Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2026:4853

Uitgesproken faillissementsvonnis

Rechtbank Midden-Nederland 28 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:4853 text/xml public 2026-07-28T10:29:13 2026-07-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-28 C/16/26/137 F Uitspraak Verzet NL Lelystad Civiel recht; Ondernemingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4853 text/html public 2026-07-28T10:27:22 2026-07-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:4853 Rechtbank Midden-Nederland , 28-04-2026 / C/16/26/137 F
Uitgesproken faillissementsvonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Toezicht

Locatie Lelystad

zaaknummer: C/16/26/137 F

Vonnis op grond van artikel 8 Fw (verzet tegen faillietverklaring)

d.d. 28 april 2026

in de zaak van:

[gefailleerde]

wonende te [plaats] ,

advocaat mr. M. Kumar.

strekkende tot vernietiging van het op verzoek van

de stichting

STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR HET BEROEPSVERVOER OVER DE WEG,

gevestigd te Amsterdam,

advocaat: mr. S.K. Tuithof,

hierna te noemen: de stichting.

door deze rechtbank op 24 maart 2026 uitgesproken faillissementsvonnis.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
De stichting heeft op 9 maart 2026 een verzoekschrift tot faillietverklaring van [gefailleerde] bij deze rechtbank ingediend. De behandeling van dat verzoekschrift was bepaald op 24 maart 2026. De rechtbank heeft [gefailleerde] , die niet bij de behandeling is verschenen, bij vonnis van 24 maart 2026 in staat van faillissement verklaard. Mr. M.K. Butôt is daarbij aangesteld als curator.
1.2.
Namens [gefailleerde] is mr. Kumar bij verzoekschrift, dat op 7 april 2026 bij deze rechtbank in ingekomen, tegen het faillissementsvonnis in verzet gekomen.
1.3.
De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

het verzetschrift met bijlagen van mr. Kumar,

de reactie van mr. Tuithof van 22 april 2026,

de zienswijze en aanvullende zienswijze van 16 en 23 april van de curator.
1.4.
Het verzetschrift is behandeld ter terechtzitting van 24 april 2026 middels een digitale beeldverbinding. Verschenen zijn:

- de heer [gefailleerde] ,

- mr. M. Kumar,

- mr. S.K. Tuithof,

- mr. M.K. Butôt,

- mr. [naam] , medewerkster van de curator.
1.5.
De uitspraak is bepaald op heden.
<nr>2</nr>De beoordeling 2.1.
[gefailleerde] heeft op grond van artikel 8, tweede lid van de Faillissementswet (“Fw”) gedurende veertien dagen recht van verzet. Nu [gefailleerde] binnen deze termijn tegen het vonnis van 24 maart 2026 in verzet is gekomen, is hij in zijn verzet ontvankelijk.
2.2.
[gefailleerde] is eerder failliet geweest. Op verzoek van de stichting is hij op 14 oktober 2025 in staat van faillissement verklaard. Ook toen heeft [gefailleerde] verzet ingesteld en is na herziening van de vordering van de stichting, betaling van het (restant)verschuldigde en betaling van de faillissementskosten door [gefailleerde] het faillissement op 31 oktober 2025 met instemming van de stichting vernietigd.
2.3.
Op 9 maart 2026 heeft de stichting opnieuw het faillissement van [gefailleerde] verzocht, omdat de ambtshalve opgelegde pensioenverplichtingen over juni 2025, juli 2025 en augustus 2025, onbetaald zijn gebleven.
2.4.
[gefailleerde] heeft ter zitting aangevoerd dat het pensioenfonds achteraf in oktober 2025 heeft vastgesteld dat [gefailleerde] in deze periodes geen personeel in dienst heeft gehad en de betreffende facturen zijn gecrediteerd, zodat de stichting in ieder geval op dit moment geen vordering meer heeft. Het faillissement moet daarmee vernietigd worden. [gefailleerde] heeft daarbij verzocht om de stichting te veroordelen tot betaling van de kosten van het faillissement, omdat de stichting wist of zou moeten weten dat hij geen personeel had en daarom ten onrechte zijn faillissement heeft uitgelokt.
2.5.
Namens de stichting is ter zitting aangevoerd dat het juist is dat in 2025 tot en augustus acht maal een bedrag van € 1.130,00 in rekening is gebracht en dat deze -achteraf-alle acht ook zijn gecrediteerd. Drie creditfacturen van € 1.130,00 zijn verrekend met onbetaald gelaten en daadwerkelijk verschuldigde pensioenpremies over 2024, [gefailleerde] had toen nog wel personeel in loondienst, zodat over 2025 nog drie maandfacturen, te weten over de laatste drie maanden (juni, juli en augustus) resteren. De stichting is na augustus 2025 gestopt met het versturen van ambtshalve facturen naar aanleiding van de informatie die zij hebben gekregen bij de afwikkeling van het eerdere faillissement. De drie facturen betreffen daadwerkelijk verschuldigde premies die in 2024 onbetaald zijn gebleven, zodat het faillissement op goede gronden is uitgesproken.
2.6.
De curator, die eveneens tot curator was benoemd in het eerdere faillissement, heeft ter zitting aangevoerd dat de vordering op zijn minst onduidelijk is en het op grond daarvan onmiddellijk weer uitlokken van het faillissement van [gefailleerde] , gelet op de ernstige implicaties van een faillissement en de hoge kosten die gemoeid zijn met de vernietiging van een faillissement, de stichting er ook voor had kunnen kiezen de incasso van haar vordering, voor zover deze nog bestaat, op een andere wijze te bewerkstelligen.
2.7.
De rechtbank oordeelt als volgt. De stichting heeft op 9 maart 2026 het faillissement van [gefailleerde] verzocht met een zeer summier verzoekschrift van niet meer dan een halve pagina. Uit dat verzoekschrift volgt dat een drietal facturen, te weten de ambtshalve verschuldigde pensioenpremies over juni, juli en augustus 2025, kennelijk onbetaald zijn gebleven. Eerst nadat verzet is ingesteld door [gefailleerde] overleggen de curator en de raadsman van [gefailleerde] overzichten van het pensioenfonds van 24 oktober 2025 waaruit volgt dat de betreffende facturen allemaal gecrediteerd zijn. De overzichten geven geen inzicht hoe de gecrediteerde vorderingen zijn verwerkt in de totale vordering waaruit het vorderingsrecht van de stichting zou moeten blijken. Zonder nadere toelichting lijkt uit het overzicht zelfs te volgen dat er geen vordering meer is. Zo zijn er daadwerkelijke verschuldigde pensioenpremies over de eerste helft van 2024, acht ambtshalve opgelegde facturen over 2025, acht creditfacturen over 2025, een afrekening en betaling in het kader van het eerder vernietigde faillissement in oktober 2025 en slotbetaling van [gefailleerde] aan de incassogemachtigde Syncasso van de stichting van € 2.576,29 in maart 2026. Uit geen van de overgelegde overzichten volgt een volledig beeld van de vordering van de stichting. Het vorderingsrecht van de stichting is in het licht van het karige en nauwelijks onderbouwde faillissementsverzoek niet summierlijk komen vast te staan. Alleen al hierom dient het faillissement thans te worden vernietigd.
2.8.
De rechtbank zal de kosten van het faillissement vaststellen, waaronder het salaris van de curator en daarbij bepalen dat deze kosten ten laste van de stichting komen. De stichting had zich bij het aanvragen van dit faillissement moeten afvragen of de keuze in het licht van het eerdere faillissement en dat [gefailleerde] al bijna twee jaar geen pensioenpremies meer is verschuldigd wel proportioneel is geweest. De consequenties van een faillissement zijn voor een natuurlijk persoon en ondernemer verstrekkend en betekenen in de regel een definitief einde van de onderneming. De stichting had zeker in dit geval rekening moeten houden met deze belangen van [gefailleerde] . De stichting heeft dit niet gedaan, althans daar is de rechtbank niets van gebleken. Dit klemt temeer nu [gefailleerde] voorafgaand aan het indienen van het verzoekschrift tot faillietverklaring contact heeft gezocht en heeft getracht om tot een minnelijke oplossing te komen.
2.9.
De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding om de kosten van deze procedure ten laste van de stichting te brengen en de stichting te veroordelen tot betaling daarvan.

Dit leidt tot de volgende beslissing.
<nr>3</nr>De beslissing
De rechtbank:
3.1.
verklaart het verzet gegrond en vernietigt het ter openbare zitting van deze rechtbank van 24 maart 2026 uitgesproken vonnis waarbij

[gefailleerde] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ( [Geboorteland] ),

wonende te [plaats] aan de ( [postcode] ) [adres] ,

handelend onder de naam [bedrijfsnaam] ,

ingeschreven in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,

in staat van faillissement is verklaard;
3.2.
stelt het salaris van de curator inclusief btw en verschotten, zoals door de curator verzocht, in totaal vast op € 7.833,76 en veroordeelt de stichting STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR HET BEROEPSVERVOER OVER DE WEG, gevestigd te Amsterdam, tot betaling van dit bedrag aan de curator;
3.3.
stelt de proceskosten vast op € 1.228,00 (2 punten) en veroordeelt de STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR HET BEROEPSVERVOER OVER DE WEG tot betaling van dit bedrag aan [gefailleerde] .

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J. Hofman en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.

Artikel delen