ECLI:NL:RBMNE:2026:5087text/xmlpublic2026-08-04T13:59:052026-08-02Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Midden-Nederland2026-07-2212078202 MC EXPL 26-551 D/51246UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLAlmereCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:5087text/htmlpublic2026-08-04T13:58:362026-08-04Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBMNE:2026:5087 Rechtbank Midden-Nederland , 22-07-2026 / 12078202 MC EXPL 26-551 D/51246 Loonvordering (deels) afgewezen.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht
kantonrechter locatie Almere Zaaknummer: 12078202 MC EXPL 26-551 D/51246 Vonnis van 22 juli 2026 in de zaak van
[eiser]
,
wonend in [woonplaats] (Zweden),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. P. van der Veld (Beelaard Breetveld Advocaten), tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] en kantoorhoudend in [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M. Çakar (Çakar Advocatuur). 1De procedure1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 januari 2026 met 3 producties;- de conclusie van antwoord met 4 producties;- de conclusie van repliek met wijziging van eis met producties 4 en 5;- de conclusie van dupliek met productie 5. 1.2 De kantonrechter heeft bepaald dat hij schriftelijk uitspraak doet. 2De kern van de zaak2.1
[eiser] was tijdelijk bij [gedaagde] in dienst als baliemedewerkster. De arbeidsovereenkomst is inmiddels geëindigd. [eiser] eist in deze procedure dat [gedaagde] € 516,43 aan brutoloon voor de maand juni 2025 en € 519,66 aan opgebouwde nietgenoten vakantiedagen aan haar moet betalen. [gedaagde] is het daar niet mee eens. Zij voert aan dat [eiser] ontslag heeft genomen, dat [eiser] vanaf medio juni 2025 niet meer beschikbaar was om te werken en dat alle niet-genoten vakantiedagen van [eiser] al zijn uitbetaald. De kantonrechter geeft [gedaagde] op deze punten gelijk en wijst de vorderingen van [eiser] tot betaling van loon over juni en openstaande vakantiedagen af. [eiser] vordert ook de wettelijke verhoging over de te laat uitbetaalde vakantiedagen. De kantonrechter wijst die vordering toe. [gedaagde] moet ook de proceskosten betalen. 3De beoordeling
[eiser] heeft geen recht op het bedrag van € 516,43 aan brutoloon 3.1
[eiser] is van 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025 in dienst geweest bij [gedaagde] . In de arbeidsovereenkomst staat een arbeidsomvang van 8 uur per maand, maar partijen zijn het erover eens dat dit niet klopt en dat [eiser] feitelijk structureel meer heeft gewerkt. Volgens [eiser] is de gemiddelde arbeidsomvang 115,10 uur per maand en volgens [gedaagde] 87,87 uur of anders 103,91 uur per maand. De kantonrechter laat deze discussie verder in het midden. [gedaagde] hoeft [eiser] namelijk geen loon meer te betalen. De kantonrechter legt dit hierna verder uit. 3.2 In de maand juni 2025 heeft [eiser] zes dagen gewerkt. Die dagen heeft [eiser] uitbetaald gekregen. [gedaagde] heeft de gewerkte uren bij de eindafrekening per ongeluk nog een keer uitbetaald, waardoor [eiser] voor de maand juni 2025 in totaal 80 uur aan loon heeft ontvangen. Volgens [eiser] heeft zij nog recht op € 514,43 aan achterstallig brutoloon. [gedaagde] vindt dat [eiser] geen recht heeft op dit bedrag. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] zelf eind mei 2025 ontslag genomen en was [eiser] na haar laatste werkdag op 15 juni 2025 niet meer beschikbaar, omdat zij in die periode naar Zweden is verhuisd. 3.3 De kantonrechter laat in het midden of [eiser] de arbeidsovereenkomst zelf heeft opgezegd of dat de arbeidsovereenkomst op aangeven van [gedaagde] niet is verlengd. Vast staat namelijk dat de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2025 is geëindigd.. Op grond van artikel 7:628 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is [gedaagde] verplicht het loon te betalen als [eiser] de overeengekomen arbeid niet volledig heeft verricht, tenzij het niet volledig verrichten van de arbeid in redelijkheid voor rekening van [eiser] moet komen. De kantonrechter vindt dat in dit geval sprake is van die uitzondering. [eiser] heeft voor het laatst gewerkt op 15 juni 2025. Daarna is zij naar Zweden verhuisd. Zij was dus niet meer beschikbaar tot 1 juli 2025, de einddatum van de arbeidsovereenkomst. Volgens [eiser] is zij niet meer ingeroosterd omdat [gedaagde] haar contract niet zou verlengen. De kantonrechter volgt dit standpunt van [eiser] niet. [eiser] zegt namelijk zelf in haar conclusie van repliek dat zij heeft geprobeerd om in de tweede en derde week van de maand juni 2025 vakantiedagen op te nemen, dat er geen vakantiedagen zijn ingezet en dat zij in plaats daarvan niet is ingeroosterd. Daar blijkt uit dat [eiser] voor een deel van de maand juni 2025 niet beschikbaar was en dat zij daarom niet heeft gewerkt. Dat ligt in de risicosfeer van [eiser] . In die situatie heeft [eiser] geen recht op doorbetaling van het loon. Daarom wijst de kantonrechter de vordering tot betaling van loon over juni 2025 (€ 516,43 bruto) met daarover de wettelijke verhoging en de wettelijke rente af. Niet gebleken is dat [eiser] nog openstaande vakantiedagen heeft 3.4
[gedaagde] heeft [eiser] € 830,10 bruto betaald voor opgebouwde nietgenoten vakantiedagen. Dit bedrag is gebaseerd op 59,04 vakantieuren. Dat blijkt uit de eindafrekening die [gedaagde] heeft ingediend. Volgens [eiser] moet [gedaagde] haar nog € 519,66 aan vakantiedagen uitbetalen. Zij stelt dat zij tijdens haar dienstverband recht had op twaalf vakantiedagen en dat zij geen vakantiedagen heeft opgenomen. [gedaagde] betwist dat er na de eindafrekening nog vakantiedagen openstaan, maar heeft ook niet uitgelegd hoe zij tot die berekening is gekomen. De kantonrechter kan dan ook niet vaststellen of [eiser] naast de al uitbetaalde vakantiedagen, nog recht had op een aanvullende betaling aan vakantiedagen. Die vraag kan in dit geval ook onbeantwoord blijven, omdat vast staat dat [eiser] door een fout van [gedaagde] in elk geval ook een brutobedrag van € 562,40 te veel heeft ontvangen. Dat is een hoger bedrag dan wat zij vordert aan vakantiedagen. Voor zover zij nog recht zou hebben gehad op een aanvullende betaling aan vakantiedagen, volstaat het bedrag dat al (te veel) is betaald. De vordering tot betaling van een aanvullend bedrag van € 519,66 aan vakantiedagen met daarover de wettelijke verhoging en de wettelijke rente wordt dus afgewezen.
[gedaagde] moet de wettelijke verhoging over de uitbetaalde vakantiedagen met rente betalen 3.5
[eiser] vordert dat [gedaagde] de wettelijke verhoging moet betalen over het bedrag van € 1.341,82 op de eindafrekening. Dit bedrag is onder andere gebaseerd op: € 562,40 aan brutoloon voor de maand juni 2025; € 830,10 aan uitbetaalde vakantiedagen.
[gedaagde] hoeft de wettelijke verhoging over het bedrag van € 562,40 niet te betalen, omdat dit het brutoloon is dat [gedaagde] per ongeluk extra heeft betaald (zie rechtsoverweging 3.2). [gedaagde] moet wel de wettelijke verhoging over het bedrag van € 830,10 betalen. [gedaagde] heeft dit bedrag namelijk te laat – pas op 2 maart 2026, ver na het verstrijken van de termijn van één maand na het einde van de arbeidsovereenkomst – aan [eiser] betaald. De kantonrechter matigt de wettelijke verhoging tot 20%. Daarbij houdt de kantonrechter rekening met de omstandigheid dat [gedaagde] de vakantiedagen in eerste instantie niet lijkt te hebben uitbetaald door een administratieve fout en dat de wettelijke verhoging bedoeld is als een prikkel om het loon tijdig te betalen. Het dienstverband is al geëindigd en het volledige loon is betaald, waardoor een prikkel tot tijdige betaling niet meer aan de orde is. 3.6
[eiser] vordert de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de wettelijke verhoging. De kantonrechter wijst de wettelijke rente toe vanaf 2 februari 2026 (de datum waarop de dagvaarding is ingediend), omdat [gedaagde] op die dag in verzuim is geraakt. [eiser] heeft [gedaagde] weliswaar op 29 december 2025 een brief gestuurd (waarover later meer), maar die brief kwalificeert wat de wettelijke verhoging betreft niet als een ingebrekestelling. [eiser] sommeert [gedaagde] in de brief namelijk niet om de wettelijke verhoging binnen een bepaalde, redelijke termijn te betalen.
[eiser] vordert geen aanzegvergoeding (meer) 3.7 Uit de dagvaarding lijkt te volgen dat [eiser] de aanzegvergoeding vordert. In haar conclusie van repliek met wijziging van eis heeft [eiser] duidelijk gemaakt dat zij in deze procedure geen aanspraak maakt op de aanzegvergoeding. De kantonrechter hoeft hier dus geen beslissing over te nemen.
[gedaagde] moet € 150,67 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen 3.8
[eiser] vordert € 842,41 aan buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter moet deze vordering beoordelen op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Zij heeft [gedaagde] op 29 december 2025 een brief gestuurd waarin zij [gedaagde] sommeert om onder andere de openstaande vakantiedagen te betalen. Volgens [gedaagde] heeft zij die brief niet ontvangen. Dit standpunt kan [gedaagde] niet helpen. [eiser] heeft een verzendbewijs ingediend, waaruit blijkt dat de brief aangetekend is verzonden naar het adres Grote Markt 25 in Almere. Volgens [gedaagde] is het juiste huisnummer 25-27, maar [eiser] stelt daartegenover dat er een bezorgpoging is gedaan en dat de brief niet als onbestelbaar retour is gekomen. Dit blijkt ook uit ‘track & trace’gegevens op de website van PostNL, waarvan [eiser] schermafbeeldingen heeft ingediend. De barcode op die schermafbeeldingen komt overeen met de barcode op het verzendbewijs van de brief. Uit de gegevens blijkt dat de bezorgpoging niet is gelukt en dat de brief daarna is afgeleverd bij een PostNL-punt, waar de brief veertien dagen heeft gelegen. [gedaagde] heeft de brief in die periode niet opgehaald. Dat zij de brief niet heeft ontvangen, komt daarom voor haar rekening en risico. Dat betekent dat [gedaagde] buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] moet betalen. Het gevorderde bedrag van € 842,41 is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter berekent de buitengerechtelijke incassokosten alleen over het bedrag aan te laat uitbetaalde vakantiedagen en niet ook over de wettelijke verhoging, omdat [gedaagde] op 29 december 2025 nog niet in verzuim was met betaling van de wettelijke verhoging. De kantonrechter wijst in overeenstemming met het Besluit € 150,67 aan buitengerechtelijke incassokosten toe.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen 3.9
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat [eiser] genoodzaakt is geweest om [gedaagde] te dagvaarden om de eindafrekening en de betaling daarvan te ontvangen. Dat [gedaagde] voor een groot deel in het gelijk is gesteld maakt dat niet anders. Voor het tarief salaris gemachtigde sluit de kantonrechter aan bij de hoogte van het toegewezen bedrag. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, hoeft [gedaagde] de explootkosten en betekeningskosten niet te betalen. De kantonrechter begroot de proceskosten van [eiser] op: - griffierecht € 93,00 - salaris gemachtigde € 174,00 (2 punten × € 87,00) - nakosten € 43,50 Totaal € 310,50 4De beslissing De kantonrechter: 4.1 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
I. de gemaximeerde wettelijke verhoging van 20% over het brutobedrag van € 830,10 aan opgebouwde niet-genoten vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag aan wettelijke verhoging vanaf 2 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;
II. € 150,67 aan buitengerechtelijke incassokosten; 4.2 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 310,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; 4.3 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 4.4 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.