Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2026:5094

Afwijzing vordering op grond van onrechtmatige daad en ongerechtvaardijgde verrijking.

Rechtbank Midden-Nederland 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:5094 text/xml public 2026-08-04T13:21:04 2026-08-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-22 C/16/606801 / HL ZA 26-41 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Lelystad Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:5094 text/html public 2026-08-04T13:20:22 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:5094 Rechtbank Midden-Nederland , 22-07-2026 / C/16/606801 / HL ZA 26-41
Afwijzing vordering op grond van onrechtmatige daad en ongerechtvaardijgde verrijking.
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

Zaaknummer: C/16/606801 / HL ZA 26-41

Vonnis van 22 juli 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. W.H. Boomstra,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. J. Zoutberg.
<nr>1</nr>De procedure 1.1
De volgende stukken zitten in het procesdossier:

- de dagvaarding met 3 producties; - de conclusie van antwoord met 9 producties;

- de door [eiser] nagezonden 9 producties.
1.2
Op 29 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] en [gedaagde] zijn allebei verschenen met hun advocaten. De advocaten hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Deze zijn aan het procesdossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de rechter bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.
<nr>2</nr>De kern van de zaak 2.1
[eiser] heeft met [gedaagde] een affectieve relatie gehad. In de periode van 2017 tot en met 2023 heeft [eiser] kinderopvangtoeslag op zijn bankrekening ontvangen. De Belastingdienst/Dienst Toeslagen (hierna te noemen: de “Belastingdienst”) vordert een bedrag van € 50.445,00 aan kinderopvangtoeslag terug van [eiser] , omdat hij daar geen recht op heeft gehad. [eiser] meent dat [gedaagde] het gehele bedrag aan teruggevorderde toeslagen aan hem moet vergoeden, omdat de kinderopvangtoeslag zonder zijn toestemming en medeweten door [gedaagde] op zijn naam zou zijn aangevraagd. [gedaagde] zou daarmee onrechtmatig tegenover [eiser] hebben gehandeld, dan wel ongerechtvaardigd zijn verrijkt ten koste van hem. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] . De rechtbank oordeelt dat er geen reden is om een schadevergoeding toe te kennen en wijst de vorderingen van [eiser] af.
<nr>3</nr>De beoordeling
[gedaagde] is niet aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad
3.1
Van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan sprake zijn wanneer zou komen vast te staan dat [gedaagde] zonder toestemming en medeweten van [eiser] de kinderopvangtoeslag op zijn naam zou hebben aangevraagd. Daar is in dit geval geen sprake van. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom.
3.2
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] allereerst erkend dat hij al na de eerste uitbetaling van de kinderopvangtoeslag in 2017 bekend is geraakt met de aanvraag van de toeslag door [gedaagde] . [eiser] heeft vanaf dat moment namelijk de ontvangen toeslag gezien en naar eigen zeggen ook zelf vanaf enig moment (deels) doorgestort naar [gedaagde] . [eiser] heeft hierover nog gezegd dat hij geen verstand van zaken had van deze toeslagen en erop vertrouwde dat hij er (dus) recht op zou hebben. [gedaagde] zou dat laatste aan [eiser] hebben gezegd.
3.3
[eiser] wist dus van meet af aan dat er kinderopvangtoeslag op zijn naam was aangevraagd en hij heeft niet gecontroleerd of hij daar recht op had. Hij heeft naar eigen zeggen zelfs geen (aanvullende) controle gedaan nadat het kind van partijen na enkele maanden in 2017 niet meer naar de kinderopvang ging. Door nu na een terugvordering van de Belastingdienst naar [gedaagde] te wijzen door te stellen dat hij erop heeft vertrouwd dat zij al dan niet wist of ze daar recht op hadden, miskent [eiser] dat hij een eigen verantwoordelijkheid heeft om zijn aanvragen en opgaven bij de Belastingdienst te controleren. De rechtbank heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling gevraagd naar zijn eigen verantwoordelijkheid, en hier heeft hij geen bevredigende verklaring of antwoord op gegeven.
3.4
Dit wordt niet anders doordat [gedaagde] in de periode van 11 oktober 2023 tot 7 november 2023 herhaaldelijk heeft ingelogd op het DigiD-account van [eiser] . Dat [eiser] al in 2017 bekend was met de aanvraag van de kinderopvangtoeslag en [gedaagde] in 2023 nog meermaals heeft kunnen inloggen op zijn DigiD-account met zijn gebruikersnaam, wachtwoord en haar eigen telefoonnummer maakt het aannemelijk dat het gebruikelijk was tussen partijen dat [gedaagde] inlogde op de DigiD-account van [eiser] en dat [eiser] daarvoor (kennelijk) zijn toestemming verleende. Als dat niet het geval was, lag het immers voor de hand dat [eiser] de pogingen van [gedaagde] om toegang tot zijn DigiD-account te krijgen na de aanvraag van de kinderopvangtoeslag in 2017 zou blokkeren. Dat [eiser] dat heeft gedaan of zelfs heeft geprobeerd is door hem niet gesteld en anderszins ook niet gebleken.
3.5
[eiser] heeft verder nog verwezen naar een e-mail van [gedaagde] van 28 augustus 2024, waarin [gedaagde] lijkt te erkennen dat zij (een deel van) de schuld op zich neemt voor het ontvangen bedrag aan kinderopvangtoeslag:

“Ik had brief gestuurd naar de belastingdienst, maar zou je hem nog een keer willen posten voor mij?

Zodat we zeker weten dat hij aankomt.”

Daaronder heeft [gedaagde] – voor zover van belang – de volgende inhoud geciteerd uit een brief:

“Op maandag 26 augustus 2024, heb ik telefonisch contact gehad met (...) de afdeling Toeslagen.

Kirsten heb ik het verhaal uitgelegd dat ik onterecht toeslagen heb aangevraagd op de naam van toen mijn partner [eiser] (...)

Het gaat om de volgende toeslagen:

[nummer]

Het gaat om een bedrag van samen: 40.398€

Ik [gedaagde] geboren [geboortedatum] 1982, wil graag verklaren dat zij de volledige schuld op haar neemt. Ik heb bewust toeslagen aangevraagd op de naam van mijn ex partner

En ik zal het bedrag volledig terugbetalen, de schuld moet dus ook op mijn naam komen te staan en niet op de naam van [eiser] .”
3.6
De rechtbank hecht aan voornoemde e-mail van 28 augustus 2024 echter geen waarde. [gedaagde] heeft over deze e-mail namelijk gesteld dat [eiser] haar tijdens hun relatie heeft mishandeld, bedreigd en geterroriseerd. [gedaagde] heeft hiervoor verwezen naar een proces-verbaal van haar aangifte van een bedreiging die op 26 augustus 2024 zou hebben plaatsgevonden. [eiser] is uiteindelijk voor deze bedreiging veroordeeld. Ook heeft [gedaagde] verwezen naar een afschrift van Whatsapp-correspondentie met de zus van [eiser] , waarin de zus van [eiser] op 26 augustus 2024 een bericht doorstuurt aan [gedaagde] met – voor zover van belang – de volgende inhoud:

“Als ze me vandaag niet belt Dan betekent dat ze nog steeds niks met de belastingdienst heeft geregeld Ze moet hem contacteren en bekennen wat ze heeft gedaan Ik Heb ze gesproken Ze heeft nog niks geregeld Als ze dat niet doet ben ik bereid de gevangenis in te gaan Maar dan regel ik het meteen met haar en haar moeder Dan heeft die moeder nog niks ergs meegemaakt”

Dit doorgestuurde bericht is (onweersproken) afkomstig van [eiser] . Tot slot heeft [gedaagde] verwezen naar een verklaring van een maatschappelijk werker, waarin staat dat [gedaagde] per 27 september 2024, samen met haar dochter, in een opvang voor slachtoffers van huiselijk geweld heeft gewoond.
3.7
Op basis van het voorgaande acht de rechtbank het aannemelijk dat de verklaring van [gedaagde] , zoals weergegeven onder randnummer 3.5. van dit vonnis, na het uitoefenen van een zekere mate van druk door [eiser] (en de complexe relatiesituatie waarin [gedaagde] zich destijds bevond) is afgelegd. De datum waarop de zus van [eiser] het betreffende Whatsapp-bericht aan [gedaagde] heeft doorgestuurd en de door [eiser] gepleegde bedreiging, zijn immers van dezelfde datum als de (schuld-)verklaring van [gedaagde] aan de Belastingdienst. Het spreekt voor zich dat dit alles sterk afdoet aan het gewicht van de verklaring, waardoor de rechtbank hier geen waarde aan hecht.
3.8
De rechtbank komt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] zonder toestemming en medeweten van [eiser] de kinderopvangtoeslag op zijn naam heeft aangevraagd. Dit betekent dat van de gestelde onrechtmatige daad geen sprake is. [eiser] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat [gedaagde] op enige andere wijze onrechtmatig heeft gehandeld tegenover hem. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat [gedaagde] geen betalingsverplichting heeft tegenover [eiser] op grond van onrechtmatige daad.

[gedaagde] is niet aansprakelijk op grond van ongerechtvaardigde verrijking
3.9
[eiser] voert ook aan dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt doordat zij op zijn naam kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en vervolgens de ontvangen toeslagen heeft gebruikt. Een dergelijke vordering zou kunnen slagen indien [eiser] aantoont (i) dat [gedaagde] ten koste van hem is verrijkt en (ii) dat hiervoor geen redelijke oorzaak (of rechtvaardiging) aanwezig was. Volgens [eiser] is de hoogte van de verrijking van [gedaagde] gelijk aan de hoogte van zijn verarming, waarbij [eiser] ter onderbouwing van zijn standpunt slechts verwijst naar de hoogte van de terugvordering door de Belastingdienst.
3.10
[gedaagde] heeft aangevoerd dat de kinderopvangtoeslag in de periode van 2017 tot 2021 (voor een deel) is verrekend met een eigen schuld van [eiser] . Ook heeft zij aangevoerd dat vanaf 2021 een totaalbedrag van € 22.766,00 aan kinderopvangtoeslag is ontvangen, waarvan [eiser] zelf een bedrag van € 3.199,00 heeft ingehouden en € 19.567,00 aan [gedaagde] heeft doorgestort. Met haar deel zouden partijen huishoudelijke lasten, waaronder energiekosten, telefoonrekeningen, boodschappen en schulden van [eiser] hebben voldaan. [gedaagde] heeft hiervoor verwezen naar een overzicht van haar bankrekening in de periode 20 februari 2021 tot en met 30 november 2023.
3.11
Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat [eiser] op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt welke bedragen door hem zijn doorgestort. Hierdoor is niet komen vast te staan dat [gedaagde] ten koste van hem is verrijkt. Ten aanzien van het bedrag van € 19.567,00 (waarvan [gedaagde] heeft erkend dat zij dat van [eiser] heeft ontvangen in de periode 2021 tot en met 2023), geldt dat met de uitleg van [gedaagde] en het overzicht van haar bankrekening aannemelijk is geworden dat dit bedrag (grotendeels) is besteed aan de huishoudelijke lasten van partijen. Voor dit bedrag heeft [gedaagde] dus ook nog een aannemelijke rechtvaardiging gegeven. Dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] een deel van voornoemd bedrag zou moeten terugbetalen aan [eiser] en, zo ja, hoeveel, is niet gesteld of gebleken. Voor zover er al sprake is van een verrijking aan de zijde van [gedaagde] , is deze verrijking, in lijn met wat partijen over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, niet ongerechtvaardigd.
3.12
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat [gedaagde] geen betalingsverplichting heeft tegenover [eiser] op grond van ongerechtvaardigde verrijking.

de proceskosten worden gecompenseerd
3.13
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
<nr>4</nr>De beslissing
De rechtbank
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.

5932

Productie 2 bij dagvaarding.

Productie 4 bij conclusie van antwoord.

Productie 7 bij conclusie van antwoord.

Productie 5 bij conclusie van antwoord.

Productie 1 conclusie van antwoord.

Artikel delen