Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBMNE:2026:6618

Toewijzing schadebegroting, eindvonnis. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2026:5629)

Rechtbank Midden-Nederland 30 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:6618 text/xml public 2026-09-30T07:58:51 2026-09-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-09-16 C/16/595530 / HA ZA 25-324 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6618 text/html public 2026-09-30T07:58:15 2026-09-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:6618 Rechtbank Midden-Nederland , 16-09-2026 / C/16/595530 / HA ZA 25-324
Toewijzing schadebegroting, eindvonnis. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2026:5629)
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/595530 / HA ZA 25-324

Vonnis van 16 september 2026

in de zaak van

[eiseres] LTD.,

te [vestigingsplaats 1] (Griekenland),

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. R.A. Siebelink,

tegen

[gedaagde] B.V.,

te [vestigingsplaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. R. Chalmers Hoynck van Papendrecht.
<nr>1</nr>De procedure 1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 mei 2026,- de akte na tussenvonnis van 17 juni 2026 van [eiseres] ,- de antwoordakte na tussenvonnis van 22 juli 2026 van [gedaagde] ,

- de akte uitlaten van 5 augustus 2026 van [eiseres] .
1.2
Daarna is voor vandaag vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De kern van de zaak 2.1
In het tussenvonnis is geoordeeld dat [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten is in haar verplichting om [eiseres] tijdig duidelijkheid te geven over de voortzetting van de distributierelatie. [gedaagde] had de distributierelatie voor het jaar 2024 moeten voortzetten. Omdat [gedaagde] dat niet heeft gedaan, moet zij schadevergoeding betalen aan [eiseres] . Voor de vaststelling van de omvang van de schade hebben partijen aktes mogen nemen. In dit eindvonnis wordt geoordeeld dat [gedaagde] € 465.000 moet betalen aan [eiseres] . Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.
<nr>3</nr>De verdere beoordeling
[gedaagde] moet € 465.000 aan schadevergoeding betalen

Standpunten van partijen
3.1
Partijen hebben zich bij akte uitgelaten over de vergelijking van de werkelijke situatie met de hypothetische situatie uit 3.17 tot en met 3.22 van het tussenvonnis. [eiseres] betoogt, kort gezegd, dat haar schade op € 1.054.482,59 moet worden begroot. [gedaagde] betwist de schadebegroting van [eiseres] . Kort gezegd vindt [gedaagde] de berekeningen van [eiseres] voor de hypothetische situatie niet realistisch en vindt [gedaagde] dat niet op de jaarrekeningen van [eiseres] kan worden afgegaan. [gedaagde] vindt daarom dat de gevorderde schadevergoeding moet worden afgewezen, en subsidiair dat de schade op circa € 252.000 zou kunnen worden begroot.

[eiseres] krijgt geen schadevergoeding over 2025
3.2
De rechtbank volgt [eiseres] niet in haar betoog dat ook schade over 2025 voor vergoeding in aanmerking komt. In het tussenvonnis is als uitgangspunt genomen dat de samenwerking in de hypothetische situatie gedurende 2024 zou zijn voorgezet onder de voorwaarden van de conceptovereenkomst van 8 december 2023. Daarbij is overwogen dat aannemelijk is dat begin 2024 duidelijk zou zijn geworden dat de samenwerking na 31 december 2024 niet zou worden voortgezet. En dat [eiseres] dus in 2025 in dezelfde situatie zou verkeren als in de daadwerkelijke situatie (geen distributierelatie meer met [gedaagde] ). [eiseres] lijkt te miskennen dat [gedaagde] niet gehouden is de schade te vergoeden die [eiseres] heeft geleden als gevolg van de beëindiging van de jarenlange samenwerking als zodanig. [gedaagde] moet de schade vergoeden die [eiseres] heeft geleden doordat [gedaagde] de samenwerking eind december 2023 plotseling niet meer voor 2024 heeft voortgezet, terwijl zij op dat moment gehouden was de samenwerking voor dat jaar voort te zetten.

Uitgangspunt is winst voor belasting
3.3
[eiseres] heeft toegelicht dat voor de berekening van haar gederfde winst moet worden uitgegaan van winst voor belasting. De reden hiervoor is dat [eiseres] in Griekenland belasting moet afdragen voor een te ontvangen schadevergoeding voor gederfde winst volgens Griekse belastingregels. Omdat [gedaagde] dit standpunt niet heeft betwist, zal de rechtbank hier van uit gaan.

Hypothetische situatie: € 250.000 winst in 2024
3.4
De rechtbank schat (artikel 6:97 BW) dat [eiseres] in de hypothetische situatie (zoals omschreven in het tussenvonnis) over 2024 € 250.000 winst voor belasting zou hebben behaald. Daarbij gaat ze uit van de volgende gegevens en omstandigheden:

De daadwerkelijk behaalde resultaten in het verleden. Deze resultaten vormen een belangrijke aanwijzing voor het resultaat dat in 2024 zou zijn behaald. Daadwerkelijke resultaten in het recente verleden onder vergelijkbare omstandigheden hebben naar het oordeel van de rechtbank meer voorspellende waarde dan toekomstprognoses die nooit zijn gerealiseerd. Uit de stukken volgt dat [eiseres] in 2023 een winst voor belasting van ongeveer € 230.000 heeft behaald. Dat is voor de rechtbank een richtinggevend bedrag.

Het hogere target voor 2024. In r.o. 3.21 van het tussenvonnis is overwogen dat het aannemelijk is dat het voor 2024 geldende hogere target van € 510.000 een positief effect zou hebben gehad op de omzet en daarmee op de winst. Dit rechtvaardigt een hogere winstverwachting dan het in 2023 behaalde resultaat.

Tegelijkertijd is, zoals ook overwogen in r.o. 3.21 van het tussenvonnis, niet aannemelijk dat [eiseres] het hogere target voor 2024 daadwerkelijk zou hebben gehaald. [gedaagde] voert daarbij terecht nog aan dat dit nog minder aannemelijk is als begin 2024 duidelijk zou zijn geworden dat 2024 het laatste jaar van de samenwerking zou zijn. Het is namelijk gebleken dat [eiseres] aan het einde van het jaar vaak een grote bestelling bij [gedaagde] plaatste om het target te halen. Bij een aangekondigd einde van de samenwerking ontbreekt de prikkel om dat te doen. Het ligt niet voor de hand dat [eiseres] aan het einde van 2024 nog een vergelijkbare grote bestelling zou hebben geplaatst om het hogere target te behalen. Dat levert een indicatie temeer op dat het target niet gehaald zou zijn.

De door [eiseres] onvoldoende onderbouwde groeifactoren. [eiseres] heeft in haar akte onder 3.17 verschillende omstandigheden genoemd die volgens haar tot een verdere groei van de omzet en winst in 2024 zouden hebben geleid. Zij wijst daarbij op groei van bestaande productgroepen, de introductie van nieuwe producten, prijsverhogingen, uitbreiding van het verkoopteam, in 2023 gedane investeringen, trainingen voor klanten en een verwachte verkoopstijging na de aankondiging van het einde van het distributeurschap. Deze omstandigheden zijn niet voldoende onderbouwd. De rechtbank kan niet met voldoende zekerheid vaststellen dat deze factoren in 2024 daadwerkelijk een positieve invloed op de omzet en winst zouden hebben gehad. Aan deze omstandigheden kan daarom slechts beperkt gewicht worden toegekend.
3.5
Deze omstandigheden maken een winst die aanzienlijk hoger ligt dan de in voorgaande jaren daadwerkelijk behaalde resultaten onvoldoende aannemelijk. Gelet op het in 2023 behaalde resultaat van ongeveer € 230.000, het mogelijk enigszins positieve effect van het hogere target en de overige omstandigheden, is een winst voor belasting van € 250.000 over 2024 de meest realistische inschatting van het resultaat dat [eiseres] in de hypothetische situatie zou hebben behaald.

Werkelijke situatie: € 215.000 verlies in 2024
3.6
Voor de werkelijke situatie gaat de rechtbank uit van de daadwerkelijk door [eiseres] in 2024 behaalde resultaten. Uit de jaarrekening van 2024 (productie 19 van [eiseres] ) volgt een verlies voor belasting van afgerond € 215.000. De omzet die [eiseres] in 2024 heeft gemaakt met een ander merk is (tussenvonnis r.o. 3.22) daarin verdisconteerd.
3.7
[gedaagde] heeft de betrouwbaarheid van de jaarrekening betwist. Zij wijst erop dat de bestuurder van [eiseres] in het jaarverslag van 2023 heeft vermeld dat zich geen belangrijke gebeurtenissen hebben voorgedaan, dat het boekjaar positief is verlopen en dat zich geen omstandigheden hebben voorgedaan die de continuïteit bedreigen. Volgens [gedaagde] is dit moeilijk te rijmen met de beëindiging van de distributierelatie eind 2023. Dit verweer overtuigt niet. Dat in het bestuursverslag geen melding is gemaakt van een belangrijke gebeurtenis aan het einde van het jaar, betekent niet dat de cijfers in de jaarrekening over 2024 onjuist zijn. Bovendien heeft [eiseres] in haar laatste akte toegelicht dat de financiële verslaggeving zorgvuldig tot stand komt, in overeenstemming met de toepasselijke Griekse boekhoudwetgeving, en door een accountant is geaccepteerd. Ook heeft zij toegelicht dat facturen in het boekhoudprogramma worden ingevoerd en worden gematcht met de factuur van de koper om fraude te voorkomen. Tegenover deze toelichting heeft [gedaagde] onvoldoende concrete feiten of stukken aangevoerd die aanleiding geven om aan de juistheid van de jaarrekening te twijfelen. Bij het bepalen van het resultaat in de werkelijke situatie wordt daarom uitgegaan van de daarin opgenomen cijfers.
3.8
Hierbij komt, ten overvloede, dat de rechtbank de conclusie van de jaarrekening dat [eiseres] een paar ton verlies heeft gemaakt bepaald niet vreemd vindt. Het gaat om het jaar waarin de langdurige distributierelatie plotseling wegviel, er heel veel omzet wegviel en kosten doorliepen.
3.9
[gedaagde] vindt ook dat de inhoud van de jaarverslagen onvoldoende verifieerbaar is wegens een gebrek aan detail. Dit geldt in het bijzonder voor de posten Administrative Expenses en Distribution Expenses, die een aanzienlijk deel van de kosten van [eiseres] vormen. [gedaagde] vindt dat deze cijfers onvoldoende gespecificeerd zijn want ze worden niet uitgesplitst. Daarom kan deze informatie niet worden gecontroleerd en kunnen de bedragen niet worden meegenomen als schade. De rechtbank gaat hier niet in mee. In de laatste akte heeft [eiseres] erop gewezen dat de genoemde posten in punt 11.2 van het bestuursverslag nader zijn uitgesplitst. Van volledig ongespecificeerde en daarmee niet-verifieerbare kosten is daarom geen sprake. Er is dan ook geen aanleiding om deze bedragen buiten beschouwing te houden.
3.10
Verder heeft [gedaagde] toegelicht dat de cijfers in de jaarrekeningen onbetrouwbaar zijn omdat de Administrative Expenses in zowel 2023 als 2024 exact 10% bedragen van het totaal van de Administrative Expenses en Distribution Expenses. [eiseres] heeft hiervoor een verklaring gegeven. [eiseres] heeft toegelicht dat zij sinds 2021 standaard 10% van het totaal bedrag aan Administrative Expenses en Distribution Expenses aanmerkt als Administrative Expenses en de overige 90% als Distribution Expenses. Dat is een onderverdeling in de kosten die [eiseres] maakt en daarmee is verklaard waarom het percentage op exact 10% komt voor beide jaren. Dit vormt geen aanwijzing dat de cijfers zijn geconstrueerd. Ook heeft [gedaagde] gewezen op het feit dat de Administrative Expenses en Distribution Expenses beide in 2024 ten opzichte van 2023 volgens haar procentueel exact met 21,06690% zijn gedaald. Ook dit geeft, zonder nadere toelichting of onderbouwing, onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de cijfers zijn geconstrueerd.

Geen verlaging van de schade door nieuwe distributierelatie [eiseres]
3.11
[gedaagde] voert ook aan dat een deel van de in 2024 gemaakte kosten verband houdt met de opbouw van de nieuwe distributierelatie van [eiseres] , en dat in zoverre geen rekening mag worden gehouden met het werkelijke resultaat over 2024. Zij spreekt over marketingkosten, trainingskosten, voorraadopbouw en personeelskosten die bij de opzet van een nieuwe distributierelatie kunnen komen kijken. Dat bepaalde kosten kunnen komen kijken, is zonder concrete onderbouwing, die ontbreekt onvoldoende om een (ongespecificeerd) deel van het verlies buiten beschouwing te laten bij de schadebegroting.

Geen schending schadebeperkingsplicht door [eiseres]
3.12
[gedaagde] heeft daarnaast een beroep gedaan op de schadebeperkingsplicht uit artikel 6:101 BW. [gedaagde] vindt het opvallend dat de omzet in 2024 met 68% daalde en dat de kosten maar met 20% daalden en koppelt daaraan de conclusie dat [eiseres] niet voldoende haar best heeft gedaan om de schade te beperken. Los van het feit dat dit verweer pas is gevoerd bij akte na tussenvonnis, zodat [eiseres] er onvoldoende op heeft kunnen reageren, is het onvoldoende concreet onderbouwd. [gedaagde] heeft slechts gewezen op verschillende kostenposten uit de jaarrekening en in algemene zin gesteld dat [eiseres] deze kosten had kunnen verminderen. Daarmee is gesteld noch gebleken welke concrete maatregelen [eiseres] in 2024 volgens [gedaagde] had kunnen nemen, op welk moment zij dat had kunnen doen en welke besparing daarmee redelijkerwijs zou zijn bereikt. Daar komt bij dat [eiseres] heeft toegelicht dat een deel van de kosten samenhangt met verplichtingen die niet op korte termijn konden worden beëindigd, zoals de huur van het grote distributiecentrum dat nodig was voor deze distributierelatie, ontslagvergoedingen, bankleningen en leasecontracten voor dienstauto’s van medewerkers. Gelet op de aard van deze verplichtingen kan niet zonder meer worden aangenomen dat deze kosten na de beëindiging van de distributierelatie direct konden worden beëindigd of verminderd. Er is onvoldoende grond om wegens schending van een schadebeperkingsplicht bij het begroten van de schade af te wijken van het daadwerkelijk resultaat over 2024 .

Conclusie
3.13
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de schade van [eiseres] begroot op € 465.000. Dit bedrag bestaat voor de goede orde uit de som van:

€ 215.000 aan geleden verlies (dat [eiseres] in 2024 heeft geleden en in de hypothetische situatie niet zou hebben geleden) en

€ 250.000 aan gederfde winst voor belasting (die [eiseres] nooit heeft behaald, maar in de hypothetische situatie in 2024 zou hebben behaald).
3.14
De rechtbank gaat er volledigheidshalve vanuit dat een schadevergoeding vanwege geleden verlies niet belast wordt in Griekenland, ervan uitgaande dat voor zover een geleden verlies door uitkering van schadevergoeding tot nul wordt teruggebracht, er nog steeds geen positief resultaat is dat belast kan worden.

Wettelijke rente vanaf 31 december 2024
3.15
Partijen verschillen van mening over de ingangsdatum van de wettelijke rente. [eiseres] stelt dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 28 december 2023, de datum dat [gedaagde] de distributierelatie heeft opgezegd. [gedaagde] stelt dat de rente betaald moet worden vanaf 31 december 2024. Het standpunt van [gedaagde] wordt gevolgd. De schade wegens geleden verlies en gederfde winst ziet op het resultaat dat [eiseres] gedurende het gehele jaar 2024 zou hebben behaald. Deze schade was op 28 december 2023 nog niet geleden. De omstandigheid dat de schade haar oorzaak vindt in het te elfder ure niet voortzetten van de distributierelatie, brengt daarom niet mee dat de wettelijke rente vanaf die datum verschuldigd is. Bij bepaling van de ingangsdatum is van belang dat het gaat om gederfde winst over een heel jaar. Winst wordt niet op één bepaald moment gerealiseerd, maar vloeit voort uit bedrijfsactiviteiten die gedurende het jaar plaatsvinden. De gederfde winst heeft zich daarom gedurende 2024 opgebouwd. De wettelijke rente over de schade is daarom verschuldigd vanaf 31 december 2024.

[gedaagde] moet de proceskosten van [eiseres] betalen
3.16
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

119,40

- griffierecht

€

10.188,00

- salaris advocaat

€

13.030,50

(3,5 punten × € 3.723,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

23.526,90
3.17
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
<nr>4</nr>De beslissing
De rechtbank
4.1
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 465.000, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 31 december 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 23.526,90, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken door mr. O.P. van Tricht op 16 september 2026.

LLO 5791

Artikel delen