Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2026:5121

Staking rechtmatig, artikel 6 lid 4 ESH, artikel G ESH.

Rechtbank Midden-Nederland 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:5121 text/xml public 2026-08-06T10:42:25 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-24 C/16/614480 / KG ZA 26-429 Uitspraak Kort geding NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:5121 text/html public 2026-08-06T10:41:29 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:5121 Rechtbank Midden-Nederland , 24-07-2026 / C/16/614480 / KG ZA 26-429
Staking rechtmatig, artikel 6 lid 4 ESH, artikel G ESH.
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/614480 / KG ZA 26-429

Vonnis in kort geding van 24 juli 2026

in de zaak van

LANTOR B.V.,

gevestigd te Veenendaal,

eisende partij,

hierna te noemen: Lantor,

advocaten: mr. D. Beljon en mr. N.J. Kaalberg,

tegen
<nr>1</nr>FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING (FNV),
gevestigd te Utrecht,2. CNV,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: FNV en CNV,

advocaat: mr. R. van der Stege.
<nr>1</nr>De procedure 1.1
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:

- de dagvaarding van Lantor van 10 juli 2026 met producties,

- de e-mail van FNV en CNV van 10 juli 2026, - de pleitnota van Lantor, en

- een brief van FNV aan Lantor van 16 februari 2026, die door FNV en CNV tijdens de mondelinge behandeling in het geding is gebracht.
1.2
Op 10 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling van dit kort geding plaatsgevonden. Voor Lantor zijn haar advocaten verschenen. Namens FNV en CNV zijn verschenen mevrouw [A] ( [functie] ) en mevrouw [B] ( [functie] ). Zij zijn bijgestaan door hun advocaat. Ook mevrouw [C] en mevrouw [D] , [functie] bij FNV, waren bij de mondelinge behandeling aanwezig. Namens Lantor is een pleitnota voorgedragen en namens FNV en CNV is daarop gereageerd. Beide partijen hebben vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Zij hebben ook op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft van het verhandelde ter zitting aantekening gehouden.
1.3
Daarna is partijen dit vonnis in het vooruitzicht gesteld.

2 De kern van de zaak
2.1
FNV en CNV hebben een 48-uurs staking aangekondigd bij Lantor vanaf maandag 13 juli 2026 06.00 uur om Lantor te bewegen tegemoet te komen aan de eisen die de vakbonden stellen aan een af te sluiten sociaal plan. In dit kort geding vordert Lantor onder meer een verbod op deze staking. De voorzieningenrechter wijst de vordering af omdat sprake is van een collectieve actie in de zin van artikel 6 aanhef en onder 4 van het Europees Sociaal Handvest (‘ESH’). Lantor heeft niet aannemelijk gemaakt dat een beperking of uitsluiting van het recht op collectieve actie in dit geval gerechtvaardigd is naar de maatstaf van artikel G ESH.
<nr>3</nr>De beoordeling
Achtergrond van het geschil
3.1
Lantor houdt zich onder meer bezig met het produceren van nonwoven basisvlies waarmee bijvoorbeeld kabelbeschermingstapes worden gemaakt. Daarnaast maakt zij halffabricaten die zij levert aan haar klanten. Lantor heeft een fabriek in Veenendaal en een magazijn in Ede. Bij Lantor zijn ongeveer 60 werknemers in dienst.
3.2
FNV en CNV zijn vakbonden en vertegenwoordigen de belangen van hun leden. Een deel van de werknemers van Lantor, ongeveer 80%, is lid van FNV of CNV.
3.3
Lantor is eind 2025 in onderhandeling getreden met FNV en CNV over een nieuwe ondernemings-cao. Tijdens het onderhandelingstraject over de nieuwe cao hebben FNV en CNV als eis gesteld te kunnen onderhandelen over een nog op te stellen sociaal plan om de gevolgen van een reorganisatie of collectief ontslag op te vangen. De vakbonden hadden namelijk signalen gekregen over een mogelijke overdracht en/of verplaatsing van productie of productiemiddelen. Lantor was aanvankelijk niet bereid om te onderhandelen over een sociaal plan. Met een brief van 16 februari 2026 hebben FNV en CNV aan Lantor bericht met welke eisen Lantor diende in te stemmen. Zij hebben een ultimatum gesteld tot 23 februari 2026 17:00 uur en werkonderbrekingen en stakingen van kortere of langere duur aangekondigd. Lantor heeft de eisen niet voor het verstrijken van de gestelde termijn ingewilligd. Daarna zijn er meerdere georganiseerde kortere stakingen en/of werkonderbrekingen geweest. Daarna heeft Lantor besloten in onderhandeling te treden over een sociaal plan.
3.4
Inmiddels heeft Lantor aangekondigd het magazijn in Ede uiterlijk te sluiten per september 2026. Dit heeft gevolgen voor de arbeidsplaats van zes medewerkers. Daarnaast is aangekondigd dat de snij-activiteiten in Veenendaal op termijn worden verplaatst naar Goch (Duitsland), wat gevolgen heeft voor de arbeidsplaats van nog eens twaalf medewerkers. Wanneer de verplaatsing gaat gebeuren, is nog niet bekend.
3.5
De cao is er gekomen, maar een sociaal plan is (nog) niet ondertekend. De onderhandelingen over een sociaal plan hebben plaatsgevonden op 7 mei, 22 mei, 3 juni, 18 juni, 23 juni, 29 juni, 6 juli en 8 juli 2026.
3.6
Op 8 juli 2026 zijn de onderhandelingen door FNV en CNV beëindigd en zijn collectieve acties aangekondigd. Op 9 juli 2026 is een stakingsoproep uitgegaan voor een 48-uurs staking op maandag 13 juli 2026 vanaf 06.00 uur. Daarbij zijn de leden geïnformeerd over de inhoud van de onderhandelingen. Ook Lantor heeft op 9 juli 2026 een bericht gestuurd naar de werknemers over de inhoud van de onderhandelingen. Vervolgens heeft Lantor in de ochtend van 10 juli 2026 een datum voor dit kort geding gevraagd. De advocaten van Lantor hebben aan de griffie laten weten dat FNV en CNV bereid waren om vrijwillig te verschijnen. De e-mail van FNV en CNV van 10 juli 2026 had de voorzieningenrechter voor de zitting nog niet bereikt.

De vorderingen
3.7
Lantor vordert in deze procedure een verbod voor FNV en CNV om de aangekondigde collectieve acties, die verband houden met de onderhandelingen over een sociaal plan bij Lantor, te organiseren, (doen) uitroepen of ondersteunen, en dat dit verbod blijft gelden gedurende zes maanden. Daarnaast vordert Lantor een bevel dat FNV en CNV aan hun leden moeten communiceren dat zij het verbod moeten naleven. Ook vordert Lantor een bevel dat FNV en CNV op hun communicatiekanalen een rectificatieverklaring plaatsen over de inhoud van de onderhandelingen. Het voorgaande vordert Lantor op straffe van een dwangsom, en met veroordeling van FNV en CNV in de proceskosten van dit kort geding.

Lantor heeft een spoedeisend belang
3.8
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopig voorziening. Voor toewijzing is nodig dat Lantor daarbij een spoedeisend belang heeft. Lantor heeft een spoedeisend belang, want dat volgt uit de aard van haar vorderingen. Het spoedeisend belang van Lantor is door FNV en CNV niet weersproken.

Het toetsingskader
3.9
Artikel 6, aanhef en onder 4 van het ESH geeft werknemers het recht op collectief optreden in geval van belangengeschillen, met inbegrip van het stakingsrecht. Dat recht brengt mee dat een werknemersorganisatie in beginsel vrij is in de keuze van middelen om haar doel te bereiken. Zie het zogenoemde Enerco-arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3077.
3.10
Voor beantwoording van de vraag of een staking (of andere collectieve actie) al dan niet rechtmatig is, moet eerst worden beoordeeld of de actie waar het om gaat onder de reikwijdte van genoemde bepaling valt. Dat is het geval als de actie redelijkerwijs kan bijdragen tot de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Het is aan de organisatoren van een collectieve actie om dit aannemelijk te maken. Indien zij daarin slagen, valt de collectieve actie onder het bereik van artikel 6, aanhef en onder 4 ESH.
3.11
De uitoefening van het recht op collectief optreden kan dan slechts worden beperkt langs de weg van artikel G ESH. Het ligt op de weg van de werkgever, of van een derde, die eist dat de uitoefening van het recht op collectieve actie in het concrete geval wordt beperkt of uitgesloten, om aannemelijk te maken dat deze beperking of uitsluiting naar de maatstaf van artikel G ESH gerechtvaardigd is.
3.12
Op grond van artikel G ESH is beperking of uitsluiting van het recht op collectieve actie slechts gerechtvaardigd indien dat maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is. Bij de beoordeling of sprake is van een beperkingsgrond in de zin van dit artikel dient te worden getoetst aan gezichtspunten die de Hoge Raad in zijn jurisprudentie heeft genoemd. Het gaat dan om de aard en duur van de actie, de verhouding tussen de actie en het daarmee nagestreefde doel, de daardoor veroorzaakte schade aan de belangen van de werkgever of derden, en de aard van die belangen en die schade. Tot de in aanmerking te nemen gezichtspunten behoort ook de vraag of FNV en CNV de zogenoemde ‘spelregels’ heeft nageleefd, die in acht moeten worden genomen bij het uitroepen van een staking. Dit is geen limitatieve opsomming. Zie het Amsta-arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1687.
3.13
Behoudens bijzondere omstandigheden heeft de voorzieningenrechter niet te treden in de beoordeling van de vraag of de ene dan wel de andere partij meer of minder gelijk heeft in het arbeidsconflict dat ten grondslag ligt aan de collectieve actie.

De staking valt onder artikel 6, aanhef en lid 4 van het ESH
3.14
Tussen partijen is niet in geschil dat de aangekondigde collectieve actie bij Lantor valt onder het bereik van artikel 6, aanhef en lid 4 van het ESH. Het gaat in dit geval om een geschil dat is gerezen tijdens onderhandelingen over de inhoud van een sociaal plan, en daarmee over collectieve arbeidsvoorwaarden, in verband met de verhuizing van een deel van de onderneming. FNV en CNV willen een kortdurende staking inzetten als prikkel om te komen tot een onderhandelingsresultaat.

Onderhandelingen over de belangen van achttien werknemers zijn ook collectieve onderhandelingen
3.15
De aangekondigde reorganisatie heeft naar het zich nu laat aanzien gevolgen voor de arbeidsplaatsen van op dit moment zes werknemers in Ede en later mogelijk twaalf werknemers in Veenendaal. Dit aantal blijft vooralsnog onder de drempel van twintig in de zin van de Wet melding collectief ontslag (WMCO). Dit betekent dat Lantor geen wettelijke verplichting heeft om de vakbonden te raadplegen over een sociaal plan. Lantor heeft na een aantal stakingen en/of werkonderbrekingen besloten wel in collectieve onderhandeling te treden over een sociaal plan. Lantor benadrukt dat zij dit vrijwillig heeft gedaan omdat zij op grond van de WMCO daartoe niet verplicht is. Lantor stelt in deze procedure dat FNV en CNV niet mogen staken om hun eisen ten aanzien van een sociaal plan af te dwingen omdat zij op grond van de WMCO ook geen sociaal plan kunnen afdwingen. Die stelling is niet juist. Ook onderhandelingen over belangen van achttien werknemers zijn collectieve onderhandelingen. Indien de vakbond voor haar leden in de onderneming een collectieve regeling wenst, om zo de ongelijkheid in de verhouding tussen werkgever en werknemer te compenseren, hoeft collectief overleg niet te wijken als de WMCO niet van toepassing is. Er is ook geen sprake van een zogenoemd rechtsgeschil dat buiten het collectief overleg over een sociaal plan kan worden opgelost. Daarover bestaat ook geen discussie. Juist en alleen voor belangengeschillen is met artikel 6, aanhef en lid 4 ESH het recht op collectief optreden, met inbegrip van het stakingsrecht, gewaarborgd (behoudens verplichtingen uit hoofde van een eerder gesloten cao). Vakbonden mogen in het kader van collectieve onderhandelingen proberen met stakingsdruk iets af te dwingen dat zij op grond van de WMCO langs juridische weg niet kunnen bereiken. Omdat de aangekondigde actie valt onder het bereik van artikel 6 aanhef en lid 4 ESH moet Lantor de actie dulden als een rechtmatige uitoefening van het in het ESH erkende sociaal grondrecht op collectief onderhandelen.

Er is geen sprake van een beperkingsgrond als bedoeld in artikel G ESH
3.16
Lantor heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de beperking van de staking maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is. De voorzieningenrechter zal dit toelichten.

Vrijwillig overleg of verplicht overleg wordt hetzelfde beoordeeld
3.17
In de jurisprudentie is als één van de ‘spelregels’ genoemd dat de actie een ultimum remedium dient te zijn, waarin ligt besloten dat zij mede dient te worden getoetst aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 28 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4618, NJ 2000/292 (FNV c.s./Douwe Egberts)).
3.18
Lantor stelt dat in dit geval geen sprake is van een ultimum remedium, maar van een oneigenlijke escalatie van een overlegtraject dat uitsluitend door de vrijwillige bereidheid van Lantor is ontstaan. Omdat Lantor niet gehouden was een sociaal plan af te spreken, meent Lantor dat van FNV en CNV een (grote) terughoudendheid mag worden verlangd. Volgens Lantor staat het middel van een staking op bedrijfsniveau niet in redelijke verhouding tot het nagestreefde doel, te weten het afdwingen van een bovenwettelijk sociaal plan voor op dit moment zes werknemers.
3.19
Dat de WMCO in dit geval niet van toepassing is, maakt de beoordeling van de collectieve actie niet anders. Bij een onder de dekking van artikel 6 lid 4 ESH vallende staking moet de voorzieningenrechter ervan uitgaan dat voor de vakbond en haar leden de bij de uitoefening van het betreffende grondrecht betrokken belangen zwaarwegend zijn. Dat van FNV en CNV terughoudendheid mag worden verwacht, omdat sprake is van een vrijwillig overlegtraject, is nergens bepaald. Lantor heeft niet onderbouwd waaruit volgt dat de vakbonden in een dergelijk geval terughoudend dienen te zijn. Als FNV en CNV slechts voor de belangen van een klein groepje werknemers collectief actie willen voeren, zoals Lantor stelt, om een sociaal plan af te dwingen dat voor alle werknemers zal gelden, dan staat dat hen in beginsel vrij. Dat maakt de actie op zichzelf niet disproportioneel. Lantor wil in dit geval niet toegeven aan de (financiële) eisen van de vakbonden voor een klein groepje werknemers omdat zij die onredelijk vindt. En Lantor vindt de schade die zij zal leiden door de aangekondigde actie te groot. De rechter in kort geding is echter niet in de positie om te bepalen wat een redelijke uitkomst van het collectief overleg is. Dat zou een inbreuk zijn op de vrijheid van collectief onderhandelen van sociale partners.

Er bestaat geen verplichting om finaal bod voor te leggen aan de leden
3.20
Lantor stelt ook dat de acties disproportioneel zijn, omdat FNV en CNV het overleg hebben afgebroken zonder het finale bod van Lantor aan hun leden voor te leggen. De staking functioneert daarom volgens Lantor niet als een ultimum remedium maar als escalatietactiek. Lantor heeft echter niet onderbouwd op grond waarvan FNV en CNV verplicht waren het finale bod van Lantor aan de leden voor te leggen. Een dergelijke norm bestaat niet. FNV had op 1 juli 2026 in verband met de naderende zomervakantie, alvast een ledenbijeenkomst gepland op 13 juli 2026 om een eventueel onderhandelingsresultaat te kunnen bespreken. Dat onderhandelingsresultaat is niet bereikt. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de voorwaarden van het sociaal plan. Volgens Lantor ging het slechts nog om de puntjes op de i, maar FNV en CNV denken daar anders over.
3.21
Op 8 juli 2026 waren er nog twee onderwerpen die partijen verdeeld hielden. De vrijwillige vertrekregeling en de maximering van de ontslagvergoeding. Dat er een principeakkoord was bereikt dat aan de leden kon en/of moest worden voorgelegd, is niet gebleken. FNV en CNV hebben ook niet toegezegd om het eindbod van Lantor aan de leden voor te leggen. Lantor is dan ook niet op het verkeerde been gezet. Zij had rekening kunnen houden met collectieve acties, aangezien dat in het ultimatum van 16 februari 2026 al was aangekondigd en daarna al meerdere kortere of langere collectieve acties hebben plaatsgevonden. FNV en CNV mochten ervoor kiezen om de onderhandeling af te breken en actie te gaan voeren zonder eerst het finale bod van Lantor aan de leden voor te leggen. Dit maakt de aangekondigde actie niet disproportioneel.

Onderhandelingsprimaat ligt bij de vakbonden, niet bij de ondernemingsraad
3.22
Verder stelt Lantor dat FNV en CNV geen collectieve actie mogen voeren zolang het adviestraject bij de ondernemingsraad (‘OR’) nog loopt. Op 22 juni 2026 heeft Lantor een adviesaanvraag ingediend bij de OR over een sociaal plan. Volgens Lantor ligt het primaat wat dit onderwerp betreft bij de OR omdat de WMCO niet van toepassing is.
3.23
Dat de WMCO niet van toepassing is, betekent niet dat het onderhandelingsprimaat daarom bij de OR ligt. Er moet een belangenafweging worden gemaakt tussen enerzijds de onderhandelingsvrijheid van de werkgever en de onderhandelingsvrijheid van de werknemers(organisaties) anderzijds. De onderhandelingen bij Lantor gaan over een sociaal plan. Dat is een collectieve regeling over arbeidsvoorwaarden. FNV en CNV vertegenwoordigen 80% van de werknemers van Lantor. De werknemers van Lantor hebben belang bij vertegenwoordiging door een onafhankelijke vakbond in het overleg over hun (primaire) arbeidsvoorwaarden. FNV en CNV zijn onafhankelijke vakbonden. De OR handelt niet alleen in het belang van de werknemers en staat minder vrij en onafhankelijk tegenover de werkgever dan een onafhankelijke vakbond. De OR kan bovendien geen collectieve acties voeren. De belangen van de werknemers wegen in dit geval zwaarder. Het staat Lantor daarom niet vrij om de onderhandelingen met FNV en CNV te weigeren en het overleg alleen nog met de OR te voeren. Zie het TUI-arrest van de Hoge Raad van 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:673.

Onjuiste voorlichting leden is geen reden voor beperking van collectieve actie
3.24
Lantor stelt ook dat de legitimiteit van de actie is aangetast doordat FNV en CNV de leden onjuist hebben voorgelicht over de inhoud van de onderhandelingen. FNV en CNV hebben op 9 juli 2026 de leden geïnformeerd over de breekpunten, namelijk de vrijwillige vertrekregeling en de maximering van de ontslagvergoeding. Partijen hebben een andere visie over hoe de onderhandeling over deze twee onderwerpen is verlopen.
3.25
Het staat vast dat partijen over deze twee onderwerpen (nog) geen overeenstemming hebben bereikt. FNV en CNV wilden namelijk een ontslagvergoeding van 1,5 keer de transitievergoeding bij een vrijwillig vertrek, terwijl Lantor bereid was om 1 keer de transitievergoeding te betalen bij een vrijwillig vertrek. Ook in de maximering van de ontslagvergoeding, zowel bij een gedwongen als vrijwillig vertrek, kunnen partijen elkaar niet vinden. Deze onderwerpen zijn breekpunten gebleken. De vrijwillige vertrekregeling was ook onderdeel van het ultimatum van FNV op 16 februari 2026. Dat partijen hierover geen overeenstemming kunnen bereiken, levert een legitieme reden op voor FNV en CNV om collectieve actie te voeren.
3.26
Dat FNV en CNV in de communicatie naar de leden niet het perspectief van Lantor hebben meegenomen, en de leden mogelijk niet geheel juist en geheel volledig hebben geïnformeerd, maakt nog niet dat de collectieve actie daarom beperkt moet worden. FNV en CNV mogen hun achterban informeren vanuit hun eigen context. De communicatie vanuit FNV en CNV had zeker genuanceerder gekund, maar het is niet gebleken dat in dit geval de grenzen van het betamelijke zijn overschreden. Ook Lantor heeft op 9 juli 2026, vanuit haar perspectief als werkgever een bericht gestuurd naar de leden/werknemers om hen te informeren over de inhoud van de onderhandelingen. De werknemers zijn dus vanuit twee kanten geïnformeerd. Van een aantasting van de legitimiteit van de actie is daarom geen sprake.

De aard en duur van de actie geven geen reden voor beperking van de actie
3.27
FNV en CNV hebben een 48-uurs bedrijfsstaking uitgeroepen vanaf maandag 6.00 uur. Dat betekent dat de staking van beperkte duur is. Lantor stelt dat door de 48-uurs staking de productieplanning, machinestart en leververplichtingen ook op de daaropvolgende dagen worden verstoord, hetgeen de schade substantieel vergroot. Lantor heeft dit echter niet aannemelijk gemaakt. De machines staan namelijk uit in het weekend, waardoor ook op maandag tijd is gemoeid met het opstarten van de machines. De 48-uurs staking blijft dus een 48-uurs staking. Of het opstarten nu op maandag gebeurt, of op woensdag, maakt geen verschil voor de tijd dat de machines geen productie kunnen draaien. Dat Lantor schade lijdt door de staking, is inherent aan een staking.

Schade Lantor onvoldoende om actie te beperken
3.28
Daar komt bij dat Lantor haar schade niet concreet heeft gemaakt. Zij noemt een getal aan verlies dat zij heeft geleden door de eerdere stakingen, maar laat na om haar stelling, dat de financiële schade aanzienlijk is geweest, te onderbouwen. Het is daarnaast tegenstrijdig dat Lantor aan de ene kant stelt dat het in de onderhandelingen nog slechts om puntjes op de i gaat voor een klein groepje werknemers, terwijl het volgens Lantor aan de andere kant gaat om belangen die zeer groot zijn, gelet op de aanzienlijke schade die zij stelt te lijden. Dat Lantor schade lijdt, wil de voorzieningenrechter uiteraard aannemen, want schade is immers inherent aan het stakingsmiddel. Maar, dat een werkgever door een collectieve actie schade lijdt betekent niet dat de actie daarom onrechtmatig is.
3.29
De beperking moet maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk zijn. De staking vindt in dit geval plaats bij een individuele werkgever. Lantor is een commercieel productie- en/of handelsbedrijf. Zij oefent geen maatschappelijke functie uit, zoals bijvoorbeeld een ziekenhuis, apotheek of het openbaar vervoer. Schade aan derden die een maatschappelijke functie uitoefenen, is ook niet gesteld of gebleken. De stel- en bewijsplicht dat sprake is van een beperkingsgrond zoals bedoeld in artikel G ESH rust bij Lantor. In dit geval is niet aannemelijk gemaakt dat beperking van de collectieve actie vanuit maatschappelijk oogpunt dringend noodzakelijk is.

Geen verbod voor FNV en CNV om collectieve actie te voeren bij Lantor
3.30
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van Lantor, die zien op het verbod voor FNV en CNV om collectieve actie te voeren, moeten worden afgewezen. De staking is rechtmatig.
3.31
Van misbruik van recht, zoals bedoeld in artikel 3:13 BW en aangevoerd door Lantor, is niet gebleken. Er is geen sprake van een wanverhouding tussen de staking en het doel dat FNV en CNV willen bereiken, namelijk een onderhandelingsresultaat over een sociaal plan.

FNV en CNV hoeven berichtgeving niet te rectificeren
3.32
Lantor vordert dat FNV en CNV een rectificatieverklaring plaatsen op alle communicatiekanalen. De berichtgeving van FNV en CNV over de onderhandelingen bevatten onjuistheden, wat volgens Lantor een onrechtmatige daad oplevert zoals bedoeld in artikel 6:162 BW. FNV en CNV beroepen zich op de vrijheid van meningsuiting, want zij zouden zelf mogen bepalen wat zij aan de leden communiceren.
3.33
De vrijheid van meningsuiting is een grondrecht. Beperking daarvan kan volgens artikel 10 lid 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens alleen worden toegestaan, indien die beperking bij wet is voorzien. Artikel 6:162 BW voorziet daarin. In dat artikel staat dat men niet onrechtmatig mag handelen jegens een ander. Daarnaast moet de beperking proportioneel en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving ter bescherming van bepaalde belangen (zoals iemands goede naam of privacy). Bij beoordeling van de vraag of een publicatie onrechtmatig is vindt een belangenafweging plaats, waarbij alle omstandigheden van het geval worden betrokken.
3.34
De voorzieningenrechter is het eens met Lantor dat FNV en CNV de leden genuanceerder hadden kunnen informeren. Op 9 juli 2026 hebben FNV en CNV aan de leden bericht dat Lantor de vrijwillige vertrekregeling zou hebben ingetrokken en dat zij opeens een maximum op de beëindigingsvergoeding had geïntroduceerd. Volgens Lantor heeft zij op 8 juli 2026 juist ingestemd met een vrijwillige vertrekregeling, maar zijn partijen het niet eens geworden over de hoogte van de ontslagvergoeding bij een vrijwillig vertrek. Daarnaast heeft Lantor al op 5 juni 2026 gecommuniceerd dat zij het wettelijke maximum wenst te hanteren voor de ontslagvergoeding. Deze maximering is dus niet opeens geïntroduceerd, maar was al bekend bij FNV en CNV.
3.35
Toch ziet de voorzieningenrechter hierin geen reden om FNV en CNV op te dragen de berichten aan de leden te rectificeren. Het gaat om berichtgeving vanuit het perspectief van FNV en CNV. Zij hoeven daar niet noodzakelijkerwijs het perspectief van Lantor in mee te nemen. Lantor heeft daar haar eigen perspectief tegenover kunnen zetten in het bericht dat zij op 9 juli 2026 zelf aan de werknemers heeft gestuurd. In dat bericht heeft zij vanuit haar perspectief het bericht van FNV en CNV gecorrigeerd. De werknemers zijn dus vanuit beide kanten geïnformeerd, waardoor de noodzaak voor een ordemaatregel ontbreekt. De vordering van Lantor wordt afgewezen.

Lantor moet de proceskosten betalen
3.36
Lantor is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van FNV en CNV worden begroot op:

- griffierecht



735,00

- salaris advocaat



1.177,00

- nakosten



189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



2.101,00
<nr>4</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter
4.1
wijst de vorderingen van Lantor af,
4.2
veroordeelt Lantor in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Lantor niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.

SB5790

Artikel delen