Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2026:5104

Mondelinge uitspraak in kort geding. Opschorten verkoop en levering strookje grond afgewezen.

Rechtbank Midden-Nederland 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:5104 text/xml public 2026-08-06T10:23:25 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-23 C/16/613500 / KG ZA 26-379 Uitspraak Kort geding Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:5104 text/html public 2026-08-06T10:22:39 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:5104 Rechtbank Midden-Nederland , 23-07-2026 / C/16/613500 / KG ZA 26-379
Mondelinge uitspraak in kort geding. Opschorten verkoop en levering strookje grond afgewezen.
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/613500 / KG ZA 26-379

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 23 juli 2026

in de zaak van
<nr>1</nr> [eiser sub 1] ,
te [plaats] ,2. [eiser sub 2],

te [plaats] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eisers c.s.] ,

advocaat: mr. C.G. Mensink en mr. P.H.A. Mulder,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. D.D. Senders.

Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.

De zaak wordt behandeld door mr. R.A. Steenbergen, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Braam als griffier.

Aanwezig zijn:

- mevrouw [eiser sub 2]

- de heer [eiser sub 1]

- mr. P.H.A. Mulder, advocaat van [eisers c.s.]

- de heer [A] , statutair bestuurder van [gedaagde]

- mr. D.D. Senders, advocaat van [gedaagde] .

Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.
<nr>1</nr>Waar gaat de zaak over? 1.1
[eisers c.s.] (eigenaar [adres 1] ) en [gedaagde] (eigenaar [adres 2] ) hebben een meningsverschil over wie van hen eigenaar is van een strookje grond. Dit strookje bevindt zich ter hoogte van de lengterichting van hun aangrenzende percelen en is circa 15,30 meter lang. De breedte ervan beloopt aan het begin van het strookje circa 15 centimeter en aan het einde ervan circa 78 centimeter.
1.2
Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in een tussen hen gevoerde procedure geoordeeld dat dit strookje grond (dat oorspronkelijk behoorde tot het erf van [adres 1] ) door bevrijdende verjaring eigendom van [gedaagde] is geworden. Die uitspraak is onherroepelijk.
1.3
[eisers c.s.] legt zich hier niet bij neer. Zij stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] het strookje grond onrechtmatig in bezit heeft genomen of dat onrechtmatig bezit heeft voortgezet toen de rechtsvoorganger van [eisers c.s.] , [B ] ., nog eigenaar was van de [adres 1] . [gedaagde] heeft volgens [eisers c.s.] daarom onrechtmatig gehandeld jegens [B ] ., die daardoor een vordering heeft op [gedaagde] . Die vordering, aldus [eisers c.s.] , strekt tot schadevergoeding door [gedaagde] in de vorm van teruglevering van het strookje grond door [gedaagde] aan [B ] .
1.4
[eisers c.s.] heeft een bodemprocedure tegen [B ] . aangespannen waarin zij (onder meer) eist dat [B ] . wordt veroordeeld die schadevergoedingsvordering op [gedaagde] aan [eisers c.s.] te cederen. Het doel is dat [eisers c.s.] vervolgens (indien nodig via een procedure tegen [gedaagde] ) die vordering zelf tegenover [gedaagde] geldend kan maken en zo zelf het strookje grond krijgt geleverd. Die procedure tegen [B ] . loopt thans bij deze rechtbank.
1.5
Op dit moment staat [adres 2] te koop of is het al verkocht. Als [gedaagde] daar geen eigenaar meer van is, kan zij het strookje grond ook niet aan [eisers c.s.] leveren als [eisers c.s.] in de procedure tegen [B ] . (en in de mogelijk opvolgende procedure tegen [gedaagde] ) gelijk zou krijgen.
1.6
Daarom vordert [eisers c.s.] in dit kort geding:

- dat [gedaagde] het strookje grond niet mag verkopen en niet mag leveren zolang er niet onherroepelijk is beslist over levering van de grond aan [eisers c.s.] , op straffe van een hoge dwangsom

of

- dat [gedaagde] het strookje grond alleen mag verkopen als de koper van het geschil over de eigendom op de hoogte wordt gebracht en er in de koopovereenkomst en leveringsakte is geregeld dat de grond aan [eisers c.s.] moet worden geleverd door de koper of een derde nadat een rechter onherroepelijk heeft geoordeeld dat de grond naar [eisers c.s.] moet, op straffe van een hoge dwangsom.
<nr>2</nr>De beoordeling 2.1
De vorderingen van [eisers c.s.] kunnen alleen worden toegewezen als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter [eisers c.s.] gelijk gaat geven in de procedure tussen haar en [B ] . (en in de eventuele opvolgende procedure tegen [gedaagde] ).
2.2
Dat dat gebeurt, is niet aannemelijk, omdat het hof (aan de hand van een rapport van een door [gedaagde] ingeschakelde deskundige en op grond van getuigenverklaringen) heeft geoordeeld dat de bevrijdende verjaring met zekerheid is voltooid in 2010, maar waarschijnlijk al voor 1990, in welk jaar [B ] . eigenaar werd [adres 1] . Het is immers, aldus het hof, aannemelijk dat de inbezitneming van het strookje grond door de toenmalige eigenaar van [adres 2] plaatsvond tussen 1900 en 1940. [eisers c.s.] heeft tegenover het verweer van [gedaagde] in dit geding (dat aansluit bij het oordeel van het hof) niet voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om in dit geding de slotsom te rechtvaardigen dat de verjaring (in weerwil van het waarschijnlijkheidsoordeel van het hof) in of ná 1990 is voltooid, te weten in de periode waarin [B ] . eigenaar was van [adres 1] . Daarom is in dit kort geding niet voldoende aannemelijk dat [B ] . het bedoelde schadevorderingsrecht op [gedaagde] heeft. Dus is er ook geen grond haar te verplichten die vordering aan [eisers c.s.] te cederen en hoeft [gedaagde] met een dergelijke cessie ook geen rekening te houden.
2.3
Daarbij is nog daargelaten of een dergelijke vordering, zo [B ] . die zou hebben, wel een vordering zou zijn op [gedaagde] , die pas op 1 juni 2007 eigenaar is geworden van [adres 2] en of een dergelijke vordering niet al verjaard is.
2.4
Een belangenafweging maakt dit niet anders. [eisers c.s.] vindt het krijgen van het strookje grond heel belangrijk, maar dat zet het juridische oordeel in dit geval niet opzij.
2.5
[eisers c.s.] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen. Die proceskosten worden begroot op:

- griffierecht



735,00

- salaris advocaat



1.177,00

- nakosten



189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



2.101,00
2.6
De kostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
<nr>3</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter
3.1
wijst de vorderingen van [eisers c.s.] af,
3.2
veroordeelt [eisers c.s.] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers c.s.] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.

“4.9. Het hof merkt ten overvloede op dat het hof het aannemelijk acht dat de betonnen schutting geplaatst is tussen 1900 en 1940, dat de inbezitname in die periode heeft plaats gevonden en dat de verjaring dus al ruim vóór 1990 voltooid was.”

Artikel delen