Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2026:5100

Ontbinding arbeidsovereenkomst afgewezen. Geen disfunctioneren (ontbreken verbeterplan en oo goede beoordelingen 2024/25). Geen verstoorde arbeidsrelatie. Plaatsing in andere functie onterecht.

Rechtbank Midden-Nederland 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:5100 text/xml public 2026-08-06T09:29:25 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-23 12238791 ME VERZ 26-66 BW 31650 Uitspraak Beschikking NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:5100 text/html public 2026-08-06T09:28:39 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:5100 Rechtbank Midden-Nederland , 23-07-2026 / 12238791 ME VERZ 26-66 BW 31650
Ontbinding arbeidsovereenkomst afgewezen. Geen disfunctioneren (ontbreken verbeterplan en oo goede beoordelingen 2024/25). Geen verstoorde arbeidsrelatie. Plaatsing in andere functie onterecht.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer / rekestnummer: 12238791 ME VERZ 26-66 BW 31650

Beschikking van 23 juli 2026

in de zaak van

[verzoeker] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

verzoekende partij,

verwerende partij in de tegenverzoeken,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

gemachtigde: mr. J.W. Stam,

tegen

[verweerder] ,

wonende in [woonplaats] ,

verwerende partij,

verzoekende partij in de tegenverzoeken,

hierna te noemen: [verweerder] ,

gemachtigde: mr. E. Bosscher.
<nr>1</nr>De procedure 1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met 34 producties (ingekomen op 21 mei 2026),

- het verweerschrift met tegenverzoeken met 25 producties,

- de aanvullende producties 35-41 van [verzoeker] ,

- de aanvullende productie van [verweerder]
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juli 2026. Namens [verzoeker] zijn mevrouw [A] (Manager) en mevrouw [B] (HR)

verschenen, bijgestaan door mr. Stam. [verweerder] is verschenen, bijgestaan door mr. Bosscher. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is tijdens de zitting. Beide gemachtigden hebben de standpunten nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het procesdossier toegevoegd.
1.3
Tijdens de mondelinge behandeling is bepaald dat uiterlijk op 30 juli 2026 uitspraak zal worden gedaan.
<nr>2</nr>De kern van de zaak 2.1
[verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1972, is sinds 1 maart 2006 in dienst bij [verzoeker] . De functie van [verweerder] is Senior Service Manager met een loon van € 7.076,00 bruto per maand exclusief overige emolumenten.

[verzoeker] zegt dat [verweerder] onvoldoende functioneert en dat hij daarom niet meer in zijn eigen functie op zijn eigen afdeling kan blijven werken, maar zijn werkzaamheden moet voortzetten op de afdeling Professional Services. Omdat [verweerder] dat heeft geweigerd, vindt [verzoeker] dat van haar niet meer verwacht kan worden de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voort te zetten.

[verzoeker] verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden op verschillende gronden. De kantonrechter ziet daar geen grond voor. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
<nr>3</nr>De beoordeling 3.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
3.2
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
3.3
De redelijke gronden worden weergegeven in artikel 7:669, lid 3, onderdelen c tot en met h BW. [verzoeker] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van:- ongeschiktheid tot het verrichten van de bedongen arbeid (d-grond),

- een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond),

- andere omstandigheden (h-grond),- een combinatie van omstandigheden genoemd in deze gronden (i-grond).

Er is geen opzegverbod van toepassing 3.4 Voordat de kantonrechter kan beoordelen of sprake is van een redelijke grond voor ontbinding, zal hij eerst toetsen of een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of enig ander opzegverbod geldt. Dit is niet het geval.
3.5
De kantonrechter oordeelt dat er geen redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.

De arbeidsovereenkomst zal niet worden ontbonden

Er is geen voldragen d-grond
3.6
[verzoeker] vraagt primair om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens ongeschiktheid van [verweerder] tot het verrichten van de werkzaamheden (disfunctioneren). Op basis van de stukken en het besprokene tijdens de zitting komt de kantonrechter tot de conclusie dat niet is voldaan aan de vereisten die nodig zijn om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens disfunctioneren.
3.7
De kantonrechter kan op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbinden als blijkt van disfunctioneren van de werknemer. Daarvoor is (onder meer) vereist dat de werkgever de werknemer in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren en dat de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer. Het opzetten van een verbetertraject is een vereiste om succesvol een beroep te kunnen doen op de ontbindingsgrond disfunctioneren. Dat volgt onder meer uit het Ecofys-arrest van de Hoge Raad. De Hoge Raad schrijft niet een eenduidig traject voor dat gevolgd moet worden. Welke hulp, ondersteuning en begeleiding in een concreet geval van de werkgever mag worden verwacht hangt af van de omstandigheden van het geval. Wel blijkt duidelijk uit deze uitspraak van de Hoge Raad dat de werkgever de werknemer serieus en reëel de gelegenheid tot verbetering moet hebben geboden.
3.8
De vraag is of [verweerder] een daadwerkelijke kans heeft gekregen om zijn functioneren te verbeteren. In dat kader zal eerst worden besproken wanneer [verweerder] is aangesproken op zijn functioneren en wat vervolgens door [verzoeker] gedaan is om het functioneren te verbeteren.
3.9
[verzoeker] benoemt in haar verzoekschrift concreet vier punten waar het disfunctioneren van [verweerder] uit zou bestaan. Dat zijn:

a. Houding en communicatie,

b. Analytisch vermogen,

c. Tegenvallende beoordeling door betrokken klanten,

d. Achterblijvende facturatie bij klanten.
3.10
[verweerder] wijst er terecht op dat uit de beoordelingsverslagen over de jaren 2022 tot en met 2025 niet blijkt dat sprake is van onvoldoende functioneren. Uit de beoordelingsverslagen over die jaren volgt een overall goede beoordeling van het functioneren van [verweerder] .

Houding en communicatie is voor [verweerder] een verbeterpunt
3.11
Wel komt in de beoordelingen vanaf 2024 een aandachtspunt naar voren met betrekking tot “communicatie en samenwerking”. Daarover komt in het beoordelingsverslag naar voren dat [verweerder] moet proberen de dingen binnen de organisatie meer voor elkaar te krijgen vanuit kennis, kunde en overtuigingskracht en niet door dingen te doen omdat hij het er niet mee eens is. Dit punt wordt wel als voldoende beoordeeld.

In het beoordelingsverslag van februari 2025 wordt de “communicatie en samenwerking” ook als voldoende beoordeeld. Daarbij wordt echter wel vermeld: “Er zijn diverse gesprekken geweest over de wijze van communiceren. Harde woorden in de mail, zaken daarmee op scherp stellen. Dit ging even beter, maar helaas weer aan de orde geweest. Van een Senior in het team verwachten we dat je hier anders mee omgaat. We hebben hierover onlangs een goed gesprek gehad. Ik ga er vanuit dat dit niet meer aan de orde zal zijn nu. (…)”

Dat dit de aandacht behoefde en [verzoeker] daarin een verandering van [verweerder] verwacht blijkt wel duidelijk uit de e-mail van 24 februari 2025 aan [verweerder] . Daarin wordt aan [verweerder] gevraagd extra te letten op zijn communicatie, waarbij voorbeelden zijn genoemd en waarin is bevestigd dat [verweerder] i) let op een respectvolle en professionele toon in zijn (schriftelijke) communicatie en ii) dat [verweerder] voortaan complexe vraagstukken mondeling of telefonisch bespreekt.

De overgelegde e-mails van [verweerder] waarin hij zich op een harde en soms dwingende en/of negatieve toon richt tot [verzoeker] illustreren dat [verweerder] verbetering moet laten zien als het gaat om communicatie en samenwerking. Daarover is ook meerdere keren gesproken met [verweerder] .
3.12
De conclusie die hieruit volgt is dat [verweerder] zijn manier van communicatie moest aanpassen. [verzoeker] heeft dit aandachtspunt (desondanks) in februari 2025 wel als “voldoende” beoordeeld, maar tegelijkertijd daarbij in de toelichting in het verslag en de e-mail duidelijk gemaakt dat echt een andere manier van communiceren door [verweerder] wordt verwacht.
3.13
De kantonrechter gaat er vanuit dat [verzoeker] ook heeft bedoeld om de verontruste signalen van een klant waar [verweerder] werkzaam was, te scharen onder het aspect “Houding en communicatie”.
3.14
[verzoeker] wijst erop dat zij op 1 oktober 2025 een e-mail van een klant waar [verweerder] werkzaam is in kopie heeft ontvangen, waarin de klant grote zorgen uit over de dienstverlening van [verzoeker] . Naar aanleiding van die e-mail heeft [A] (de voormalig leidinggevende van [verweerder] ) contact opgenomen met deze klant. Tijdens dit telefoongesprek heeft de klant volgens [verzoeker] gezegd dat [verweerder] heeft aangegeven dat hij niet meer weet hoe hij de rode cijfers bij de klant moet oplossen en dat bij meerdere klanten van [verzoeker] problemen zouden spelen. Richting de klant zou [verweerder] ook hebben aangegeven dat dit komt doordat de “competence centers” waar [verzoeker] mee werkt niet zouden functioneren. Tot slot zou [verweerder] er bij de klant op hebben aangestuurd hierover een klacht in te dienen bij zijn directeur of bij de CEO van [verzoeker] . [verzoeker] zegt ook dat de klant heeft aangegeven [verweerder] niet langer als Service Manager te willen. [verweerder] betwist deels de inhoud van het gesprek dat hij heeft gehad met de betreffende klant, maar wijst er ook op dat de voorgeschiedenis hier van belang is. De betreffende klant heeft op 21 november 2024 [verzoeker] namelijk in gebreke gesteld, omdat de dienstverlening door [verzoeker] niet in lijn was met de tussen partijen gesloten overeenkomst. Dat heeft de klant destijds gedaan omdat het reguliere team van [verzoeker] niet in staat was om de dienstverlening op peil te houden. [verzoeker] heeft toen een escalatieteam ingezet met het doel dat de dienstverlening per eind juni 2025 weer op orde moest zijn. [verweerder] heeft in een e-mail van 12 juni 2025 geconcludeerd dat de extra inspanningen ertoe hebben geleid dat de dienstverlening is verbeterd, maar dat nog niet alles onder controle is en dat bij het wegvallen van het escalatieteam een terugval dreigt. Al kort daarna zijn er bij de betreffende klant weer indicatoren in het rood gekomen en is de conclusie van [verweerder] dat dit weer nieuwe risico’s oplevert. Op het moment dat de cijfers bij deze klant tot en met september 2025 bekend zijn, heeft [verweerder] een interne mail gestuurd waarin hij aangeeft dat direct ingrijpen noodzakelijk is. Daar wordt vervolgens niet of onvoldoende mee gedaan en dat heeft tot de e-mail van 1 oktober 2025 van de klant geleid.
3.15
De kantonrechter is het met [verweerder] eens dat deze omstandigheden relevant zijn voor de totstandkoming van de e-mail van 1oktober 2025. Zowel de klant als [verweerder] hebben aangegeven dat ingrijpen noodzakelijk was.

Gelet op de voorgeschiedenis met deze klant, vindt de kantonrechter het wel voorstelbaar dat [verweerder] de klant heeft aangeraden een klacht in te dienen, omdat kennelijk op reguliere wijze onvoldoende resultaat werd behaald. Desondanks had [verweerder] geen interne aangelegenheden moeten delen met de klant en mag [verzoeker] van [verweerder] verwachten daarover niet met de klant te communiceren. Dat de klant zou hebben aangegeven dat zij niet meer verder zou willen samenwerken met [verweerder] blijkt nergens uit. Dat [verweerder] geen verantwoordelijkheid zou hebben genomen voor de bij deze klant ontstane situatie, zoals [verzoeker] ook nog zegt, blijkt evenmin.

Het analytisch vermogen van [verweerder] is als uitstekend beoordeeld
3.16
[verzoeker] zegt dat het analytisch vermogen van [verweerder] onvoldoende zou zijn. Dat is beslist niet te herleiden tot de inhoud van de beoordelingsverslagen van 2024 en 2025, waaruit juist blijkt dat het analytisch vermogen van [verweerder] als uitstekend wordt beoordeeld. Dat hiervoor verbetering nodig zou zijn blijkt dus nergens uit.

De tegenvallende beoordelingen van betrokken klanten zeggen niet zoveel over het functioneren van [verweerder]
3.17
[verzoeker] wijst er verder op dat omstreeks oktober 2025 een klant waar [verweerder] werkzaam voor is de dienstverlening van [verzoeker] met het rapportcijfer 3 heeft beoordeeld en dat dit ook zou bevestigen dat [verweerder] onvoldoende functioneert. [verweerder] wijst erop dat die beoordeling ziet op de volledige dienstverlening van [verzoeker] en dat binnen [verzoeker] ook is afgesproken dat een Service Manager nooit mag worden afgerekend op het cijfer van een klantbeoordeling. Dat laatste heeft [verzoeker] niet weersproken.

[verweerder] benoemt daarnaast dat er een aantal factoren zijn die invloed hebben gehad op de beoordeling van deze klant die in elk geval buiten zijn invloedssfeer lagen. Zo had deze klant 400 laptops via [verzoeker] geleverd gekregen die niet goed bleken te werken en dat valt onder de verantwoordelijkheid van de afdeling Products. Ook heeft deze klant in de beoordeling opgemerkt: “Stop met het werken in competence centers. Dit heeft gezorgd voor een grotere afstand tussen klant en [verzoeker] en vertroebelt het overzicht.” De beslissing om met competence centers te werken behoort evenmin tot de verantwoordelijkheid van [verweerder] . De kantonrechter is het met [verweerder] eens dat uit deze klantbeoordeling niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat [verweerder] onvoldoende functioneert of (alleen) verantwoordelijk zou zijn voor deze negatieve beoordeling van de klant.

Dat ook andere klanten van [verweerder] een lagere beoordeling dan gemiddeld hebben gegeven, kan uiteraard aanleiding zijn voor [verzoeker] om daarover in gesprek te gaan met [verweerder] , maar is op zichzelf geen factor waarop [verweerder] op zijn functioneren beoordeeld kan worden. Dat komt, zoals gezegd, doordat de beoordelingen van klanten van veel meer factoren afhankelijk zijn dan van het werk van [verweerder] . Dat [verzoeker] hierover het gesprek is aangegaan is niet gebleken.

De achterblijvende facturatie is een aandachtspunt
3.18
Tot slot heeft [verzoeker] aan het disfunctioneren ten grondslag gelegd dat bij [verweerder] sprake is van achterblijvende facturatie.

Dat is op zichzelf juist, maar [verweerder] is daar nooit zodanig op aangesproken dat duidelijk voor hem had moeten zijn dat de facturatie dringende aandacht behoeft. In de beoordeling van 2024 wordt opgemerkt dat [verweerder] moet zorgen dat de administratieve kant van de werkzaamheden ook de juiste aandacht krijgt en deze taken ook tijdig worden opgepakt (waaronder facturatie).

In het beoordelingsverslag van februari 2025 wordt benoemd dat [verweerder] “een beetje achterloopt met facturatie”, maar daarover worden geen afspraken gemaakt of consequenties aan verbonden.

[verzoeker] zegt nog dat [verweerder] op het achterblijven van facturatie in oktober 2025 nogmaals is aangesproken en verwijst daarbij naar een e-mail van 3 oktober 2023. Daarin wordt enkel verzocht facturatie in orde te maken voor drie verschillende klanten. Dat [verweerder] in oktober 2025 expliciet is aangesproken op het niet tijdig factureren, blijkt daar niet uit. Dat de (tijdige) facturatie een aandachtspunt is voor [verweerder] erkent [verweerder] zelf ook, maar dat dit een essentieel verbeterpunt is met evaluatiemomenten, is niet gebleken.
3.19
Gelet op bovenstaande resteert het aandachtspunt in het functioneren van [verweerder] op het gebied van communicatie en samenwerking.

Hoewel [verzoeker] de communicatie en samenwerking in de beoordeling van februari 2025 niet als onvoldoende heeft beoordeeld, maakt dat nog niet dat [verzoeker] geen verbetering mag verwachten van [verweerder] . In de toelichting bij de beoordeling en in de e-mail van 24 februari 2025 staat wel duidelijk vermeld dat van [verweerder] echt wordt verwacht dat een dergelijke manier van communiceren niet meer voorkomt en zijn afspraken gemaakt over de wijze van communiceren. Dan geldt echter wel dat [verzoeker] een serieuze kans moet geven aan [verweerder] om zich daarin te verbeteren.

[verzoeker] heeft [verweerder] geen verbeterkans gegeven
3.20
De vervolgvraag is of [verzoeker] [verweerder] een daadwerkelijke verbeterkans heeft gegeven. Dat is niet het geval.

Op 16 oktober 2025 heeft [verzoeker] (plotseling) aan [verweerder] meegedeeld dat hij zijn werkzaamheden niet meer voor zijn eigen afdeling en klanten kan voortzetten, maar in een ander team (Professional Services) zal worden geplaatst. De directe aanleiding daarvoor zijn de hiervoor beschreven incidenten (de onrust bij een klant en de slechte beoordeling van een andere klant) met klanten van [verweerder] .

[verzoeker] vindt dat zij daarom alle reden had om [verweerder] niet meer aan het werk te laten op zijn eigen afdeling en klanten. Dat is de kantonrechter niet met [verzoeker] eens, omdat [verweerder] weliswaar anders had kunnen handelen waar het gaat om het delen van interne informatie met een klant, maar er verder aan [verweerder] geen verwijt kan worden gemaakt van de ontstane situatie bij deze klant. Evenmin is duidelijk geworden dat de slechte klantbeoordeling voortkomt uit het functioneren van [verweerder] . Dat de klanten niet meer zouden willen samenwerken met [verweerder] blijkt ook nergens uit.
3.21
[verzoeker] zegt dat zij [verweerder] een verbeterkans heeft aangeboden in de functie van Service Manager op de afdeling Professional Services. Dat [verzoeker] een verbetertraject heeft aangeboden betwist [verweerder] en hij wijst erop dat er geen verbeterplan aan hem is voorgelegd. De kantonrechter stelt ook vast dat in het gespreksverslag van het gesprek van 16 oktober 2025 niets wordt gezegd over een verbetertraject, maar uitsluitend over het werken op de Professional Services en het monitoren van die werkzaamheden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] gezegd dat er geen concreet verbeterplan is voorgelegd aan [verweerder] , doordat [verweerder] verdere gesprekken over het werken op deze andere afdeling heeft geweigerd. Hoewel de kantonrechter het met [verzoeker] eens is dat van een werknemer in beginsel mag worden verwacht dat hij ingaat op een gespreksuitnodiging van zijn werkgever, is het hier wel voorstelbaar dat [verweerder] nadat duidelijk was dat [verzoeker] bij haar beslissing bleef hem niet op zijn eigen afdeling terug te laten keren, dit heeft afgehouden. [verzoeker] had na de weigering dit nadere gesprek aan te gaan overigens ook per e-mail een uitgewerkt voorstel en verbeterplan aan [verweerder] kunnen voorleggen.
3.22
Vast staat dat [verzoeker] [verweerder] geen verbeterkans heeft aangeboden in zijn eigen functie op zijn eigen afdeling en dat had wel van [verzoeker] mogen worden verwacht.

Volgens [verzoeker] is de functie van Service Manager bij de Professional Services dezelfde functie, maar daarvan heeft [verzoeker] de kantonrechter niet kunnen overtuigen.

[verzoeker] zegt dat de functie op de detacheringsafdeling hetzelfde is als de functie die [verweerder] tot voor kort uitoefende en wijst daarbij op het door haar overgelegde functieprofiel.

[verweerder] zegt dat de functie van Service Manager in de detachering vergelijkbaar is met de inzet van een uitzendkracht, waarbij de Service Manager zich in die functie moet proberen te verkopen bij de klant waar hij vervolgens werkzaam is. De tijdsduur van die opdrachten kan variëren en de opdracht kan overal in het land zijn. Het werken in die functie voor Professional Services wordt volgens [verweerder] gekenmerkt door het meer kortstondige werk bij een klant. In de huidige functie van [verweerder] gaat het juist om langdurige opdrachten voor een aantal klanten, waarbij de werkzaamheden doorgaans niet op locatie plaatsvinden, maar op het kantoor van [verzoeker] worden verricht. Ook zijn de taken, verantwoordelijkheden, rapportages en doelen wezenlijk anders bij een functie in de detachering.

[verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling geen nadere verduidelijking gegeven over waarom de functies hetzelfde zijn volgens haar, althans niet anders dan de verwijzing naar het functieprofiel.

Daar komt bij dat zelfs als de functie op de afdeling Professional Services wel vergelijkbaar zou zijn, er niet is gebleken van een noodzaak om [verweerder] over te plaatsen naar een andere afdeling. De beslissing van [verzoeker] om [verweerder] voor een voldongen feit te plaatsen dat hij alleen op een andere afdeling zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten, is naar het oordeel van de kantonrechter dus niet in redelijkheid genomen. [verzoeker] heeft daarbij een wezenlijke stap overgeslagen: namelijk een verbeterkans in de bedongen arbeid op de eigen afdeling.
3.23
Aan de vereisten van de d-grond is dus niet voldaan, zodat de ontbinding op die grond zal worden afgewezen. [verzoeker] zal [verweerder] dus een verbeterkans moeten geven in zijn eigen functie en op zijn eigen afdeling.

Er is geen voldragen g-grond
3.24
[verzoeker] heeft subsidiair gevraagd de arbeidsovereenkomst te ontbinden, wegens een verstoorde arbeidsrelatie. Dat verzoek wordt ook afgewezen. Om tot ontbinding te kunnen komen op de g-grond is vereist dat niet alleen sprake is van een ernstige verstoring van de arbeidsrelatie, maar ook van een duurzame verstoring.
3.25
De verstoring in de arbeidsrelatie hangt naadloos samen met het feit dat [verzoeker] [verweerder] niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren in zijn eigen functie op zijn eigen afdeling voort te zetten en te verbeteren. Dit had [verzoeker] wel moeten doen. Hoewel het voorstelbaar is dat in de arbeidsrelatie spanningen zijn opgetreden door de patstelling die is ontstaan door het fundamentele meningsverschil over de functie binnen Professional Services, is geen sprake van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Daar komt nog bij dat per 1 augustus 2025 [verweerder] een nieuwe leidinggevende (de heer [D] ) heeft gekregen. Dat tussen [verweerder] en [D] een verstoorde arbeidsrelatie bestaat blijkt in elk geval nergens uit.
3.26
Aan de vereisten van de g-grond is dus ook niet voldaan, zodat de ontbinding op die grond zal worden afgewezen.

Ook van een voldragen h- of i-grond is geen sprake
3.27
[verzoeker] heeft tot slot ook ontbinding gevraagd wegens andere omstandigheden (h-grond) en wegens een combinatie van disfunctioneren, een verstoorde arbeidsrelatie en andere omstandigheden (i-grond). Om tot ontbinding te komen op de h-grond moet sprake zijn van andere omstandigheden (dan de gronden onder a tot en met g) die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Tijdens de zitting heeft [verzoeker] gezegd dat hiervan sprake is, omdat [verweerder] niet openstaat voor werkzaamheden op een andere afdeling. Daardoor is volgens [verzoeker] sprake van een zinloos (leeg) dienstverband.

Van belang is hier dat geen sprake is van een voldragen d-grond en/of g-grond en dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de h-grond niet bedoeld is om onvoldragen ontslaggronden te repareren. [verweerder] weigert volgens [verzoeker] onterecht om zijn werk op een andere afdeling voort te zetten, maar zoals hiervoor is geoordeeld had [verzoeker] die eenzijdige beslissing niet mogen nemen. [verzoeker] had [verweerder] in de gelegenheid moeten stellen om zijn functioneren te verbeteren op zijn eigen afdeling. Dat [verweerder] al een tijdje geen werkzaamheden meer verricht komt volledig voor rekening en risico van [verzoeker] en is beslist geen reden om tot ontbinding op de h-grond te komen. Van een voldragen h-grond kan dus geen sprake zijn.
3.28
Ook van een voldragen i-grond is geen sprake. [verzoeker] heeft niet kunnen uitleggen waarom een combinatie van disfunctioneren, een verstoorde arbeidsrelatie en overige omstandigheden maken dat van haar niet verwacht kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Van [verzoeker] mag worden verwacht dat zij alsnog een adequaat verbetertraject inzet voor de eigen functie van [verweerder] binnen zijn eigen afdeling ten aanzien van communicatie en samenwerking en dat zij zo nodig de vermeende verstoorde arbeidsverhouding probeert te herstellen.
3.29
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden ontbonden en dat [verzoeker] [verweerder] in de gelegenheid moet stellen (tot een daadwerkelijke verbeterkans) om zijn werkzaamheden binnen zijn eigen afdeling te hervatten.

[verzoeker] moet de proceskosten betalen
3.30
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

in de tegenverzoeken van [verweerder]

[verzoeker] moet de advocaatkosten van [verweerder] voorafgaand aan deze procedure betalen
3.31
[verweerder] heeft verzocht om [verzoeker] in de werkelijk gemaakte buitengerechtelijke incassokosten te veroordelen. [verzoeker] zegt dat daarvoor geen enkele grondslag bestaat, omdat de maatstaf daarvoor bijzonder hoog ligt en die maatstaf in deze zaak niet is bereikt. [verzoeker] maakt dit verder niet concreet, maar lijkt hier te doelen op de maatstaf dat voor vergoeding van daadwerkelijke proceskosten enkel aanleiding kan bestaan bij misbruik van procesrecht. [verweerder] vraagt echter niet om vergoeding van zijn volledige proceskosten, maar om toekenning van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de buitengerechtelijke kosten toewijsbaar zijn, omdat [verzoeker] in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld door [verweerder] niet meer toe te laten tot (een verbeterkans in) zijn functie op zijn eigen afdeling. De kosten waarvan [verweerder] veroordeling vraagt zien op de periode voorafgaand aan deze procedure, tot en met de afronding van het mediationtraject. Deze kosten staan los van de daadwerkelijke procedurekosten en zijn toewijsbaar op grond van artikel 6:96 BW in combinatie met artikel 7:611 BW. [verweerder] heeft immers juridische bijstand moeten inschakelen om, voorafgaand aan onderhavige procedure, verweer te voeren tegen de beslissing van [verzoeker] hem niet in zijn eigen functie aan het werk te laten. Daarvan zijn ook bewijsstukken overgelegd.

De kantonrechter zal daarom de advocaatkosten ten bedrage van € 14.339,48 (inclusief BTW), toewijzen als buitengerechtelijke kosten. Dat bedrag heeft [verzoeker] verder ook niet weersproken.

De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Autokostenvergoeding
3.32
[verweerder] vraagt verder om toekenning een maandelijks bedrag aan mobiliteitskosten, omdat [verzoeker] in strijd met haar arbeidsvoorwaardenregeling de auto van de zaak heeft ingenomen. [verweerder] zegt dat hij daardoor schade heeft geleden, maar laat na om dat concreet te maken en benoemt niet waar die schade uit bestaat. Dat de autokosten zijn te duiden als looncomponent volgt de kantonrechter niet. [verweerder] heeft niet uitgelegd waarom dat hier zo zou zijn. Deze vergoeding hangt namelijk samen met de aanspraak op en bezit van een lease-auto. Voor toekenning van een mobiliteitsvergoeding gedurende de maanden dat [verweerder] geen beschikking heeft gehad over de auto, ziet de kantonrechter dan ook geen aanleiding. Niet valt in te zien waarom [verweerder] tijdens de langdurige periode waarin hij geen werkzaamheden heeft verricht voor [verzoeker] en dus ook geen autokosten heeft hoeven maken, nog aanspraak zou kunnen maken op een mobiliteitsvergoeding. Dat heeft [verweerder] niet duidelijk kunnen maken.

Voor een aanvullende proceskostenveroordeling is geen aanleiding
3.33
De proceskosten in het zelfstandig tegenverzoek worden aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil, omdat het tegenverzoek geen noemenswaardige extra werkzaamheden met zich mee heeft gebracht.
<nr>4</nr>De beslissing
De kantonrechter:

in het verzoek van [verzoeker]
4.1
wijst de verzoeken af,
4.2
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend en de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
4.3
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

in de tegenverzoeken
4.4
veroordeelt [verzoeker] om binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe aan [verweerder] te betalen de buitengerechtelijke incassokosten van € 14.339,48 bruto inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente als deze kosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van [verweerder] , tot vandaag begroot op nihil,
4.6
wijst het meer of anders verzochte af,
4.7
verklaart de veroordeling onder 4.4. uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.

Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

Artikel 7:669 lid 1 BW.

Hoge Raad, 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:933.

Artikel delen