Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2026:5080

Gedaagde is overeengekomen om bepaalde werkzaamheden voor een richtprijs uit te voeren. Eisers hebben die werkzaamheden voor hogere kosten uitgevoerd dan de maximale prijs op basis van deze richtprijs. Deze meerkosten krijgen zijn hun ontbindingsschade.

Rechtbank Midden-Nederland 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:5080 text/xml public 2026-08-04T10:52:04 2026-08-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-22 C/16/600019 / HA ZA 25-481 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:5080 text/html public 2026-08-04T10:51:43 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:5080 Rechtbank Midden-Nederland , 22-07-2026 / C/16/600019 / HA ZA 25-481
Gedaagde is overeengekomen om bepaalde werkzaamheden voor een richtprijs uit te voeren. Eisers hebben die werkzaamheden voor hogere kosten uitgevoerd dan de maximale prijs op basis van deze richtprijs. Deze meerkosten krijgen zijn hun ontbindingsschade.
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/600019 / HA ZA 25-481

Vonnis van 22 juli 2026

in de zaak van
<nr>1</nr> [eiser sub 1] ,
te [plaats] ,2. [eiser sub 2],

te [plaats] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ,

advocaat: mr. J. Plat,

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. M.Th. Legger.
<nr>1</nr>De procedure 1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 3 september 2025 met 27 producties,- de conclusie van antwoord met 2 producties,- de akte van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] met 3 producties,

- de mondelinge behandeling van 29 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,

- de spreekaantekeningen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ,

- de spreekaantekeningen van [gedaagde] .
1.2
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.
<nr>2</nr>Kern van de zaak 2.1
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben een woning gekocht en deze laten verbouwen door aannemer [gedaagde] . Voordat [gedaagde] met de werkzaamheden startte, heeft hij een kostenraming gegeven voor de uit te voeren werkzaamheden. [gedaagde] heeft niet alle werkzaamheden die binnen deze kostenraming vielen, uitgevoerd. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben de overeenkomst daarom ontbonden. In deze procedure vorderen zij kort gezegd dat [gedaagde] de schade moet vergoeden die zij door de ontbinding hebben geleden. Dat is volgens hen € 60.551,31. De rechtbank zal een bedrag van € 15.857,31 toewijzen.
<nr>3</nr>De beoordeling
Er is geen consumentenrecht van toepassing
3.1
De rechtbank zal eerst beoordelen of het consumentenrecht van toepassing is. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn consumenten en [gedaagde] is een handelaar. In beginsel is het consumentenrecht dan van toepassing. De rechtbank oordeelt echter dat dat hier niet het geval is. Hier is namelijk sprake van een grondige verbouwing. Deze kan vergeleken worden met het bouwen van een nieuwe woning. Alleen de buitenmuren van het huis zijn namelijk blijven staan. De binnenkant is volledig gestript en teruggebracht tot een kale woning. In dat geval is het consumentenrecht (afdeling 2b van titel 5 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)) niet van toepassing.

Partijen hebben een richtprijs met elkaar afgesproken
3.2
In 2021 hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] een huis gekocht dat volledig verbouwd moest worden. Hiervoor hebben zij [gedaagde] ingeschakeld. De financiering van de verbouwing hebben zij via de bank geregeld. Om deze financiering te krijgen, hadden zij een kostenraming van een aannemer nodig. Deze heeft [gedaagde] aan hen gegeven op 18 juni 2021.
3.3
Partijen verschillen van mening over de vraag hoeveel [gedaagde] vergoed zou moeten krijgen voor zijn werkzaamheden. Volgens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vormt de kostenraming de basis voor de vergoeding aan [gedaagde] . Want deze kostenraming moet gezien worden als een richtprijs. Omdat de kostenraming gezien moet worden als een richtprijs, betekent dat, dat de werkzaamheden die in de kostenraming genoemd worden, voor die prijs gerealiseerd moeten worden. Met dien verstande dat een richtprijs met 10% overschreden mag worden.
3.4
[gedaagde] betwist dat de kostenraming gezien moet worden als een richtprijs. Hij meent namelijk dat de verbouwing heeft plaatsgevonden op basis van een regieovereenkomst. De rechtbank volgt het standpunt van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] en is het met hen eens dat de kostenraming een richtprijs is waaraan [gedaagde] zich verbonden heeft, om de volgende redenen:

Het kenmerk van een richtprijs is dat de gemaakte afspraken voldoende specifiek zijn. In de kostenraming heeft [gedaagde] voor tien verbouwingsposten aangegeven welk bedrag nodig is om deze posten te realiseren. Omdat het niet gaat om één bedrag voor de gehele verbouwing, maar om een opsomming van kosten per verbouwingspost, is dit voldoende specifiek om te spreken van een richtprijs.

[gedaagde] heeft bij het opstellen van de kostenraming veel informatie van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] verkregen. Hij kreeg: (1) een bouwkundig rapport van de woning, (2) een lijst van de taxateur, (3) een plattegrond van de woning, (4) de link naar de Fundapagina van de woning, en (5) een uitgebreide lijst met de uit te voeren werkzaamheden. Als een aannemer dermate veel informatie ontvangt over een woning, dan kan verwacht worden dat hij een voldoende specifieke kostenindicatie kan maken om van een richtprijs te spreken.

[gedaagde] heeft op 11 augustus 2021 de tekeningen van de woning gekregen en hij is op 16 augustus 2021 bij de woning langsgegaan om metingen te doen voor de constructietekeningen. Als uit dat bezoek zou zijn gebleken dat de verbouwing meer zou gaan kosten dan in de eerder gegeven kostenraming was opgenomen, dan had het op de weg van [gedaagde] gelegen om de raming op dat moment aan te passen. Dat heeft hij niet gedaan.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben in hun correspondentie met [gedaagde] vaak naar de financiële stand van zaken gevraagd. Volgens [gedaagde] toont dit aan dat een prijs op nacalculatie is afgesproken. Dit argument houdt geen stand. Als een richtprijs is afgesproken, kan namelijk tegelijkertijd sprake zijn van nacalculatie. Het is ook bij een richtprijs van belang om vast te stellen óf – en met hoeveel – de richtprijs wordt overschreden. Deze vaststelling kan met nacalculatie gedaan worden. Dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vaak naar de financiën vroegen, betekent dus niet dat geen richtprijs is afgesproken.
3.5
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat hij steeds facturen stuurde waarin zowel de gebruikte materialen als de gemaakte manuren gespecificeerd staan. Dit zou er volgens hem op duiden dat een regieovereenkomst is afgesproken. De rechtbank gaat aan dit argument voorbij, omdat bij een regieovereenkomst tegelijkertijd een richtprijs afgesproken kan zijn, zoals hiervoor is overwogen. Dat [gedaagde] op de kostenraming had geschreven: “dit is een kostenraming geen offerte”, maakt dat niet anders. Het klopt inderdaad dat de kostenraming geen offerte is, want dat zou wijzen op een vaste aanneemsom. Het gebruikte woord “kostenraming” duidt daarentegen juist aan dat er een richtprijs is bedoeld. Het geeft namelijk aan dat [gedaagde] nog niet zeker is over de exacte kosten, maar dat hij een schatting heeft gemaakt.
3.6
Tot slot heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat hij de kostenraming snel heeft moeten opstellen en dat hij er daarom niet aan gebonden is. Tussen de vraag van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] om de kostenraming en het moment dat de bank deze nodig had zaten namelijk twee dagen. Daardoor hadden [eiser sub 1] en [eiser sub 2] volgens [gedaagde] moeten begrijpen dat hij niet aan deze prijzen gebonden wilde zijn. Deze betwisting gaat niet op. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben namelijk op basis van de kostenraming hun verdere financiële beslissingen genomen. [gedaagde] wist dit en hij wist hierdoor hoe groot het budget van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ongeveer was. Als twee dagen inderdaad te weinig tijd is om een dergelijk document op te stellen, had [gedaagde] dit niet moeten doen, of de kostenraming alsnog op een later moment aan moeten passen. Dat heeft hij niet gedaan.
3.7
De conclusie is dat de kostenraming gezien moet worden als een richtprijs. [gedaagde] zou de werkzaamheden die hierin genoemd waren uitvoeren voor maximaal de richtprijs plus 10%. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat [gedaagde] ook werkzaamheden heeft uitgevoerd die niet binnen de kostenraming vallen. Deze werkzaamheden zijn zonder vooraf afgesproken prijs uitgevoerd onder een regieovereenkomst.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] mochten de overeenkomst ontbinden
3.8
In oktober 2021 is [gedaagde] gestart met de werkzaamheden. In maart 2022 heeft [gedaagde] het werk neergelegd na een aanvaring met [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , waarna zij de overeenkomst ontbonden hebben. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] mochten de overeenkomst met [gedaagde] ontbinden. Het staat vast dat [gedaagde] niet alle werkzaamheden binnen de kostenraming heeft uitgevoerd. Daardoor is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . Ook is [gedaagde] in verzuim. [gedaagde] heeft in zijn brief van 15 mei 2022 aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] laten weten het werk niet te zullen hervatten. Wanneer een schuldenaar aan zijn schuldeiser laat weten het werk niet te hervatten, dan treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in.
3.9
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hem geen mogelijkheid tot herstel van de gebreken is geboden en wijst daarbij op artikel 7:759 BW. De rechtbank gaat hieraan voorbij, omdat dit artikel niet van toepassing is. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] klagen namelijk niet over de door [gedaagde] opgeleverde werkzaamheden, maar vorderen schadevergoeding als gevolg van de ontbinding. Daarop is artikel 7:759 BW niet van toepassing.

[gedaagde] moet de ontbindingsschade betalen
3.10
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben recht op schadevergoeding voor de schade die door de ontbinding is ontstaan. [gedaagde] heeft niet alle overeengekomen werkzaamheden die onder de richtprijs vallen uitgevoerd. De kosten voor het alsnog uit laten voeren hiervan door een andere aannemer zijn door een deskundige vastgesteld. Deze deskundige is door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ingeschakeld. Zij hebben [gedaagde] uitgenodigd om aanwezig te zijn bij het bezoek van deze deskundige, maar dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Uit het rapport van de deskundige blijkt dat de kosten om de binnen de richtprijs vallende werkzaamheden door een ander uit te laten voeren hoger zullen zijn dan wat [gedaagde] maximaal in rekening had mogen brengen. De richtprijs mag namelijk maximaal met 10% overschreden worden. Als [gedaagde] de werkzaamheden wel had uitgevoerd, dan hadden [eiser sub 1] en [eiser sub 2] daar minder voor betaald dan zij nu hebben gedaan. Dit betekent dat [gedaagde] de schade in principe moet vergoeden, tenzij één van zijn verweren slaagt.
3.11
[gedaagde] voert als verweer aan dat hij niet gebonden is aan de richtprijs, omdat hij tijdig gewaarschuwd zou hebben voor een overschrijding daarvan. Bij een tijdige waarschuwing mag de richtprijs met meer dan 10% overschreden worden. [gedaagde] stelt dat hij [eiser sub 1] en [eiser sub 2] op 2 maart 2022 heeft gewaarschuwd dat € 80.000,- tot € 100.000,- extra nodig was om de verbouwing af te maken. Dit is geen tijdige waarschuwing. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben namelijk in de periode van 29 november 2021 tot en met 9 februari 2022 meerdere keren zelf gevraagd naar de financiële stand van zaken. [gedaagde] heeft vervolgens pas op 2 maart 2022 voor het eerst gewaarschuwd voor de overschrijding van de richtprijs. Dat is niet op tijd. Dit verweer van [gedaagde] slaagt daarom niet.
3.12
[gedaagde] heeft daarnaast een beroep gedaan op de verkorte verjaringstermijn van artikel 7:761 lid 1 BW. In dit artikel staat dat een verjaringstermijn van twee jaar geldt voor vorderingen vanwege een gebrek in het opgeleverde werk. Dit artikel is niet van toepassing, omdat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] schadevergoeding als gevolg van de ontbinding vorderen. Dat is geen vordering op grond van een gebrek in het opgeleverde werk. Daarom slaagt dit verweer niet.
3.13
Verder doet [gedaagde] een beroep op rechtsverwerking. Hij stelt dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] meer dan twee jaar stil hebben gezeten en dat [gedaagde] daarom erop mocht vertrouwen dat de ontbindingsschade niet meer in een procedure gevorderd zou worden. Enkel tijdsverloop is echter onvoldoende voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking. Er moeten bijzondere omstandigheden aangevoerd worden waardoor erop vertrouwd mocht worden dat de vordering niet meer te gelde zou worden gemaakt. Zulke omstandigheden heeft [gedaagde] niet aangevoerd. Ook dit verweer slaagt dus niet. Dat betekent dat [gedaagde] de schade moet vergoeden die [eiser sub 1] en [eiser sub 2] door de ontbinding hebben geleden.

De hoogte van deze schade is € 15.857,31
3.14
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] stellen dat hun schade € 60.551,31 is. Dit bedrag baseren zij op een deskundigenrapport dat zij hebben laten opstellen (productie 23). In dit rapport is geïnventariseerd welke werkzaamheden [gedaagde] binnen en buiten de kostenraming heeft verricht en wat het nog zou kosten om de verbouwing af te maken, eveneens opgesplitst in wat daarvan binnen en buiten de kostenraming valt. De rechtbank oordeelt dat het bedrag dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen onjuist en ongegrond is. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben namelijk de buiten de kostenraming vallende werkzaamheden (die zonder prijsafspraak op regie-basis uitgevoerd werden) bij de schade opgenomen. Dit is onjuist, want partijen zijn alleen overeengekomen dat er een richtprijs was voor de onderdelen die in de kostenraming opgenomen waren. De onderdelen daarbuiten kunnen daarom niet tot de schade worden gerekend. Daarnaast houden zij in hun vordering geen rekening met de mogelijkheid dat [gedaagde] de richtprijs met 10% mag overschrijden. Daarom houdt de berekening van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] geen stand.
3.15
De rechtbank begroot daarom zelf de schade. [gedaagde] had maximaal de richtprijs verhoogd met 10% in rekening mogen brengen. Dat is € 108.540,00 + 10% = € 119.394,00. Alles wat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] boven dit bedrag betaald hebben om de werkzaamheden die binnen de kostenraming vielen te realiseren, is de schade die zij hebben geleden. Wat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] uiteindelijk betaald hebben voor de gehele verbouwing voor zover deze binnen de kostenraming viel is daarom, zoals blijkt uit het deskundigenrapport:

De uitgevoerde werkzaamheden binnen de kostenraming: € 42.095,31

De niet uitgevoerde werkzaamheden binnen de kostenraming: € 60.156,00

De in eigen beheer gekochte spullen binnen de kostenraming: € 33.000,00 +

Totaalprijs voor de verbouwing binnen de kostenraming: € 135.251,31

De schade is het verschil tussen deze twee bedragen: € 135.251,31 - € 119.394,00 = € 15.857,31.
3.16
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben tijdens de mondelinge behandeling verzocht om een akte te nemen over de in het schaderapport genoemde bedragen. Dit verzoek wijst de rechtbank af. Na de mondelinge behandeling worden namelijk alleen nog aktes genomen in twee situaties, die zich beide niet voordoen. Ten eerste wanneer dit nodig is voor het beginsel van hoor en wederhoor. Dat is hier niet aan de orde. Ten tweede wanneer dit nodig is om de juiste feiten op tafel te krijgen. Ook dit is niet van toepassing. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] twijfelen of de deskundige een fout heeft gemaakt bij het vaststellen van de werkzaamheden die [gedaagde] binnen de kostenraming heeft uitgevoerd. Zij hebben namelijk ook enkele zaken die binnen de kostenraming vallen zelf gekocht. Het zou dus kunnen dat de deskundige sommige kostenposten dubbel geteld heeft. De rechtbank gaat daar niet in mee. De vaststelling van de bedragen wordt onderbouwd door twee lijsten met kostenposten. Deze lijsten bevatten geen kostenposten die op beide lijsten staan. De deskundige heeft op dit punt dus geen fout gemaakt. Daarom is een extra schriftelijke ronde niet nodig.
3.17
De rechtbank zal de vordering van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] toewijzen tot € 15.857,31. De wettelijke rente hierover zal worden toegewezen vanaf 12 juli 2022, omdat dit door [gedaagde] niet is betwist.

De verklaring voor recht dat buitengerechtelijk is ontbonden wordt afgewezen
3.18
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen een verklaring voor recht dat zij de overeenkomst met [gedaagde] buitengerechtelijk hebben ontbonden. Deze vordering zal worden afgewezen. Hiervoor is namelijk al vastgesteld dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de overeenkomst met [gedaagde] ontbonden hebben. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben daarom geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht. Zij hebben ook niet gesteld dat zij een ander belang hebben bij deze vordering.

[gedaagde] hoeft de buitengerechtelijke kosten niet te betalen
3.19
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen tot slot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal - worden afgewezen. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben namelijk niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vergoeding vorderen, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.20
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding



144,47

- griffierecht



1.374,00

- salaris advocaat



2.580,00

(2 punten × € 1.290,00)

- nakosten



189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



4.287,47
<nr>4</nr>De beslissing
De rechtbank:
4.1
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] van een schadevergoeding van € 15.857,31, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 12 juli 2022 tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.287,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.

AV(5999)

Artikel 6:230g BW.

Artikel 6:230h lid 2 sub g BW.

Artikel 7:752 lid 2 BW.

Artikel 6:83 sub c BW.

Artikel 6:277 BW.

Artikel 7:752 lid 2 BW.

Artikel 7:752 lid 2 BW.

ECLI:NL:HR:1995:ZC1827.

Artikel 132 lid 2 Rv.

Artikel delen