Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, omdat geen sprake is van een spoedeisend belang.
Rechtbank Midden-Nederland 24 September 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:6506
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-09-2026
Datum publicatie
24-09-2026
Zaaknummer
UTR 26/7012
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
ECLI:NL:RBMNE:2026:6506text/xmlpublic2026-09-24T10:04:112026-09-22Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Midden-Nederland2026-09-04UTR 26/7012UitspraakVoorlopige voorzieningNLUtrechtBestuursrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6506text/htmlpublic2026-09-24T10:03:332026-09-24Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBMNE:2026:6506 Rechtbank Midden-Nederland , 04-09-2026 / UTR 26/7012 Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, omdat geen sprake is van een spoedeisend belang.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/7012
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] (Spanje), verzoeker (gemachtigde: mr. J. Ruijs) en Dienst Toeslagen.Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit verzoek is gericht tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om aanvullende werkelijke schadevergoeding in het kader van de kinderopvangtoeslagaffaire. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. Met het bestreden besluit van 23 juni 2026 heeft Dienst Toeslagen een aanvullende schadevergoeding van € 20.786,- aan verzoeker toegekend. Omdat verzoeker al een voorschot van € 9.364,- had ontvangen, ontvangt verzoeker met dit besluit alsnog een bedrag van € 11.922,-. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.Van onverwijlde spoed is sprake als een onomkeerbare situatie dreigt en de beslissing op bezwaar daarom niet kan worden afgewacht. Een financieel belang levert niet snel een spoedeisend belang op, omdat na afloop van de bezwaar- of beroepsprocedure het bedrag waarover het geschil gaat alsnog kan worden betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Dit is anders als sprake is van een acute financiële noodsituatie of onomkeerbare situatie zoals faillissement. 5. Verzoeker vindt dat hij een spoedeisend belang heeft. Na het ontvangen van het bedrag van € 11.922,- staat op de gezamenlijke Nederlandse bankrekening van verzoeker en zijn echtgenote nog een saldo van € 70,32 en op zijn Spaanse bankrekening een saldo van € 7.356,01. Verzoeker heeft daarnaast ook nog een bedrag van € 2.814,75 moeten betalen voor kosten voor de dierenarts. De echtgenote van verzoeker heeft een nettoloon van ongeveer € 975,- en krijgt een reiskostenvergoeding van ongeveer € 400,-. Verzoeker heeft zelf geen inkomen, omdat zijn echtgenote de auto gebruikt om naar haar werk te reizen en zij landelijk wonen. Volgens verzoeker wordt hun financiële buffer van in totaal ongeveer € 7.000,- gebruikt om maandelijkse tekorten en tegenvallers op te vangen. Een toekomstige tegenvaller zal de resterende buffer opmaken. Gelet op deze omstandigheden vraagt verzoeker de voorzieningenrechter om te bepalen dat Dienst Toeslagen aan hem een aanvullend voorschot toekent van € 100.000,-. 6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek, omdat geen sprake is van een onomkeerbare situatie of financiële noodsituatie. Uit de door verzoeker gegeven toelichting komt naar voren dat hij en zijn echtgenoot moeten interen op hun financiële buffer van ongeveer € 7.000,- om maandelijkse tekorten en tegenvallers op te vangen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt hieruit niet dat sprake is van een acute financiële noodsituatie of onomkeerbare gevolgen. Verzoeker heeft niet onderbouwd dat hij op dit moment nog openstaande schulden heeft die hij zonder het aanvullend voorschot niet kan betalen en waardoor hij een beslissing op zijn bezwaar niet kan afwachten. Dat verzoeker zijn financiële buffer in de toekomst mogelijk moet aanspreken voor maandelijkse tekorten en tegenvallers betekent niet dat op dit moment sprake is van een acute financiële noodsituatie en dus ook niet van een spoedeisend belang. 7. Verder is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Er is dus geen aanleiding om alsnog een voorlopige voorziening te treffen. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026. De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.