ECLI:NL:RBMNE:2026:6699text/xmlpublic2026-10-01T10:52:382026-10-01Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Midden-Nederland2026-09-02C/16/613553 / KG ZA 26-386UitspraakKort gedingNLUtrechtCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6699text/htmlpublic2026-10-01T10:52:162026-10-01Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBMNE:2026:6699 Rechtbank Midden-Nederland , 02-09-2026 / C/16/613553 / KG ZA 26-386 niet-ontvankelijk, geen spoedeisend belang
vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familierecht
locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/613553 / KG ZA 26-386 Vonnis in kort geding van 2 september 2026 in de zaak van
[eiser]
,
wonende in [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. H.E. Brokers-van Dijk in Vleuten, tegen
[gedaagde]
,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde,
verschenen in persoon. Partijen zullen hierna eiser en gedaagde genoemd worden. 1De procedure1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 tot en met 16; de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 19. 1.2 Gedaagde heeft per e-mailbericht van 5 augustus 2026 verzocht om te bepalen dat de zitting openbaar zal plaatsvinden. Op 17 augustus 2026 heeft eiser hiertegen verweer gevoerd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek van gedaagde om de mondelinge behandeling in het openbaar te laten plaatsvinden op 17 augustus 2026 afgewezen. 1.3 Vervolgens heeft gedaagde op 17 augustus 2026 verzocht om bijstand door de heer [A] . Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt, omdat dit de partner van gedaagde is. De voorzieningenrechter heeft op 19 augustus 2026 afwijzend beslist op het verzoek van gedaagde om zich te mogen laten bijstaan door haar partner. 1.4 Daarna heeft gedaagde verzocht om zich bij te laten staan door een vriendin van haar, als morele steun. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek opgevat als een verzoek om bijzondere toestemming te verlenen aan een derde om bij de besloten zitting aanwezig te mogen zijn en heeft aan [B] bijzondere toestemming verleend om bij de zitting aanwezig te mogen zijn. 1.5 Op 21 augustus 2026 was de mondelinge behandeling (zitting). Hierbij waren aanwezig: eiser met zijn advocaat, en gedaagde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht tijdens de zitting. Daarnaast hebben zij de vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. De griffier heeft hier aantekeningen van gemaakt. Ten slotte is bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen. 2De feiten2.1 Partijen zijn getrouwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, d.d. [2022] is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op [2022] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 2.2 Op 2 april 2026 is door de deurwaarder – in opdracht van gedaagde – aan eiser het bevel gedaan om een bedrag van € 4.618,90 te voldoen. Eiser is niet tot betaling overgaan. 2.3 De deurwaarder heeft op 1 juni 2026 – in opdracht van gedaagde – executoriaal loonbeslag gelegd onder de werkgever van eiser voor een bedrag van € 5.758,52, op grond van een beschikking van de rechtbank Limburg van [2022] . 3Het geschil3.1 Eiser vordert:
I. de executie van de executoriale titel, te weten de beschikking van de rechtbank Limburg van [2022] , waarbij het convenant en ouderschapsplan onderdeel uitmaakt van de beschikking, met onmiddellijke ingang te schorsen;
II. het ten laste van eiser gelegde executoriale loonbeslag op te heffen binnen 24 uur na betekening van het vonnis;
III. gedaagde te verbieden verdere executiemaatregelen te treffen uit hoofde van voormelde executoriale titel, totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist over de wederzijdse vorderingen van partijen, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat gedaagde in strijd handelt met dit verbod, met een maximum van € 10.000,-;
IV. gedaagde te veroordelen tot terugbetaling aan eiser van alle bedragen die sinds het leggen van het executoriale loonbeslag op grond daarvan zijn geïncasseerd en aan gedaagde zijn afgedragen;
V. gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding. 3.2 Gedaagde voert verweer en verzoekt eiser te veroordelen in de kosten van dit geding. 3.3 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Vorderingen ingetrokken 4.1 Op de zitting heeft eiser zijn vorderingen I, II en III, zoals hiervoor vermeld onder rechtsoverweging 3.1., ingetrokken omdat het beslag al van rechtswege is opgeheven. Op de dag van de zitting was namelijk het gehele bedrag waar het beslag op zag geïnd. Dat betekent dat de voorzieningenrechter alleen nog hoeft te beslissen op vordering IV en V.
De conclusie 4.2 De voorzieningenrechter verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vorderingen. Hierna wordt uitgelegd waarom. Geen spoedeisend belang 4.3 In een kortgedingprocedure is het nodig dat sprake is van een spoedeisend belang. Dat betekent dat de eisende partij op korte termijn een beslissing van de voorzieningenrechter nodig heeft en een beslissing in de bodemprocedure niet kan afwachten. 4.4 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang van eiser niet is vast komen te staan. Eiser heeft enkel gesteld dat gedaagde zonder titel, dan wel op onrechtmatige gronden, gelden heeft geïnd middels het beslag. Dit argument ziet niet op de spoedeisendheid van de vordering, maar op de inhoudelijke beoordeling van de gegrondheid van de vordering. Eiser heeft niet gemotiveerd waarom een beslissing over zijn vordering tot terugbetaling door gedaagde niet in een bodemprocedure kan worden afgewacht. Zo heeft hij bijvoorbeeld niet gesteld dat hij als gevolg van de inhoudingen in een acute financiële noodsituatie verkeert, dat hij niet in zijn noodzakelijke levensonderhoud kan voorzien, of dat zich anderszins omstandigheden voordoen die een onmiddellijke voorziening rechtvaardigen. De proceskosten 4.5 De voorzieningenrechter beslist dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen nu eiser in het ongelijk wordt gesteld en gedaagde niet middels een advocaat om een proceskostenveroordeling heeft gevraagd. Daarom zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren. 5De beslissing De voorzieningenrechter: 5.1 verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vorderingen zoals ingesteld tegen gedaagde; 5.2 bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. N. Chedra, rechter, in samenwerking met mr. S. Clement, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.