Kort geding, verstek, vordering tot ontruiming toegewezen. Huurovereenkomst is door huurders opgezegd, maar zij hebben de woning niet verlaten. Verblijven zonder recht of titel in de woning.
Rechtbank Midden-Nederland 6 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:5101
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-08-2026
Datum publicatie
06-08-2026
Zaaknummer
12277818 UV EXPL 26-152 LvdH/1470
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
ECLI:NL:RBMNE:2026:5101text/xmlpublic2026-08-06T10:11:252026-08-03Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Midden-Nederland2026-07-2312277818 UV EXPL 26-152 LvdH/1470UitspraakKort gedingNLUtrechtCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:5101text/htmlpublic2026-08-06T10:10:432026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBMNE:2026:5101 Rechtbank Midden-Nederland , 23-07-2026 / 12277818 UV EXPL 26-152 LvdH/1470 Kort geding, verstek, vordering tot ontruiming toegewezen. Huurovereenkomst is door huurders opgezegd, maar zij hebben de woning niet verlaten. Verblijven zonder recht of titel in de woning.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht
kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: 12277818 UV EXPL 26-152 LvdH/1470 Kort geding verstekvonnis van 23 juli 2026 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , wonend in [woonplaats] ,
2. [eiser sub 2],
wonend in [woonplaats] ,
3. [eiser sub 3], wonend in [woonplaats] ,,
verder ook gezamenlijk te noemen [eisers c.s.] ,
eisende partijen,
gemachtigde: mr. M. van Lith, tegen: 1 [gedaagde sub 1] , zonder bekende woon- of verblijfplaats,
2. [gedaagde sub 2],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
verder ook te noemen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .
gedaagde partijen,
niet verschenen. 1De procedure1.1 De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- een dagvaarding met producties 1 tot en met 16;
- de aanvullende producties 17 tot en met 19. 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij zijn de heer [eiser sub 1] en de heer [eiser sub 3] verschenen. Zij werden bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] waren niet aanwezig. 1.3 De kantonrechter heeft bepaald dat er vandaag een vonnis komt. 2De kern van de zaak
[eisers c.s.] hebben de woning aan de [adres] in [plaats] (verder: de woning) met ingang van 1 februari 2026 verhuurd aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Zij hebben hiervoor een huurovereenkomst gesloten. De huurprijs van de woning bedroeg € 6.950,00 per maand. De huur voor februari 2026 hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betaald. Daarna hebben zij geen huur meer betaald. Bij brief van 16 april 2026 hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de huur opgezegd per 31 mei 2026. Deze opzegging is door de gemachtigde van [eisers c.s.] aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bevestigd. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de woning na 31 mei 2026 niet verlaten.
In deze procedure vorderen [eisers c.s.] ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand. Deze vorderingen wijst de kantonrechter toe. 3De beoordeling Verstek 3.1 Ondanks dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] volgens de bij de wet bepaalde termijnen en formaliteiten zijn gedagvaard, zijn zij niet verschenen. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter via de griffie van de rechtbank een bericht van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ontvangen dat zowel zij als hun advocaat niet op de mondelinge behandeling kunnen verschijnen. Zij hebben verzocht om aanhouding van de mondelinge behandeling. De kantonrechter heeft hierop dus niet voor de mondelinge behandeling kunnen beslissen. Maar ook als de kantonrechter het bericht op tijd had ontvangen, was de mondelinge behandeling niet aangehouden. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben namelijk voldoende gelegenheid gehad om eerder dan een avond voor de mondelinge behandeling om aanhouding te vragen. Al op 18 juni 2026 heeft de gemachtigde van [eisers c.s.] [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] per e-mail de (concept) dagvaarding en de datum en het tijdstip van de mondelinge behandeling toegestuurd. Ook op 7 juli 2026 heeft de gemachtigde van [eisers c.s.] de betekende dagvaarding per e-mail aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verzonden. In die e-mail is nogmaals melding gemaakt van de datum en het tijdstip van de mondelinge behandeling. Pas op 15 juli 2026 om 18.03 uur hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het verzoek om aanhouding van de mondelinge behandeling naar de rechtbank gestuurd. Een bericht dat de kantonrechter dus niet meer op tijd heeft bereikt. De kantonrechter heeft daarom verstek verleend tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Spoedeisend belang 3.2 De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [eisers c.s.] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is, omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] momenteel zonder recht of titel gebruik maken van de woning. [eisers c.s.] hoeft deze inbreuk op haar eigendomsrecht niet nog langer te accepteren. Daarnaast blijft ook de huurachterstand oplopen. Ontruiming van de woning 3.3 Vast staat dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de huurovereenkomst per 31 mei 2026 hebben opgezegd en dat deze opzegging ook aan hen is bevestigd door de gemachtigde van [eisers c.s.] . [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] maken daarom op dit moment zonder recht of titel gebruik van de woning. De vordering tot ontruiming komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt toegewezen. Betaling van verschillende geldbedragen 3.4
[eisers c.s.] vorderen betaling door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van een bedrag van
€ 23.349,68. Dit bedrag bestaat uit € 23.350,00 aan huurachterstand, € 136,69 aan verschuldigde rente tot en met 16 juni 2026, € 1.183,99 aan buitengerechtelijke incassokosten, € 1.629,00 aan kosten voor de levering van energie en een gebruiksvergoeding van € 6.950,00 voor de maand juni 2026. Op deze bedragen hebben [eisers c.s.] een bedrag van € 6.900,00 in mindering gebracht. Dat bedrag is de helft van de waarborgsom die [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bij het aangaan van de huurovereenkomst hebben betaald. 3.5 De vordering tot betaling van het bedrag van € 23.349,68 komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze vordering wordt toegewezen. 3.6
[eisers c.s.] vorderen ook betaling door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van een bedrag van
€ 7.493,00 (€ 6.950,00 voor het gebruik van de woning en € 543,00 als voorschotbedrag voor de nutsvoorzieningen in de woning) per maand vanaf 1 juli 2026 tot het moment dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de woning hebben ontruimd en verlaten. Ook deze vordering wordt toegewezen. Proceskosten 3.7
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers c.s.] worden begroot op:
- dagvaarding € 303,88
- griffierecht € 93,00
- salaris gemachtigde € 577,00 (1 punt x tarief € 577,00)
- nakosten € 144,00
Totaal € 1.117,88 3.8 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4De beslissing De kantonrechter, rechtdoende in kort geding: 4.1 veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, voor zover die aan hen toebehoren en niet aan [eisers c.s.] , en om deze woning met afgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van [eisers c.s.] te stellen; 4.2 veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, om aan [eisers c.s.] te betalen
€ 23.349,68, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 20.350,00 vanaf 17 juni 2026 tot het moment van volledige betaling; 4.3 veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de één betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, een bedrag van € 7.493,00 per maand vanaf 1 juli 2026 tot het moment dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de woning volledig hebben ontruimd; 4.4 veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de één betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, in de proceskosten van € 1.117,88, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook de kosten van betekening betalen; 4.5 veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de één betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 4.6 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026. Dat betekent dat de beslissingen moeten worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissingen gelden in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.