 1] aansprakelijk is voor de aanvullende schade, maar zij hoeft niet alle door [procesdeelneemster 2] gevorderde schade te vergoeden.
4.32
Ten eerste staat vast dat [procesdeelneemster 1] de facturen van [onderneming 1] moet betalen. [procesdeelneemster 2] heeft namelijk facturen van [onderneming 1] die [procesdeelneemster 1] had moeten betalen, voldaan, omdat [onderneming 1] anders geen werkzaamheden voor [procesdeelneemster 2] uit zou voeren. [procesdeelneemster 1] erkent ook dat zij de facturen van [onderneming 1] moest betalen en dit niet heeft gedaan, waardoor dit kosten zijn die [procesdeelneemster 1] aan [procesdeelneemster 2] moet vergoeden. Ten tweede moet [procesdeelneemster 1] de kosten voor het voortzetten van de bouwbegeleiding vergoeden, want dit zijn kosten die [procesdeelneemster 2] niet had hoeven maken als [procesdeelneemster 1] het werk zonder gebreken had opgeleverd of de gebreken tijdig had hersteld. Doordat [procesdeelneemster 1] dit niet heeft gedaan, heeft [procesdeelneemster 2] de bouwbegeleiding voort moeten zetten tot en met maart 2025, en is het contract van de bouwbegeleiding niet een maand na de eindoplevering geëindigd. Dit is niet betwist door [procesdeelneemster 1] , en ook de hoogte van deze kosten is niet betwist, waardoor vaststaat dat zij deze kosten moet betalen. Tot slot zijn de kosten voor [onderneming 14] en [onderneming 3] , kosten die [procesdeelneemster 2] heeft moeten maken ter vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid. Ook deze kosten en de hoogte daarvan heeft [procesdeelneemster 1] niet betwist. Dus moet [procesdeelneemster 1] deze kosten vergoeden.
4.33
De kosten voor [onderneming 16] , de kosten voor de advocaat, hoeft [procesdeelneemster 1] niet (volledig) te betalen. Advocaatkosten worden normaliter als proceskosten en als buitengerechtelijke incassokosten verhaald. [procesdeelneemster 2] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom deze kosten apart voor vergoeding in aanmerking komen. De vergoeding daarvoor wordt daarom berekend aan de hand van het liquidatietarief en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Deze kosten worden later in dit vonnis toegewezen.
4.34
Na aftrek van de kosten van [onderneming 16] op deze schadepost, staat vast dat [procesdeelneemster 1] € 135.029,42 inclusief btw aan [procesdeelneemster 2] moet betalen.

6. Niet-nakoming van de garantieverplichtingen
4.35
In de overeenkomst hebben [procesdeelneemster 1] en [procesdeelneemster 2] afgesproken dat [procesdeelneemster 1] op bepaalde onderdelen garanties moet verstrekken. Daarnaast volgt uit de processen-verbaal van oplevering dat [procesdeelneemster 1] binnen 30 dagen de revisietekeningen van het tot stand gebrachte gebouw en de bijbehorende installaties en garantieverklaringen en -certificaten van haar en haar onderaannemers aan [procesdeelneemster 2] moet verstrekken. [procesdeelneemster 2] stelt dat [procesdeelneemster 1] niet alle stukken heeft verstrekt en wil dat [procesdeelneemster 1] wordt veroordeeld om dat alsnog te doen. Deze vordering wijst de rechtbank toe. Het is niet komen vast te staan dat [procesdeelneemster 1] alle stukken aan [procesdeelneemster 2] heeft overgelegd.
4.36
[procesdeelneemster 1] stelt dat zij alle stukken heeft verstrekt, maar uit de e-mail van [procesdeelneemster 1] blijkt dit niet. In de e-mail van [procesdeelneemster 1] van 23 oktober 2024 is een WeTransfer-link te zien. Hierin is niet te zien welke stukken via deze link worden gestuurd. Volgens [procesdeelneemster 2] was de map waar de link naar doorstuurde leeg. [procesdeelneemster 1] heeft niet gemotiveerd onderbouwd welke stukken er via de WeTransfer-link zijn gestuurd, terwijl [procesdeelneemster 2] daar tegenover wel een overzicht heeft gemaakt van de stukken die zij mist. Ook als [procesdeelneemster 1] de stukken wel via de WeTransfer link had gestuurd, is het voor haar geen grote moeite om de gevraagde stukken nogmaals aan [procesdeelneemster 2] te verstrekken.
4.37
[procesdeelneemster 1] moet de revisietekeningen en de door haar en door de leveranciers en onderaannemers getekende garantieverklaringen en -certificaten aan [procesdeelneemster 2] verstrekken. Dit moet [procesdeelneemster 1] binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis doen. De rechtbank zal, zoals verzocht, dwangsommen opleggen om te zorgen dat [procesdeelneemster 1] aan deze veroordeling voldoet. De hoogte van de dwangsom is € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,-.
4.38
[procesdeelneemster 2] vordert ook een verklaring voor recht dat [procesdeelneemster 1] aansprakelijk is voor het herstel of vernieuwing van eventuele gebreken aan gegarandeerde onderdelen. Uit de garantieverklaringen volgt echter al dat [procesdeelneemster 2] gedurende de garantieperiode [procesdeelneemster 1] , de leveranciers en onderaannemers kan aanspreken tot herstel van de eventuele gebreken aan gegarandeerde onderdelen. Het is niet gebleken dat [procesdeelneemster 2] bij haar vordering een ander belang heeft dan herstel van de gebreken. Ook niet dat [procesdeelneemster 2] schade heeft geleden als gevolg van het niet verstrekken van de garanties. Daarom wordt de gevorderde verklaring voor recht afgewezen.

7. Onrechtmatig conservatoir beslag ten laste van [procesdeelneemster 2] onder Nationale Nederlanden en onder banken
4.39
[procesdeelneemster 1] heeft, vanwege haar vordering op [procesdeelneemster 2] , conservatoir beslag laten leggen. Volgens [procesdeelneemster 2] zijn deze beslagen onrechtmatig en lijdt zij daardoor schade of zal zij daardoor nog schade lijden. [procesdeelneemster 2] heeft niet toegelicht dat en welke schade zij hierdoor heeft geleden. Dus wordt deze vordering afgewezen. Of het beslag moet worden opgeheven, wordt hierna in 4.53 beoordeeld.

8. Conclusie
4.40
De conclusie is dat [procesdeelneemster 1] aansprakelijk is voor de schade die [procesdeelneemster 2] heeft geleden als gevolg van:

de problemen met de kozijnen,

het niet volledig uitvoeren en opleveren van de meerwerkopdracht,

de gebreken tijdens en na de oplevering en

de aanvullende schade.
4.41
De schade die [procesdeelneemster 2] heeft geleden als gevolg van de gebreken tijdens en na de oplevering en de aanvullende schade wordt in deze procedure vastgesteld, net als de contractuele boete die [procesdeelneemster 1] moet betalen. Voor het vaststellen van de hoogte van de daadwerkelijke schade als gevolg van de problemen met de kozijnen en het niet volledig uitvoeren en opleveren van de meerwerkopdracht, verwijst de rechtbank de zaak naar de schadestaatprocedure. Wel moet [procesdeelneemster 1] het voorschot op de kosten voor het herstel van de problemen met de kozijnen betalen. In totaal moet [procesdeelneemster 1] het volgende aan [procesdeelneemster 2] betalen:

Vertragingsschade (boete) € 75.210,-

Gemaakte herstelkosten € 462.895,70 inclusief btw

Aanvullende schade € 135.029,42 inclusief btw

Voorschot € 650.000,- inclusief btw

Totaal € 1.323.135,12 inclusief btw

De bestuurders van [procesdeelneemster 1] zijn niet aansprakelijk voor de schade van [procesdeelneemster 2]
4.42
In deze procedure spreekt [procesdeelneemster 2] niet alleen [procesdeelneemster 1] , maar ook haar (indirecte) bestuurders aan voor vergoeding van haar schade. [procesdeelneemster 2] stelt dat [procesdeelneemster 3] , [procesdeelneemster 4] en [procesdeelnemer 5] als bestuurder van [procesdeelneemster 1] ook aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van de problemen met de kozijnen en het niet uitvoeren van de meerwerkopdracht. Deze vordering wordt afgewezen.
4.43
Het uitgangspunt is dat een vennootschap zelf aansprakelijk is voor haar schulden, en dat alleen onder bijzondere omstandigheden sprake kan zijn van persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder. Dat is dan aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad, artikel 6:162 BW, in één van de volgende situaties:

als de bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen,

als de bestuurder heeft bewerkstelligd dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. De bestuurder moet dan weten of begrijpen dat de vennootschap door zijn handelen haar verplichtingen niet meer zou nakomen en geen verhaal meer zou bieden.

Daarnaast is vereist dat aan de bestuurder van de vennootschap met betrekking tot één van bovenstaande situaties een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.
4.44
[procesdeelneemster 2] heeft onvoldoende feiten gesteld op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat aan de bestuurders een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. [procesdeelneemster 2] heeft alleen gesteld dat [procesdeelneemster 3] heeft bewerkstelligd dat [procesdeelneemster 1] de overeenkomst en de daarin neergelegde waarschuwingsplicht niet is nagekomen, maar dit heeft zij niet onderbouwd. Daarnaast stelt [procesdeelneemster 2] dat wordt vermoed dat [procesdeelneemster 1] geen verhaal zal bieden. Dat dit zo is, is betwist en blijkt ook niet. Maar zelfs als [procesdeelneemster 1] geen verhaal zou bieden, is dat onvoldoende voor bestuurdersaansprakelijkheid. Alleen wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden die wijzen op betalingsonwil aan de zijde van de bestuurder, kan sprake zijn van een persoonlijk ernstig verwijt. Maar dit is niet door [procesdeelneemster 2] gesteld. De conclusie is dan ook dat de bestuurders van [procesdeelneemster 1] niet aansprakelijk zijn voor de schade van [procesdeelneemster 2] , de vorderingen ten opzichte van de bestuurders worden daarom afgewezen.

De schade van [procesdeelneemster 2] wordt verrekend met de factuur van [procesdeelneemster 1]
4.45
Het staat vast dat van de totale aanneemsom een bedrag van € 302.500,- niet is betaald door [procesdeelneemster 2] . Dit bedrag mocht [procesdeelneemster 2] tijdens de onderhoudstermijn inhouden op de aanneemsom. Op 5 maart 2025 heeft [procesdeelneemster 1] aan [procesdeelneemster 2] een factuur gestuurd van het ingehouden bedrag met een betaaltermijn van 14 dagen. [procesdeelneemster 2] heeft in haar brief van 21 maart 2025 [procesdeelneemster 1] aansprakelijk gesteld voor haar schade en een beroep gedaan op verrekening van het openstaande bedrag met haar schade. De vordering van [procesdeelneemster 2] kan worden verrekend met de vordering van [procesdeelneemster 1] , want de vorderingen zijn ontstaan op basis van dezelfde overeenkomst. Het moment van verrekenen is in dit geval 21 maart 2025.
4.46
Voor het verrekenen van de bedragen moet rekening worden gehouden met de wettelijke handelsrente die [procesdeelneemster 2] op 21 maart 2025 al verschuldigd was. Op 21 maart 2025 was [procesdeelneemster 2] namelijk in verzuim met het betalen van de factuur van 5 maart 2025 omdat [procesdeelneemster 2] de factuur niet binnen de betaaltermijn van 14 dagen heeft betaald. Vanaf de vervaldatum van de factuur, 19 maart 2025, was [procesdeelneemster 2] wettelijke handelsrente verschuldigd aan [procesdeelneemster 1] . In totaal is de verschuldigde wettelijke handelsrente op 21 maart 2025 € 184,82. Opgeteld bij de factuur moest [procesdeelneemster 2] op 21 maart 2025 € 302.684,82 aan [procesdeelneemster 1] betalen.
4.47
Het gevolg van verrekening is dat de vorderingen tot hun gemeenschappelijke beloop teniet zijn gegaan. Na verrekening van € 302.684,82 met de schadevergoeding en het voorschot op de schade van [procesdeelneemster 2] ter hoogte van € 1.323.135,12, is de conclusie dat [procesdeelneemster 1] € 1.020.450,30 aan [procesdeelneemster 2] moet betalen. Dit betekent ook dat [procesdeelneemster 1] geen vordering meer heeft op [procesdeelneemster 2] . Haar vordering tot betaling van de factuur van 5 maart 2025 wijst de rechtbank daarom af.

[procesdeelneemster 1] moet € 1.020.450,30 vermeerderd met de wettelijke rente betalen
4.48
[procesdeelneemster 2] vordert dat [procesdeelneemster 1] de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen schadebedrag moet betalen. Deze vordering wordt afgewezen, omdat [procesdeelneemster 1] wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding. De wettelijke handelsrente is van toepassing op de geldelijke tegenprestatie voor geleverde diensten op grond van een handelsovereenkomst en niet op een verplichting tot schadevergoeding. Dit betekent dat [procesdeelneemster 1] over de toegewezen schadevergoeding van € 1.020.450,30, de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW moet betalen. De wettelijke rente over € 1.020.450,30 gaat lopen vanaf 4 april 2025, omdat [procesdeelneemster 1] vanaf die datum in verzuim is met het betalen van de schadevergoeding.

[procesdeelneemster 2] hoeft de bankgarantie niet te retourneren
4.49
Om er zeker van te zijn dat haar schade ook daadwerkelijk wordt vergoed heeft [procesdeelneemster 2] beslag laten leggen op de bankrekeningen van [procesdeelneemster 1] c.s. bij Rabobank. Deze beslagen zijn opgeheven nadat een bankgarantie was afgegeven door [procesdeelneemster 1] c.s. [procesdeelneemster 1] c.s. stelt dat de gelegde beslagen onrechtmatig zijn, waardoor het handhaven van aanspraak op de bankgarantie ook onrechtmatig is. [procesdeelneemster 1] c.s. vordert daarom een verklaring voor recht dat [procesdeelneemster 2] geen rechten meer kan ontlenen aan de bankgarantie en dat [procesdeelneemster 2] de bankgarantie aan [procesdeelneemster 1] c.s. moet retourneren. Deze vorderingen worden afgewezen.
4.50
In de bankgarantie van Rabobank wordt de bankgarantie gegeven voor de gehele vordering van [procesdeelneemster 2] op [procesdeelneemster 1] c.s. Deze bankgarantie is ook verstrekt voor alle gedaagden samen, de debiteuren zijn [procesdeelneemster 1] c.s. gezamenlijk, maar ook voor hen afzonderlijk. Hoewel [procesdeelneemster 2] geen vordering heeft op de bestuurders van [procesdeelneemster 1] , heeft zij wel een vordering op [procesdeelneemster 1] en de bankgarantie is mede voor [procesdeelneemster 1] verstrekt. [procesdeelneemster 2] kan dus wel rechten ontlenen aan de in opdracht van [procesdeelneemster 1] c.s. aan haar verstrekte bankgarantie en [procesdeelneemster 2] hoeft de bankgarantie niet te retourneren.

[procesdeelneemster 1] heeft recht op de schade-uitkering van Nationale Nederlanden
4.51
In december 2024 heeft Nationale Nederlanden de schade-uitkering op grond van de CAR-verzekering vastgesteld op € 547.606,78 (hierna: de schadevergoeding), maar heeft de schadevergoeding nog niet uitgekeerd. [procesdeelneemster 1] en [procesdeelneemster 2] verschillen namelijk van mening over wie recht heeft op de schadevergoeding. Om er zeker van te zijn dat zij de schadevergoeding zouden ontvangen hebben [procesdeelneemster 1] en [procesdeelneemster 2] allebei beslag laten leggen op de schadevergoeding onder Nationale Nederlanden. [procesdeelneemster 1] en [procesdeelneemster 2] vorderen allebei dat de ander wordt veroordeeld tot medewerking aan uitkering van de schadevergoeding aan haar. Voor het geval de schadevergoeding al door Nationale Nederlanden aan [procesdeelneemster 2] zou zijn betaald, heeft [procesdeelneemster 1] betaling van € 547.606,78 als schadevergoeding gevorderd. Deze vordering wijst de rechtbank af, omdat het vaststaat dat Nationale Nederlanden de schadevergoeding niet heeft betaald aan [procesdeelneemster 2] . Om te bepalen welke partij moet meewerken aan de uitkering van de schadevergoeding aan de andere partij moet komen vast te staan aan wie de schadevergoeding toekomt. De rechtbank oordeelt dat dit [procesdeelneemster 1] is.
4.52
In opdracht van Nationale Nederlanden heeft [onderneming 17] een schaderapport opgesteld om de schade en de uitkering vast te stellen. In het schaderapport heeft [onderneming 17] vastgesteld dat er vochtschade is ontstaan aan wanden, vloeren en plafonds van 104 appartementen. De kosten voor het herstel van de wanden, vloeren en plafonds is begroot en op basis daarvan is een schadevergoeding van € 550.106,78 vastgesteld door [onderneming 17] en is na aftrek van het eigen risico € 547.606,78 toegekend door Nationale Nederlanden. Het herstel moest worden gedaan door [procesdeelneemster 1] en dat is ook gebeurd. [procesdeelneemster 1] heeft verklaard dat zij de wanden, vloeren en plafonds heeft hersteld en deels heeft vervangen. Uit de lijst van opleverpunten blijkt dat deze vochtschade tijdens de oplevering niet meer aanwezig was. Het is namelijk niet als opleverpunt opgenomen, terwijl het wel aannemelijk is dat ernstige waterschade aan de wanden, vloeren en/of plafonds tijdens de oplevering zichtbaar zou zijn geweest als deze, zoals [procesdeelneemster 2] stelt, nooit is hersteld door [procesdeelneemster 1] . Dus [procesdeelneemster 1] heeft het werk gedaan waar de schadevergoeding voor is toegekend. [procesdeelneemster 1] heeft daarvoor ook kosten gemaakt waardoor zij recht heeft op de schadevergoeding. Voor vochtschade die niet goed is hersteld door [procesdeelneemster 1] ontvangt [procesdeelneemster 2] al schadevergoeding. Zij vordert namelijk een schadevergoeding voor de herstelwerkzaamheden en dit wordt (grotendeels) toegewezen.
4.53
Voor het uitkeren van de schadevergoeding door Nationale Nederlanden, moet [procesdeelneemster 2] toestemming geven omdat de schadevergoeding hoger is dan € 100.000,-. Uit de polisvoorwaarden blijkt dat de vergoeding dan aan [procesdeelneemster 2] (als opdrachtgever) toekomt. [procesdeelneemster 1] vordert daarom dat [procesdeelneemster 2] wordt veroordeeld tot het geven van deze toestemming. In beginsel heeft [procesdeelneemster 1] er recht op dat deze toestemming wordt gegeven, maar de rechtbank wijst deze vordering toch af. [procesdeelneemster 2] heeft namelijk ten behoeve van haar vordering op [procesdeelneemster 1] beslag laten leggen op de schadevergoeding onder Nationale Nederlanden. In dit vonnis wordt vastgesteld dat [procesdeelneemster 2] een opeisbare vordering heeft op [procesdeelneemster 1] en deze vordering (€ 1.020.450,30) is hoger dan de vordering van [procesdeelneemster 1] op Nationale Nederlanden (€ 547.606,78). Gelet hierop heeft [procesdeelneemster 2] het beslag niet ten onrechte gelegd en mag zij het beslag ook uitwinnen, waardoor de schade-uitkering alsnog aan [procesdeelneemster 2] wordt uitgekeerd en niet aan [procesdeelneemster 1] . Het heeft daarom geen effect om [procesdeelneemster 2] te veroordelen tot het meewerken aan de schade-uitkering, omdat het beslag van [procesdeelneemster 2] blijft liggen en Nationale Nederlanden alsnog niet mag uitkeren. De vordering om toestemming te verlenen voor het uitkeren van de schadevergoeding wordt daarom afgewezen, en hetzelfde geldt voor de vordering van [procesdeelneemster 1] tot opheffing van het beslag dat onder Nationale Nederlanden is gelegd.
4.54
Ook [procesdeelneemster 1] heeft beslag laten leggen op de schade-uitkering bij Nationale Nederlanden. Anders dan het beslag van [procesdeelneemster 2] , moet dit beslag wel worden opgeheven. [procesdeelneemster 1] heeft namelijk geen vordering op [procesdeelneemster 2] . De vordering van [procesdeelneemster 1] tot betaling van de factuur is verrekend met de schade van [procesdeelneemster 2] en daardoor teniet gegaan. Het beslag van [procesdeelneemster 1] onder Nationale Nederlanden is daarom onterecht gelegd en moet door haar worden opgeheven.
4.55
Partijen kunnen de impasse over de uitkering van Nationale Nederlanden doorbreken door samen afspraken te maken over de schade-uitkering, bijvoorbeeld dat de schade-uitkering van Nationale Nederlanden wordt verrekend met de in deze procedure vastgestelde schade en/of het voorschot op de schade van [procesdeelneemster 2] . Partijen zouden Nationale Nederlanden dan gezamenlijk kunnen laten weten dat het beslag wordt opgeheven en kunnen instrueren om de schade-uitkering aan [procesdeelneemster 2] uit te keren. Het is aan partijen om hier afspraken over te maken.

[procesdeelneemster 2] heeft geen belang bij de incidentele vordering
4.56
Voor het verkrijgen van de schade-uitkering van Nationale Nederlanden heeft [procesdeelneemster 1] een schademelding gedaan, heeft zij stukken overgelegd over de wijze van herstel en heeft [onderneming 17] het schaderapport opgesteld. Deze stukken zitten in het volledige schadedossier van Nationale Nederlanden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [procesdeelneemster 1] en [procesdeelneemster 2] afgesproken dat [procesdeelneemster 1] het volledige schadedossier inclusief schademelding en stukken binnen een week aan [procesdeelneemster 2] verstrekt. Dit betekent dat [procesdeelneemster 2] uiterlijk 3 juni 2026 het volledige schadedossier van [procesdeelneemster 1] heeft ontvangen, waardoor [procesdeelneemster 2] geen belang meer heeft bij haar incidentele vordering tot afgifte van het volledige schadedossier inclusief schademelding en stukken.

[procesdeelneemster 1] moet de kosten van [procesdeelneemster 2] betalen
4.57
[procesdeelneemster 2] vordert vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, maar heeft nagelaten om een concreet bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten te vorderen. In beginsel wordt een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijk incassokosten dan afgewezen. De rechtbank zal dat in dit geval niet doen, omdat dit onredelijk is. [procesdeelneemster 2] heeft namelijk wel (als aanvullende schadevergoeding) vergoeding gevorderd van de door haar gemaakte advocaatkosten van € 51.477,12 exclusief btw en dat deel van die vordering is afgewezen omdat de kosten (mede) vallen onder de buitengerechtelijke incassokosten.
4.58
De vordering voor de buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [procesdeelneemster 2] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [procesdeelneemster 2] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De buitengerechtelijke incassokosten worden aan de hand van het toegewezen bedrag en het Besluit vastgesteld. Omdat [procesdeelneemster 1] wordt veroordeeld tot betaling van € 1.020.450,30, moet zij € 6.675,- betalen aan [procesdeelneemster 2] .
4.59
Naast vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten vordert [procesdeelneemster 2] vergoeding van de kosten die zij heeft moeten maken voor het conservatoir beslag ten laste van [procesdeelneemster 1] c.s. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar voor de beslagen die ten laste van [procesdeelneemster 1] zijn gelegd. De kosten voor het beslag ten laste van de bestuurders van [procesdeelneemster 1] worden niet toegewezen, omdat in deze procedure is komen vast te staan dat [procesdeelneemster 2] geen vordering op de bestuurders van [procesdeelneemster 1] heeft. De beslagkosten voor het beslag ten laste van [procesdeelneemster 1] worden vastgesteld op:

- Kosten deurwaardersexploten € 1.419,92

- Griffierecht € 714,-

- Salaris advocaat € 3.723,- (1 punt x tarief VII)

Totaal € 5.856,92

[procesdeelneemster 2] hoeft geen kosten van [procesdeelneemster 1] te betalen
4.60
[procesdeelneemster 1] vordert vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten en de beslagkosten. Omdat [procesdeelneemster 1] geen vordering heeft op [procesdeelneemster 2] , kan zij ook geen aanspraak maken op vergoeding van deze kosten. De vorderingen van [procesdeelneemster 1] worden afgewezen.

[procesdeelneemster 1] moet de proceskosten van [procesdeelneemster 2] in beide procedures betalen

in de zaak met rolnummer 25-246
4.61
[procesdeelneemster 1] is in de procedure die zij zelf bij de rechtbank Midden-Nederland is gestart, grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [procesdeelneemster 2] betalen. De proceskosten van [procesdeelneemster 2] worden begroot op:

- griffierecht € 6.861,-

- salaris advocaat € 7.446,- (2 punten x tarief VII)

- nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 14.496,-

in de zaak met rolnummer 25-376

in de hoofdzaak
4.62
[procesdeelneemster 1] wordt in de procedure die [procesdeelneemster 2] bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant is gestart, in conventie in het ongelijk gesteld. Daarom moet zij de proceskosten van deze procedure aan [procesdeelneemster 2] betalen. De proceskosten van [procesdeelneemster 2] in conventie worden begroot op:

- dagvaarding € 119,40

- griffierecht € 6.147,-

- salaris advocaat € 7.446,- (2 punten x tarief VII)

-nakosten € 148,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 13.860,40
4.63
[procesdeelneemster 2] krijgt in deze procedure ten opzichte van [procesdeelneemster 3] , [procesdeelneemster 4] en [procesdeelnemer 5] ongelijk. De proceskosten van [procesdeelneemster 3] , [procesdeelneemster 4] en [procesdeelnemer 5] worden vastgesteld op nihil omdat zij samen met [procesdeelneemster 1] verweer hebben gevoerd en niet is gebleken dat zij extra kosten hebben moeten maken.
4.64
[procesdeelneemster 1] c.s. krijgt in deze procedure ook in reconventie ongelijk. Daarom moet zij de proceskosten aan [procesdeelneemster 2] betalen. De proceskosten van [procesdeelneemster 2] in reconventie worden begroot op € 653,- aan salaris advocaat (2 punten x tarief II x 0,5) en € 148,- nakosten. In totaal € 801,-.

in het incident
4.65
Het staat vast dat [procesdeelneemster 2] geen belang meer heeft bij haar vordering in incident over de afgifte van het schadedossier van Nationale Nederlanden. [procesdeelneemster 2] krijgt dus in het incident ongelijk. Zij moet de proceskosten van [procesdeelneemster 1] betalen. De proceskosten in het incident worden begroot op nihil, omdat niet is gebleken dat [procesdeelneemster 1] voor de incidentele vordering van [procesdeelneemster 2] extra kosten heeft moeten maken. De incidentele vordering is in de dagvaarding als normale vordering ingesteld en pas bij de akte vermeerdering van eis als incidentele vordering ingesteld. [procesdeelneemster 1] heeft geen extra stuk ingediend waarin zij reageert op de incidentele vordering. [procesdeelneemster 1] heeft in de conclusie van antwoord weliswaar opgemerkt dat het inbrengen van alle stukken tot een enorme toename van het aantal producties zou leiden, maar is niet inhoudelijk op de incidentele vordering ingegaan. Dit brengt met zich mee dat [procesdeelneemster 1] geen extra kosten heeft gemaakt ten aanzien van de incidentele vordering.

Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
4.66
Een aantal beslissingen zal hierna uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals gevorderd. Dat betekent dat de beslissingen moeten worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissingen gelden in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.
<nr>5</nr>De beslissing
De rechtbank

in de zaak met rolnummer 25-246
5.1
wijst de vorderingen van [procesdeelneemster 1] af,
5.2
veroordeelt [procesdeelneemster 1] in de proceskosten van € 14.496,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [procesdeelneemster 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling in 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.

in de zaak met rolnummer 25-376

in conventie
5.4
veroordeelt [procesdeelneemster 1] om, binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, aan [procesdeelneemster 2] te verstrekken de revisietekeningen en door haar en haar leveranciers / onderaannemers getekende garantieverklaringen en -certificaten, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,-.
5.5
veroordeelt [procesdeelneemster 1] om aan [procesdeelneemster 2] een bedrag van € 1.020.450,30 te betalen (waarvan € 650.000 een voorschot is op de nader bij staat op te maken schadevergoeding), te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) over dit bedrag, met ingang van 4 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.6
veroordeelt [procesdeelneemster 1] tot vergoeding van de schade als gevolg van de problemen met de kozijnen en de kosten voor het deel van de meerwerkopdracht (betreffende het sausklaar maken van de wanden) dat niet is uitgevoerd, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
5.7
veroordeelt [procesdeelneemster 1] om aan [procesdeelneemster 2] te betalen een bedrag van € 6.627,25 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.8
veroordeelt [procesdeelneemster 1] om het beslag dat zij heeft gelegd onder Nationale Nederlanden op te heffen;
5.9
veroordeelt [procesdeelneemster 1] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 5.856,92,
5.10
veroordeelt [procesdeelneemster 1] in de proceskosten van € 13.860,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [procesdeelneemster 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.11
wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie
5.12
wijst de vordering van [procesdeelneemster 1] c.s. af,
5.13
veroordeelt [procesdeelneemster 1] c.s. in de proceskosten van € 801,-., te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [procesdeelneemster 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

in conventie en in reconventie
5.14
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen in 5.4 tot en met 5.10 en 5.13 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Haas, mr. N.A.J. Purcell en mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.

5718 (MM)

Artikel 7:759 BW.

Artikel 6:265 BW.

Zie Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581.

Productie 24, paragraaf 2.2.3 en 2.2.2.

€ 538.746,75 maal 21% btw.

124 verblijfseenheden maal € 30 per dag maal 149 dagen (31 januari tot 28 juni 2024)

Artikel 3:44 lid 3 en lid 4 en artikel 6:228 BW

2 dagen juni, 4 dagen juli 2024.

2 dagen juni, 18 dagen juli 2024.

2 dagen juni, 31 dagen juli, 31 dagen augustus, 5 dagen september 2024.

2 dagen juni, 31 dagen juli, 31 dagen augustus, 30 dagen september, 31 dagen oktober 2024.

Artikel 6:92 lid 2 BW.

Artikel 6:277 lid 1 BW.

Artikel 6:96 lid 2 sub b BW.

€ 163.071,68 - € 51.477,12 maal 21% btw.

Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758.

Artikel 6:127 BW.

Artikel 6:83sub a BW.

HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:40.

In de brief van 21 maart 2025 is een betaaltermijn van 14 dagen gegeven.

Artikel delen