Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2026:4798

Verzetzaak en voeging; Dexia; aandelenlease; tussenpersoon

Rechtbank Midden-Nederland 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:4798 text/xml public 2026-08-06T10:54:58 2026-07-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-15 11992059 MC EXPL 25-6608 en 11885392 MC EXPL 25-5127 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4798 text/html public 2026-08-06T10:54:21 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:4798 Rechtbank Midden-Nederland , 15-07-2026 / 11992059 MC EXPL 25-6608 en 11885392 MC EXPL 25-5127
Verzetzaak en voeging; Dexia; aandelenlease; tussenpersoon

vonnis

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummers: 11992059 MC EXPL 25-6608 en 11885392 MC EXPL 25-5127

vonnis van de kantonrechter van 15 juli 2026

in de zaak met zaak- en rolnummer 11992059 MC EXPL 25-6608 van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij in het verzet in de hoofdzaak,

oorspronkelijk gedaagde partij in de hoofdzaak,

eisende partij in reconventie in de hoofdzaak,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,

tegen

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verder ook te noemen Dexia,

gedaagde partij in het verzet in de hoofdzaak,

oorspronkelijk eisende partij in conventie in de hoofdzaak,

verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,

gemachtigde: USG Legal Professionals.

en in de zaak met zaak- en rolnummer 11885392 MC EXPL 25-5127 van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces

tegen

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partij,

gemachtigde: USG Legal Professionals.

Partijen worden hierna [eiser] en Dexia genoemd.
<nr>1</nr>Kern van de zaak 1.1
[eiser] heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst hield het volgende in. [eiser] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [eiser] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest [eiser] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [eiser] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [eiser] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [eiser] geleden schade helemaal moet vergoeden.
<nr>2</nr>De procedure 2.1
De kantonrechter heeft de zaken gevoegd bij incidenteel vonnis van 28 januari 2026.
2.2
Het verloop van de procedure in de zaak met rolnummer 25-6608 blijkt uit:

- de conclusie van antwoord in oppositie, tevens conclusie van antwoord in reconventie;

- de conclusie van repliek in oppositie, tevens conclusie van repliek in reconventie;

- de conclusie van dupliek in oppositie, tevens conclusie van dupliek in reconventie;

- akte uitlating producties van [eiser] .
2.3
Het verloop van de procedure in de zaak met rolnummer 25-5127 blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 september 2025;

- de conclusie van antwoord van 22 oktober 2025;

- de conclusie van repliek van 17 december 2025.

De twee laatstgenoemde stukken in r.o. 2.2. worden geacht ook te zijn genomen in deze zaak.
2.4
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen in beide zaken.
<nr>3</nr> <?linebreak?>3 De feiten 3.1
[eiser] heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:

Nr.

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

I.

[nummer]

30-06-1999

Capital Effect
3.2
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

Betaald

I.

08-01-2007

€ 1.410,80

Ja, door Dexia
3.3
Volgens opgave van Dexia heeft [eiser] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 10.351,25 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eiser] € 2.082,45 aan dividenden ontvangen en € 1.456,19 aan fiscaal voordeel genoten.
3.4
De gemachtigde van [eiser] , Leaseproces, heeft bij brief van 16 maart 2007 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
<nr>4</nr>De vorderingen en verweren in beide zaken
in de zaak met rolnummer 25-6608
4.1
[eiser] heeft verzet aangetekend tegen het verstekvonnis van 26 november 2014 met zaak- en rolnummer 3580543 MC EXPL 14-13732 (hierna: het verstekvonnis). In het verstekvonnis is een verklaring voor recht toegewezen dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [eiser] gesloten effectenleaseovereenkomst met nummer [nummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en daarom niets meer aan [eiser] verschuldigd is. [eiser] is in het verstekvonnis veroordeelt in de proceskosten.
4.2
[eiser] vordert in conventie vernietiging van het verstekvonnis. In reconventie vordert [eiser] dat de kantonrechter:

 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens en/of toerekenbaar is tekort geschoten,

 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser] van al datgene dat [eiser] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,

en in conventie en reconventie:

 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.3
Dexia vordert in conventie dat de kantonrechter het verzet van [eiser] niet-ontvankelijk of ongegrond zal verklaren en het verstekvonnis zal bevestigen. In reconventie wil Dexia dat [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk wordt verklaard, althans dat deze worden afgewezen. Zowel in conventie als in reconventie vordert Dexia dat [eiser] wordt veroordeeld in de proceskosten, met rente.

in de zaak met rolnummer 25-5127
4.4
[eiser] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

in de hoofdzaak

 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,

 voor recht zal verklaren dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,

 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser] van al datgene dat [eiser] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,

 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser] , met rente,

 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.5
Dexia voert verweer tegen de vorderingen.
4.6
Op de stellingen en verweren van partijen in beide zaken zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
<nr>5</nr> <?linebreak?>5 De beoordeling
verzet
5.1
Dexia heeft primair gesteld dat [eiser] niet-ontvankelijk is omdat de verzettermijn ruimschoots is verstreken. Volgens Dexia heeft [eiser] geen aanknopingspunten gegeven waaruit volgt wanneer [eiser] bekend zou zijn geraakt met het verstekvonnis. De kantonrechter gaat hier niet in mee. [eiser] heeft duidelijk toegelicht dat hij pas op de hoogte raakte van het bestaan van het verstekvonnis toen zijn gemachtigde op 14 november 2025 hierover contact met hem opnam, nadat Dexia haar conclusie van antwoord in de zaak met rolnummer 25-5127 had ingediend. Nu voor het overige niet is gesteld of gebleken dat [eiser] eerder dan 14 november 2025 kennis had van de inhoud van het verstekvonnis, is [eiser] ontvankelijk in het verzet.

algemeen 5.2 Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eiser] .
5.3
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.4
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

er is sprake van huurkoop;

er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

[eiser] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;

er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

verjaring
5.5
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eiser] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.

tussenpersoon
5.6
[eiser] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Spaar Select (verder: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.7
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eiser] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eiser] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.8
[eiser] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:

*I.v.m. mogelijke herleidbaarheid naar personen is de afbeelding verwijderd.*
5.9
[eiser] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:

- een kopie van de overeenkomst van 30-06-1999 met contractnummer [nummer] , voorzien van de tekst: “ [naam] – Spaar Select B.V. ”en een stempel met de tekst: “Spaar Select Utrecht (…) [naam] , TP-nr.: [nummer] (…)”, - prognosevoorbeelden van het Capital Effect waarop het logo van Spaar Select te zien is (productie C).
5.10
Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [eiser] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [eiser] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomst in haar visie tot stand was gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser] en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van de door [eiser] geschetste gang van zaken nu Dexia deze onvoldoende heeft weersproken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

wetenschap Dexia
5.11
[eiser] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon Spaar Select een op de persoon van [eiser] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eiser] , had zij behoren te weten dat [eiser] door de tussenpersoon is geadviseerd.

aansprakelijkheid Dexia 5.12 Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eiser] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eiser] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.

vorderingen van [eiser] 5.13 De door [eiser] in de zaak met rolnummer 25-5127 gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door [eiser] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, alsmede dat de dientengevolge geleden schade door Dexia dient te worden vergoed.
5.14
Die door [eiser] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eiser] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). [eiser] heeft aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht de schade berekend op € 6.362,89. Omdat Dexia de berekening niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag.
5.15
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.16
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiser] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
5.17
Omdat [eiser] in twee procedures feitelijk hetzelfde heeft gevorderd, worden de vorderingen in de zaak met rolnummer 25-5127 toegewezen en wordt de vordering in reconventie in de zaak met rolnummer 25-6608 afgewezen.

verzoek van [eiser] op grond van 22 Rv
5.18
[eiser] verzoekt Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier. Uit het voorgaande volgt dat [eiser] in het gelijk zal worden gesteld. Hij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat het verzoek wordt afgewezen.

vorderingen Dexia
5.19
Gelet op het bovenstaande kan niet worden vastgesteld dat Dexia niets meer aan [eiser] hoeft te vergoeden. Dit brengt met zich dat het verstekvonnis, waarin een verklaring voor recht is toegewezen dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [eiser] gesloten effectenleaseovereenkomst met nummer [nummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en daarom niets meer aan [eiser] verschuldigd is, moet worden vernietigd en dat de vorderingen van Dexia worden afgewezen.

proceskosten in de zaak met rolnummer 25-6608
5.20
Omdat [eiser] in conventie inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de verstek- en verzetprocedure (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De kosten van het uitbrengen van de verzetdagvaarding zullen echter op grond van art. 141 Rv voor rekening van [eiser] komen, omdat deze kosten een gevolg zijn van het feit dat [eiser] in eerste instantie niet is verschenen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00)

- nakosten € 144,00

Totaal € 720,00.
5.21
Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in de zaak met rolnummer 25-5127 worden de kosten van Dexia in reconventie tot op heden begroot op nihil.

proceskosten in de zaak met rolnummer 25-5127
5.22
Omdat [eiser] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser] gevallen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 144,47

- griffierecht € 90,00

- salaris gemachtigde € 567,00 (2 x tarief € 288,00)

- nakosten € 144,00

Totaal € 954,47.
5.23
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.
<nr>6</nr>Beslissing
De kantonrechter

in de zaak met rolnummer 25-6608

in conventie
6.1
verklaart het verzet van [eiser] gegrond,
6.2
vernietigt het door deze rechtbank op 26 november 2014 met zaak- en rolnummer 3580543 MC EXPL 14-13732 gewezen verstekvonnis, en ontheft [eiser] van de veroordelingen die voortvloeien uit dat verstekvonnis,

en opnieuw beslissend
6.3
wijst de vorderingen van Dexia alsnog af,
6.4
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.5
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie
6.6
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.7
veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Dexia gevallen, tot op heden begroot op nihil,

in de zaak met rolnummer 25-5127
6.8
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.9
verklaart voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
6.10
veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.362,89, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.14.,
6.11
Dexia in de proceskosten van € 954,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.12
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.13
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.14
wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).

zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23.

Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.

Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.

Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.

Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.

Artikel delen