Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNHO:2026:11926

Verlenging muhp; minderjarige zegt dat moeder hem mishandelt, moeder ontkent; belang van minderjarige om voorlopig op de groep te blijven.

Rechtbank Noord-Holland 28 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNHO:2026:11926 text/xml public 2026-09-28T09:38:01 2026-09-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-08-28 C/15/381432 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:11926 text/html public 2026-09-28T09:37:32 2026-09-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:11926 Rechtbank Noord-Holland , 28-08-2026 / C/15/381432
Verlenging muhp; minderjarige zegt dat moeder hem mishandelt, moeder ontkent; belang van minderjarige om voorlopig op de groep te blijven.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummer: C/15/381432 / JU RK 26-1331

Datum uitspraak: 28 augustus 2026

Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de Raad,

gevestigd te Haarlem,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ),

hierna te noemen: [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. J.M. Kers te Purmerend,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats] ,

gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Amsterdam.
<nr>1</nr>Het verdere verloop van de procedure 1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de beschikking van de kinderrechter van 24 augustus 2026 en de daarin genoemde stukken;

het emailbericht van de GI met daarin een update, ontvangen op 28 augustus 2026.
1.2.
Op 28 augustus 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

de moeder met haar advocaat;

de vader;

de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

De ouders zijn ter zitting bijgestaan door een tolk [tolk] .

De kinderrechter heeft [medewerker Clup Welzijn] , werkzaam bij Clup Welzijn, toestemming verleend de zitting bij te wonen ter ondersteuning van de moeder.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven, maar hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] bij mondelinge beslissing van 21 augustus 2026, schriftelijk vastgelegd bij beschikking van 24 augustus 2026, voorlopig onder toezicht gesteld tot 21 november 2026.
2.4.
Bij dezelfde mondelinge beslissing heeft de kinderrechter ook een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken. Het verzoek is voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen zitting om de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord door de kinderrechter.
<nr>3</nr>Het verzoek voor het overige en de standpunten 3.1.
De Raad handhaaft het verzoek. De komende maanden zijn nodig om uit te zoeken wat er precies aan de hand is en welke hulpverlening nodig is. Er is ook nog geen uitslag van het onderzoek naar het letsel van [de minderjarige] . Indien [de minderjarige] nu naar huis zou gaan, bestaat bovendien het risico dat hij opnieuw weg zal lopen.
3.2.
De moeder en haar advocaat staan achter de voorlopige ondertoezichtstelling, maar niet achter de uithuisplaatsing. Het staat onvoldoende vast dat [de minderjarige] dusdanig onveilig is bij de moeder dat een uithuisplaatsing noodzakelijk is. De moeder ontkent [de minderjarige] fysiek mishandeld te hebben. [de minderjarige] brengt het letsel zelf toe. Wanneer de moeder hem aanspreekt, wordt [de minderjarige] zo boos dat hij zichzelf krabt. Ook vecht hij vaak met andere kinderen en valt hij regelmatig. Er is ook niet onderzocht waar het letsel vandaan komt. Dat het niet logisch zou zijn dat [de minderjarige] het letsel zelf heeft toegebracht, betreft geen medische verklaring. Eerder is al hulpverlening geweest voor [de minderjarige] . Hij heeft veel meegemaakt en heeft moeite met zijn emotieregulatie. De moeder wil graag dat [de minderjarige] terug naar huis komt en staat open voor hulpverlening.
3.3.
De vader wil graag dat [de minderjarige] bij hem komt wonen, maar dat kan pas wanneer de vader een eigen woning heeft. Hij hoopt dat dit binnenkort het geval is. [de minderjarige] heeft de vader eerder al eens verteld dat de moeder hem had gebeten en de vader zag toen ook een wond. Sinds [de minderjarige] uit huis is geplaatst heeft de vader regelmatig contact met hem.
3.4.
De GI zal de komende maanden inzetten op contactherstel tussen [de minderjarige] en zijn moeder en zal onderzoeken waar [de minderjarige] het beste kan verblijven. Er is tijd nodig om dit op een verantwoorde manier te doen. Het gaat goed met [de minderjarige] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Hij komt tot rust en vertelt over zijn contact met de moeder. Er is volgens hem al lange tijd sprake van onveiligheid en fysieke en verbale escalaties en de moeder is vaak boos. [de minderjarige] geeft aan dat hij liever bij zijn vader wil wonen. [de minderjarige] gaat naar school en spoedhulp is gestart.
<nr>4</nr>De (verdere) beoordeling 4.1.
In wat ter zitting naar voren is gekomen, heeft de kinderrechter geen aanleiding gevonden om de in de beschikking van 24 augustus 2026 geformuleerde beslissing van 21 augustus 2026 te wijzigen. Die beschikking dient dus te worden gehandhaafd.
4.2.
Op basis van de stukken en wat op de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Het is op dit moment onduidelijk wat er precies is gebeurd. [de minderjarige] doet heftige beschuldigingen over mishandeling door de moeder en bij hem is letsel geconstateerd wat daar mogelijk bij kan passen. Indien de beschuldigingen van [de minderjarige] waar zijn is dat zorgelijk, maar ook als deze beschuldigingen niet kloppen is dat zorgelijk. Het is in het belang van [de minderjarige] dat hij voorlopig op de groep verblijft, waar hij veilig is en waar hij rust ervaart. Van daaruit kan worden onderzocht wat er aan de hand is, zowel in de thuissituatie als wat mogelijk bij [de minderjarige] speelt. De kinderrechter verlengt de machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan ook voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 21 november 2026.
4.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
<nr>5</nr>De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 21 november 2026;
5.2.
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026 door

mr. A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Koningsbruggen als griffier, en op schrift gesteld op 4 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.

Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.

Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Artikel delen