Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2026:5072

Ongediertebestrijding. Het beroep van opdrachtnemer op het exoneratiebeding in haar algemene voorwaarden slaagt. Geen sprake van grove schuld. Toepassing van het beding is niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

Rechtbank Midden-Nederland 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:5072 text/xml public 2026-08-04T10:19:06 2026-08-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-22 C/16/589167 / HA ZA 25-111 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:5072 text/html public 2026-08-04T10:18:44 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:5072 Rechtbank Midden-Nederland , 22-07-2026 / C/16/589167 / HA ZA 25-111
Ongediertebestrijding. Het beroep van opdrachtnemer op het exoneratiebeding in haar algemene voorwaarden slaagt. Geen sprake van grove schuld. Toepassing van het beding is niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/589167 / HA ZA 25-111

Vonnis van 22 juli 2026

in de zaak van

[eiser] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. J.F.H. Teunissen,

tegen

RENTOKIL INITIAL B.V.,

gevestigd in Nieuwegein,

gedaagde partij,

hierna te noemen: Rentokil,

advocaat: mr. R.V. Montulet.
<nr>1</nr>De procedure 1.1
De rechtbank beschikt over de volgende stukken:

- de dagvaarding met producties 1 t/m 12; - de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 3;- de conclusie van repliek met producties 13 t/m 16;

- de conclusie van dupliek met producties 4 t/m 6;

- de akten van [eiser] met aanvullende producties 17 t/m 21.
1.2
De mondelinge behandeling vond plaats op 9 juni 2026. [eiser] heeft haar standpunten mede aan de hand van spreekaantekeningen verder toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er besproken is. Daarna is bepaald dat op 22 juli 2026 een vonnis zal worden gewezen.
<nr>2</nr>De kern van de zaak 2.1
Rentokil voerde in opdracht van [eiser] (een supermarkt) inspecties uit ter voorkoming en bestrijding van muizen. Ondanks deze inspecties was er sprake van een muizenplaag en moest de supermarkt op last van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) tijdelijk worden gesloten. Volgens [eiser] komt dit doordat Rentokil onvoldoende heeft gedaan om voor [eiser] de muizenoverlast te beperken en een muizenplaag te voorkomen. [eiser] wil daarom dat Rentokil haar schade vergoedt (in totaal € 175.824,15). De rechtbank wijst deze vordering af, omdat Rentokil in de toepasselijke algemene voorwaarden haar aansprakelijkheid voor schade rechtsgeldig heeft uitgesloten.
<nr>3</nr>De achtergrond van het geschil 3.1
[eiser] exploiteert een supermarkt. Zij heeft in 2008 een serviceovereenkomst gesloten met het ongediertebestrijdingsbedrijf Rentokil. Op basis van die overeenkomst van opdracht voerde Rentokil 8 keer per jaar een inspectie uit in de supermarkt ter voorkoming en bestrijding van muizen. Partijen zijn het erover eens dat dit een inspanningsverplichting betrof. Dit betekent dat Rentokil zich moest inspannen om de aanwezigheid van muizen te voorkomen en zo nodig te bestrijden.
3.2
Tijdens de inspecties controleerde Rentokil of er muizen in de supermarkt aanwezig waren. Ter zitting heeft Rentokil toegelicht dat de muizenactiviteit werd gemonitord door de lokdozen, die op verschillende plekken in de winkel waren geplaatst, te controleren. Daarbij werd gekeken of het non-toxisch materiaal daarin was aangevreten. Ook werd het magazijn gecontroleerd. Naar aanleiding van haar bevindingen maakte Rentokil een bezoekrapport op en gaf zij aanbevelingen (adviezen) aan [eiser] . Deze adviezen kon [eiser] in het digitale dossier ‘My Rentokil’ terugzien. Daarnaast kon Rentokil ook zelf bestrijdingsmiddelen inzetten. Tussen partijen staat niet ter discussie dat het voorkomen en bestrijden van (een) muizen(plaag) een gedeelde verantwoordelijk betrof. Maar partijen verwijten elkaar dat de ander haar verantwoordelijkheid niet heeft genomen.
3.3
[eiser] heeft de supermarkt op 3 december 2024 op last van de (NVWA moeten sluiten, omdat bij de controle een of meerdere hygiënevoorschriften niet waren nageleefd. In zijn Rapport van Bevindingen van 3 december 2024 heeft een inspecteur van de NVWA onder andere geconstateerd dat de bedrijfsruimten voor levensmiddelen niet schoon waren en dat levensmiddelen niet goed werden beschermd. De inspecteur van de NVWA heeft in zijn rapport ook vastgesteld dat er onvoldoende adequate maatregelen waren genomen om ongedierte te bestrijden.
3.4
Dat de supermarkt moest sluiten, komt volgens [eiser] omdat Rentokil zich onvoldoende heeft ingespannen om een muizenplaag te voorkomen en te bestrijden. Zij had volgens [eiser] namelijk tijdig (meer) maatregelen moeten treffen en verhoging van de bezoekfrequentie moeten adviseren. En de inspecties die Rentokil wel uitvoerde, voerde zij volgens [eiser] niet goed uit, namelijk vluchtig en onvolledig. [eiser] vindt ook dat Rentokil haar beter had moeten adviseren over welke maatregelen zij tegen muizen had kunnen nemen. Bijvoorbeeld het aanbrengen van een wering, zoals [bedrijf] , haar nieuwe ongediertebestrijdingsbedrijf, haar heeft geadviseerd. Volgens [eiser] heeft Rentokil gelet hierop niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht genomen, waartoe zij wel wettelijk verplicht is.
3.5
Rentokil daarentegen verwijt [eiser] dat zij haar adviezen nooit (goed) heeft opgevolgd. In de eerste plaats moest [eiser] volgens Rentokil beter schoonmaken en opruimen en alle gaten dichten, waardoor er geen muizen meer binnen konden komen. Daarnaast moest [eiser] ook de toegangsdeur voorzien van weringsborstels. Dit is vele malen geadviseerd maar heeft [eiser] volgens Rentokil niet gedaan. Pas als [eiser] deze preventieve maatregelen had genomen, mocht Rentokil verdergaande maatregelen adviseren. Rentokil heeft daarvoor verwezen naar het Handboek IPM-Knaagdierbeheersing (HIK) waarin staat dat opschaling alleen kan onder bepaalde voorwaarden. Zolang [eiser] de adviezen van Rentokil niet opvolgde, kon Rentokil daarom alleen maar haar adviezen blijven herhalen, aldus Rentokil.
<nr>4</nr>De beoordeling
Het beroep van Rentokil op schending van de klachtplicht door [eiser] slaagt niet
4.1
Volgens Rentokil heeft [eiser] vóór de sluiting van de supermarkt nooit geklaagd over de werkzaamheden die zij (Rentokil) uitvoerde. Daarom kan [eiser] volgens Rentokil geen schadevergoeding meer vorderen. Artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt namelijk dat de schuldeiser ( [eiser] in dit geval) geen beroep meer kan doen op een gebrek in de prestatie (van Rentokil) als zij niet binnen bekwame tijd nadat zij het gebrek had ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, heeft geprotesteerd.
4.2
Dit verweer slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op artikel 6:89 BW is het namelijk aan Rentokil om voldoende feiten te stellen waaruit volgt op welk moment [eiser] het gebrek in de prestatie heeft ontdekt of had moeten ontdekken. Dit heeft Rentokil niet gedaan. Zij heeft hier namelijk niets over gezegd. Het is daarom onbekend wanneer de klachttermijn zoals bedoeld in artikel 6:89 BW volgens Rentokil aanving. Het enkel stellen dat [eiser] de muizenplaag enkele weken voorafgaande aan de sluiting moet hebben waargenomen gezien de door de NVWA geconstateerde ernstige vervuiling is daarvoor niet voldoende. Dit betekent dat Rentokil niet heeft voldaan aan haar stelplicht waardoor haar verweer niet slaagt.
4.3
Vaststaat in ieder geval dat [eiser] Rentokil op 23 december 2024 – en dus binnen drie weken na de sluiting van de supermarkt op 3 december 2024 – aansprakelijk heeft gesteld. Voorzover de sluiting kan worden aangemerkt als het moment waarop de termijn zoals bedoeld in artikel 6:89 BW aanving, was [eiser] op tijd met klagen.

Het beroep van Rentokil op het exoneratiebeding in haar algemene voorwaarden slaagt
4.4
In het geval dat kan worden vastgesteld dat Rentokil de zorgplicht van een goed opdrachtnemer heeft geschonden en daarmee tekort is geschoten in de nakoming van de serviceovereenkomst, zou dat in beginsel betekenen dat Rentokil de schade die [eiser] daardoor heeft geleden c.q. lijdt moet vergoeden. De rechtbank oordeelt dat in dit geval zij aan de vraag of Rentokil tekort is geschoten niet toekomt omdat het beroep van Rentokil op het met [eiser] overeengekomen exoneratiebeding slaagt. De rechtbank legt hierna uit waarom en wat dat betekent voor de vordering van [eiser] .
4.5
Een exoneratiebeding (ook wel aansprakelijkheidsbeperking genoemd) is een afspraak waarin een partij haar aansprakelijkheid voor eventuele schade geheel of gedeeltelijk uitsluit. In de serviceovereenkomst is bepaald dat de algemene voorwaarden van Rentokil van toepassing zijn. Rentokil heeft in artikel 10 van haar algemene voorwaarden een dergelijk beding opgenomen waarmee zij haar aansprakelijkheid voor schade gedeeltelijk uitsluit. In artikel 10.1 van haar algemene voorwaarden staat namelijk:

Behoudens algemeen geldende rechtsregels van openbare orde en goede trouw zijn wij niet gehouden tot vergoeding van enige schade, van welke aard dan ook, direct of indirect aan personen of zaken, zowel roerend als onroerend en zowel bij opdrachtgever als bij derden. In ieder geval zijn wij niet aansprakelijk voor schade die ontstaat als gevolg van het gebruik van gehuurde of verkochte produkten, noch voor schade, die bij of in het kader van de uitvoering van werkzaamheden mocht ontstaan aan zaken van de opdrachtgever of van derden of aan personen, tenzij deze schade het gevolg is van opzet of grove schuld onzerzijds. In dit laatste geval zal de aansprakelijkheid in ieder geval beperkt zijn tot het bedrag waartegen het betreffende produkt is verhuurd/verkocht, respectievelijk het bedrag waartegen de werkzaamheden zijn verricht.”
4.6
Partijen zijn het erover eens dat de algemene voorwaarden van Rentokil van toepassing zijn. Maar volgens [eiser] kan Rentokil geen beroep doen op het exoneratiebeding, omdat (i) het beding onredelijk bezwarend is, (ii) sprake is van opzet of grove schuld en/of (iii) het beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en daarom niet van toepassing. Dit verweer van [eiser] slaagt niet.

(i) [eiser] kan geen beroep doen op artikel 6:233 BW
4.7
Op grond van artikel 6:233 aanhef en onder a BW is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar indien de voorwaarde onredelijk bezwarend is voor de wederpartij. Volgens [eiser] is het exoneratiebeding onredelijk bezwarend, waardoor Rentokil daar geen beroep op kan doen.
4.8
Volgens Rentokil kan [eiser] geen beroep doen op 6:233 BW omdat zij een onderneming is die haar jaarcijfers publiceert. Daarbij heeft Rentokil verwezen naar artikel 6:235 lid 1 aanhef en onder a BW waarin is bepaald dat een rechtspersoon zoals bedoeld in artikel 2:360 BW, die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst laatstelijk zijn jaarrekening openbaar heeft gemaakt, geen beroep kan doen op de vernietigingsgrond van artikel 6:233 BW.
4.9
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] bevestigd dat zij jaarlijks haar jaarrekening publiceert en dus ook haar jaarrekening had gepubliceerd toen zij in 2008 de overeenkomst met Rentokil sloot. Dat [eiser] hiertoe niet wettelijk verplicht was, zoals zij heeft gesteld, is niet bepalend voor de toepassing van onderdeel a. Bepalend is slechts of daadwerkelijk een jaarrekening is openbaar gemaakt. Dit om bewijsproblemen te voorkomen. Het tegendeel blijkt ook niet uit het arrest van 3 december 2002 van het Gerechtshof Arnhem waar [eiser] ter zitting naar heeft verwezen.
4.10
Uit dit arrest blijkt wel dat bedrijven die (slechts) een onderdeel van hun jaarrekening hebben gepubliceerd, niet onder de reikwijdte van artikel 6:235 lid 1 onder a BW vallen. Nu [eiser] niet heeft weersproken dat zij haar volledige jaarrekening heeft gepubliceerd toen zij de overeenkomst met Rentokil sloot, valt zij onder artikel 6:235 lid 1 onder a BW. Dit betekent dat [eiser] geen beroep kan doen op artikel 6:233 BW en het exoneratiebeding dus niet op deze grond vernietigbaar is. De vraag of het exoneratiebeding onredelijk bezwarend is, is daarom niet meer aan de orde.

(ii) Er is geen sprake van grove schuld
4.11
Artikel 10 van de algemene voorwaarden van Rentokil bepaalt kort gezegd dat Rentokil de schade van [eiser] niet hoeft te vergoeden, tenzij die schade het gevolg is van opzet of grove schuld. Volgens [eiser] is sprake van grove schuld, omdat Rentokil de aanmerkelijke kans op aanzienlijke schade aan de zijde van [eiser] heeft aanvaard.
4.12
Voor een geslaagd beroep op grove schuld (ook wel ‘bewuste roekeloosheid’ genoemd) is vereist dat Rentokil de aanmerkelijke kans op (ernstige) schade onderkende, maar verwachtte of veronderstelde dat het gevaar zich niet zou realiseren.
4.13
Het is aan [eiser] om concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan volgen dat sprake is van grove schuld aan de zijde van Rentokil. Uit de feiten en omstandigheden die [eiser] aanvoert, volgt dat niet. Samengevat verwijt [eiser] Rentokil dat zij haar inspanningsverplichting heeft geschonden; zij had volgens [eiser] méér moeten doen ter voorkoming en bestrijding van een muizenplaag. Zelfs als dit verwijt terecht is, betekent dit nog niet dat die tekortkoming kwalificeert als grove schuld. Daarvoor moet namelijk ook sprake zijn van ernstige verwijtbaarheid.
4.14
Niet is gebleken dat hiervan sprake is. [eiser] heeft ook geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit die ernstige verwijtbaarheid blijkt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] nog wel aangegeven dat zij veelvuldig maar tevergeefs bij de medewerkers van Rentokil aan de bel zou hebben getrokken over de aanwezigheid van muizen. En [eiser] zou Rentokil ook uitdrukkelijk hebben gevraagd om hulp. Maar volgens [eiser] reageerde Rentokil hier niet op. Rentokil heeft betwist dat zij een dergelijk hulpverzoek heeft ontvangen [eiser] . Dat [eiser] een dergelijk verzoek heeft gedaan blijkt niet uit de stukken. En het was aan [eiser] om dit standpunt nader te onderbouwen, gelet op de betwisting van Rentokil. Daarentegen staat wel vast dat [eiser] inderdaad niet alle adviezen van Rentokil opvolgde. [eiser] heeft namelijk niet betwist dat zij niet, zoals door Rentokil geadviseerd, alle gaten en/of doorvoeropeningen groter dan 5 mm heeft gedicht en wering heeft aangebracht onder de voordeur. Ook heeft Rentokil herhaaldelijk erop gewezen dat er aandacht moet zijn voor schoonmaak en dat verpakkingsmaterialen en rommel moeten worden verwijderd omdat muizen zich daarin kunnen nestelen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van grove schuld.

(iii) Het exoneratiebeding is niet in strijd met artikel 6:248 lid 2 BW
4.15
Tot slot stelt [eiser] dat het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is waardoor Rentokil daar geen beroep op kan doen (op grond van artikel 6:248 lid 2 BW). Volgens [eiser] is Rentokil tekortgeschoten in de kern van haar verbintenis met zeer aanzienlijke schade tot gevolg, waartegen [eiser] zich bovendien niet kon verzekeren. Terwijl Rentokil juist was ingehuurd om die schade te voorkomen.
4.16
Het klopt dat Rentokil geen beroep op het exoneratiebeding kan doen als toepassing van dat beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hiervan is sprake als de schade is te wijten aan opzet of grove schuld (bewuste roekeloosheid). Maar deze maatstaf moet de rechter terughoudend toepassen. Vooral als de wederpartij een professioneel optredende partij is, zoals hier het geval is.
4.17
Het beroep van [eiser] op artikel 6:248 lid 2 slaagt niet. Er is niet gesteld of gebleken dat de schade opzettelijk door Rentokil is veroorzaakt. Van grove schuld (bewuste roekeloosheid) is ook geen sprake zoals hiervoor reeds is overwogen. [eiser] heeft ook geen andere omstandigheden aangevoerd die maken dat een beroep op het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [eiser] een relatief laag bedrag, € 270,33 per kwartaal, voor uitvoering van de serviceovereenkomst betaalde. Anders dan [eiser] heeft gesteld gaat het hier niet om het verwijt dat Rentokil in “de kern van haar verbintenis” tekort zou zijn geschoten. De kern van de verbintenis ziet op de overeengekomen inspecties die Rentokil uitvoert ter voorkoming en bestrijding van muizen. Aan deze afspraken heeft Rentokil uitvoering gegeven. Het gaat hier eerder om de vraag of Rentokil haar zorgplicht heeft geschonden door [eiser] niet (extra) dringend te waarschuwen dat als zij niet de aanbevelingen zou naleven, zoals schoonmaken, het gevaar van een muizenplaag dreigde. Het stond Rentokil daarom vrij om ten aanzien van die verbintenis haar aansprakelijkheid uit te sluiten in een overeenkomst die zij sluit met een andere professionele partij. Het enkele feit dat [eiser] zich niet kon verzekeren tegen de geleden schade is tot slot onvoldoende voor een geslaagd beroep op artikel 6:248 lid 2 BW.

Conclusie: de rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af
4.18
Dit betekent dat Rentokil een beroep kan doen op het exoneratiebeding zoals opgenomen in artikel 10 van haar algemene voorwaarden. Rentokil heeft in dit exoneratiebeding haar aansprakelijkheid voor schade namelijk rechtsgeldig uitgesloten. Doordat opzet of grove schuld niet is komen vast te staan, hoeft Rentokil ook niet een deel van de schade van [eiser] te vergoeden. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] daarom af.

[eiser] moet de proceskosten betalen
4.19
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rentokil worden begroot op:

- griffierecht



6.861,00

- salaris advocaat



6.153,00

(3 punten × € 2.051,00)

- nakosten



189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



13.203,00
4.20
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
<nr>5</nr>De beslissing
De rechtbank
5.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 13.203,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.L. Poort-Gleusteen en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.

EM 5792

Productie 5 bij de dagvaarding

Op grond van artikel 7:401 Burgerlijk Wetboek moet de opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen.

Productie 21 van [eiser]

Hoge Raad, 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:719, rechtsoverweging 3.1.2 en 3.1.3.

Hof Arnhem 3 december 2002, ECLI:NL:GHARN:2002:AQ7056

Gerechtshof Arnhem, 3 december 2002, ECLI:NL:GHARN:2002:AQ7056, rechtsoverweging 2.4.

Gerechtshof Amsterdam 15 april 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:938, rechtsoverweging 5.12.

Gerechtshof Den Haag 26 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:44, rechtsoverweging 9.

Hoge Raad 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5663, rechtsoverweging 3.11.

TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 62 en MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 67-69.

Hoge Raad 15 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1664, rechtsoverweging 3.5.

Artikel delen