Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2026:4979

Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. Het bedrijf van verzoekster verkeert in financiële problemen. Zij heeft het college van B&W gevraagd om bedrijfskapitaal als gevestigd zelfstandige (Bbz-aanvraag). De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college op basis van het adviesrapport van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) de Bbz-aanvraag heeft mogen afwijz...

Rechtbank Midden-Nederland 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:4979 text/xml public 2026-08-03T13:34:42 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-30 UTR 26/5878 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Utrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4979 text/html public 2026-08-03T13:34:05 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:4979 Rechtbank Midden-Nederland , 30-07-2026 / UTR 26/5878
Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. Het bedrijf van verzoekster verkeert in financiële problemen. Zij heeft het college van B&W gevraagd om bedrijfskapitaal als gevestigd zelfstandige (Bbz-aanvraag). De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college op basis van het adviesrapport van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) de Bbz-aanvraag heeft mogen afwijzen. Uit het IMK-adviesrapport volgt dat het bedrijf van verzoekster in de huidige omstandigheden niet levensvatbaar is. Hoewel het rapport onvoldoende duidelijk is over het gewicht dat is toegekend aan het feit dat een voormalige onderneming van de echtgenoot van verzoekster failliet is, volgt uit het rapport dat het bedrijf van verzoekster geen afloscapaciteit heeft. Verzoekster heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht om te twijfelen aan de juistheid hiervan. De openstaande vordering die zij heeft, maakt dit niet anders. Het is namelijk nog niet duidelijk óf de vordering zal worden toegewezen, en zo ja, tot welke hoogte. Verder is nog onzeker wanneer (na eventuele toewijzing van de vordering) er een bedrag zal worden uitbetaald of verhaald.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/5878
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woudenberg
(gemachtigde: mr. N. van Rhijn).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om bedrijfskapitaal als gevestigd zelfstandige (Bbz-aanvraag). Verzoekster is het niet eens met de afwijzing. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat het bedrijf van verzoekster in de huidige omstandigheden niet levensvatbaar is. De belangen van verzoekster geven geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten. Daarna volgt onder 4. het beoordelingskader. Vanaf 5. zijn de gronden van verzoekster te lezen. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 7. Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Verzoekster heeft als zelfstandige een aanvraag ingediend voor bedrijfskapitaal. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 juni 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar echtgenoot en de gemachtigde van het college.
Feiten
3. Samen met haar echtgenoot ( [A] ) heeft verzoekster sinds april 2024 een bedrijf genaamd [bedrijf 1] . Het bedrijf richt zich op het wereldwijd verzenden van vrachten. Omdat [bedrijf 1] in financiële problemen verkeert, hebben verzoekster en haar echtgenoot een Bbz-aanvraag ingediend voor € 50,000,-. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat het bedrijf niet levensvatbaar is. Het college baseert zich hiervoor op het adviesrapport van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK). Verder ziet het college geen aanleiding om op grond van de hardheidsclausule toch de Bbz-aanvraag in te willigen.
Het beoordelingskader
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om de gevraagde voorziening te treffen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
4.2.
De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat verzoekster heeft gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen waarmee wordt bepaald dat, voordat een beslissing op haar bezwaar is genomen, zij het door haar aangevraagde Bbz-krediet krijgt. Als de door verzoekster gevraagde voorziening wordt toegewezen, is dat in feite geen voorlopige maatregel. De maatregel staat immers gelijk aan het inwilligen van de aanvraag. Als het bezwaar dan toch ongegrond verklaard wordt, is het verstrekte krediet mogelijk al aangewend en kan sprake zijn van een feitelijk onomkeerbare situatie. De voorzieningenrechter zal daarom in een zaak als deze alleen een voorlopige voorziening treffen als voldoende aannemelijk is dat aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van een Bbz-krediet wordt voldaan.
Gronden van verzoekster
5. Verzoekster voert aan dat zij de Bbz-aanvraag heeft ingediend om een aanzienlijke openstaande vordering op de Franse rederij [bedrijf 2] te overbruggen. De openstaande vordering bedraagt minimaal € 70.000,- en is onbetaald gebleven vanaf 11 juni 2025. Er is een rechtelijke procedure gestart om het bedrag uitbetaald te krijgen. Doordat de openstaande vordering tot op heden niet is voldaan door de schuldenaar, loopt haar bedrijf financieel achter de feiten aan. Ter onderbouwing heeft verzoekster stukken overgelegd van de gerechtelijke procedure en de openstaande vorderingen. Ook heeft zij stukken overgelegd waaruit volgt dat zij in financiële moeilijkheden verkeert.

6. Verder voert verzoekster aan dat het college het adviesrapport van het IMK niet aan de afwijzing ten grondslag heeft mogen leggen. Verzoekster is het niet eens met de inhoud van het adviesrapport en heeft haar bezwaren hiertegen geuit. Volgens verzoekster heeft het college hier ten onrechte niets mee gedaan. Zij verwijst naar correspondentie met het college over de inhoud van het adviesrapport.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Is sprake van spoedeisend belang?

7. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld acute financiële nood, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
7.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op dit moment een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek. Uit de stukken en uit wat verzoekster op de zitting heeft toegelicht, is het voor de voorzieningenrechter voldoende duidelijk dat zij op dit moment financiële hulp nodig heeft om haar bedrijf draaiende te houden. Op dit moment kan verzoekster zakelijk gezien het hoofd net boven water houden, omdat zij zichzelf weinig loon uitkeert uit het bedrijf. Het gevolg hiervan is dat zij privé een huurachterstand heeft. De huur is per 31 mei 2026 opgezegd, maar verzoekster en haar echtgenoot hebben een tijdelijke coulanceregeling met de verhuurder weten te treffen. In deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang.

Is het bedrijf van verzoekster levensvatbaar? En heeft het college zich mogen baseren op het adviesrapport van het IMK?

8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college op basis van het adviesrapport van het IMK heeft mogen concluderen dat [bedrijf 1] niet levensvatbaar is. De voorzieningenrechter legt hieronder uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
8.1.
De hoogste rechter heeft bepaald dat het college zich in dit soort zaken bij zijn besluitvorming mag baseren op concrete adviezen van deskundige instanties, zoals het IMK. Het college mag in zijn besluit uitgaan van de juistheid van het advies. Dit is alleen anders als er concrete aanknopingspunten zijn die erop wijzen dat het advies niet deugt.
8.2.
De voorzieningenrechter vindt dat het adviesrapport van het IMK onvoldoende duidelijk is over het gewicht dat is toegekend aan het feit dat een voormalige onderneming van de echtgenoot van verzoekster, [bedrijf 3] Ltd (hierna: [bedrijf 3] ), is gefailleerd. Ook is onduidelijk welke rol deze omstandigheid speelt bij de conclusie dat [bedrijf 1] niet levensvatbaar is. In het rapport is te lezen dat de echtgenoot van verzoekster in 2013 [bedrijf 3] heeft opgericht. Dit bedrijf is begin 2024 failliet verklaard. In april 2024 is met het bedrijf van verzoekster in feite een doorstart gemaakt. In het kader van het ongunstige markperspectief staat in het adviesrapport dat er veel ontevreden klanten (camperaars) zijn die zich gedupeerd voelen als gevolg van het faillissement van het bedrijf van de echtgenoot. Daarbij wordt opgemerkt – in reactie op de geuite bezwaren van verzoekster op het rapport – dat er raakvlakken zijn tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 1] . Verder is in het rapport te lezen dat het faillissement ten tijde van het onderzoek nog niet formeel is opgeheven en afgewikkeld. Daarbij wordt opgemerkt dat tijdens een lopend faillissement nog geen nieuwe financiële verplichtingen kunnen worden aangegaan én verstrekking van een Bbz-krediet onder de huidige omstandigheden niet tot de mogelijkheden behoort. Een nadere toelichting ontbreekt. Het is onduidelijk waarom het nog lopende faillissement van [bedrijf 3] ervoor zorgt dat verzoekster geen Bbz-krediet kan krijgen. Ook is onduidelijk welk gewicht is toegekend aan deze omstandigheden bij de totstandkoming van het adviesrapport. Dat het college heeft gezegd dat [bedrijf 3] in grote mate vergelijkbaar is met [bedrijf 1] , is hiervoor onvoldoende. Het college heeft ter zitting erkend dat in het adviesrapport beter gemotiveerd had moeten worden welke rol het faillissement van [bedrijf 3] speelt bij de beoordeling. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college dit alsnog kan doen in de bezwaarprocedure. In de beslissing op bezwaar kan het college nader toelichten hoe het faillissement van [bedrijf 3] is betrokken bij de conclusie dat [bedrijf 1] niet levensvatbaar is én welk gewicht hieraan wordt toegekend.
8.3.
Wat hiervoor is overwogen, leidt echter niet tot de conclusie dat het college zijn besluit niet op het IMK rapport mocht baseren. Uit het besluit volgt namelijk dat het college de afwijzing voornamelijk baseert op de conclusies van het IMK met betrekking tot de exploitatiemogelijkheden en de aflossingscapaciteit van [bedrijf 1] . Zo blijkt uit het exploitatieoverzicht (bijlage 2 van het adviesrapport) dat voor [bedrijf 1] een negatief resultaat wordt verwacht in de jaren 2026 (minus € 19.400,-) en 2027 (minus € 9.400,-). Hierbij is uitgegaan van het meest gunstige scenario met betrekking tot de omzetbegroting.
8.4.
Verzoekster heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die doen twijfelen aan de juistheid van deze cijfers. Verzoekster verwijst alleen naar de openstaande vordering op [bedrijf 2] en de gerechtelijke procedure die loopt om het bedrag uitbetaald te krijgen. Uit het adviesrapport van het IMK volgt dat geen rekening is gehouden met deze openstaande vordering, omdat nog niet duidelijk is óf de vordering zal worden toegewezen, en zo ja, tot welke hoogte. Verder is nog onzeker wanneer (na eventuele toewijzing van de vordering) er een bedrag zal worden uitbetaald of verhaald. De voorzieningenrechter kan deze overweging volgen. Er wordt meer duidelijkheid verwacht op 14 augustus 2026, als de rechter uitspraak doet in de civiele procedure over de vordering. Zoals het college tijdens de zitting naar voren heeft gebracht, kan de uitkomst van die procedure worden betrokken bij de behandeling van het bezwaar van verzoekster.

9. De voorzieningenrechter komt tot de voorlopige conclusie dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden voor het verstrekken van een Bbz-krediet, omdat niet is gebleken dat haar bedrijf in de huidige situatie levensvatbaar is.

Leidt een belangenafweging tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening?

10. De voorzieningenrechter ziet in de belangen van verzoekster geen aanleiding om de gevraagde voorziening te treffen. De voorzieningenrechter ziet dat verzoekster een zwaarwegend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, zoals hiervoor ook onder 7.1. vermeld. Daartegenover staat het belang van het college om zorgvuldig om te gaan met publieke gelden en het feit dat toewijzing van de gevraagde voorziening neerkomt op toewijzing van het Bbz-krediet. Op dit moment voldoet verzoekster niet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Bbz-krediet. Daarmee bestaat ook een aanzienlijk risico dat zij de verstrekte publieke gelden niet zal kunnen terugbetalen. Het belang van het college weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder. De belangenafweging biedt geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening.
Conclusie en gevolgen
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college niet verplicht wordt om verzoekster een Bbz-krediet te verschaffen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.

Zie hiervoor artikel 8:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht.

Zie hiervoor de uitspraak van de Central Raad van Beroep van 19 augustus 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1250).

Artikel delen