Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing.
Rechtbank Noord-Holland 25 September 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:12141
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-09-2026
Datum publicatie
25-09-2026
Zaaknummer
C/15/382019
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBNHO:2026:12141text/xmlpublic2026-09-25T10:23:252026-09-11Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Noord-Holland2026-09-11C/15/382019UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLHaarlemCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:12141text/htmlpublic2026-09-25T10:23:192026-09-25Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBNHO:2026:12141 Rechtbank Noord-Holland , 11-09-2026 / C/15/382019 Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/382019 / JU RK 26-1403
Datum uitspraak: 11 september 2026 Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering te Velserbroek,
hierna te noemen: de GI, over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [land] . 1Het verloop van de procedure1.1. De kinderrechter neemt het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 11 september 2026, mee in de beoordeling. 2De feiten2.1.
[de minderjarige] is gedurende het huwelijk van de ouders geboren. 2.2. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.3.
[de minderjarige] woont bij haar moeder. 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 februari 2026
[de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 25 mei 2026. De ondertoezichtstelling is voor het laatst verlengd op 22 mei 2026 tot 22 mei 2027. 2.5. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 februari 2026 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 25 mei 2026 en een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 25 maart 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing is laatst bij beschikking van 22 mei 2026 verlengd tot 3 juli 2026. 3Het verzoek3.1. De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. 3.2. De GI verzoekt aansluitend een machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlenen voor de duur van 6 maanden in een accommodatie jeugdhulpaanbieder. 4De beoordeling4.1. De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen.
De ontwikkeling en veiligheid van [de minderjarige] staat ernstig onder druk en de noodzakelijke verandering kan onvoldoende worden gerealiseerd zolang zij in de huidige thuissituatie verblijft. De zorgen rondom [de minderjarige] hebben betrekking op haar emotionele en psychische welzijn, haar veiligheid, haar gedrag en functioneren buitenshuis, het mogelijke middelengebruik, de toenemende spanningen binnen het gezin en de wijze waarop [de minderjarige] en haar ouders met elkaar communiceren. De zorgen zijn in de afgelopen periode zodanig toegenomen dat [de minderjarige] zelf meerdere malen heeft aangegeven dat zij de situatie thuis niet meer aankan. Zij heeft aangegeven dat zij niet langer thuis wil wonen en dat zij bang is voor wat zij zichzelf zou kunnen aandoen wanneer zij in de huidige situatie thuis blijft wonen. [de minderjarige] heeft daarnaast aangegeven dat zij zich door haar ouders afgewezen voelt en dat zij zich psychisch mishandeld voelt. Zij beschrijft dat haar ouders, en met name haar vader, volgens haar regelmatig negatief en controlerend naar haar reageren. Zij geeft aan dat de vader schreeuwt en dat door de vader en de moeder uitspraken worden gedaan als dat jeugdzorg haar mag meenemen en dat zij "zo erg" zou zijn dat zelfs jeugdzorg haar niet zou willen. De GI stelt hierbij nadrukkelijk vast dat deze uitlatingen de beleving van [de minderjarige] betreffen en dat niet op voorhand kan worden vastgesteld door de GI dat deze gebeurtenissen feitelijk op deze wijze hebben plaatsgevonden maar de GI vindt deze uitlatingen wel voldoende ernstig om nader onderzoek te doen en acht bescherming noodzakelijk.
De ouders geven een ander beeld van de situatie. Zij maken zich zorgen over het gedrag van [de minderjarige] , Zij houdt zich niet aan de afspraken en verblijft gedurende langere perioden buitenshuis zonder haar ouders hierover voldoende te informeren. De ouders maken zich ook zorgen over mogelijk middelengebruik. Op 9 september 2026 is een gesprek tussen de GI en de moeder geweest. Tijdens het gesprek is met de moeder uitgebreid gesproken over de huidige thuissituatie, de zorgen rondom de kinderen en de mogelijkheden om de veiligheid en rust binnen het gezin te herstellen. De moeder geeft aan dat de afgelopen twee maanden voor haar zeer zwaar zijn geweest. Zij beschrijft dat er veel spanningen en ruzies zijn en dat haar dochters zich volgens haar onvoldoende aan afspraken houden en haar niet respecteren. De moeder heeft daarbij aangegeven dat haar dochters haar slaan. Zij is vermoeid geraakt door de aanhoudende spanningen en geeft aan dat het haar niet meer lukt om de situatie voldoende te hanteren. Tijdens het gesprek is met de moeder besproken welke mogelijkheden er zijn om meer rust en veiligheid te creëren, waaronder een tijdelijke andere verblijfplek voor de kinderen. De moeder reageerde hier emotioneel op, maar gaf aan te begrijpen dat een andere verblijfplek op dit moment meer rust kan bieden en zij stemt in met een uithuisplaatsing. De GI acht een tijdelijke uithuisplaatsing voor [de minderjarige] noodzakelijk, gelet op de aanhoudende onrust en escalaties binnen de thuissituatie, de door moeder beschreven fysieke incidenten en haar beperkte draagkracht om de huidige situatie te blijven hanteren. [de minderjarige] is ook al twee dagen weg van huis, gaat niet naar school en het is onbekend wat ze doet en met wie zij is. 4.2. Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van haar geestelijke toestand en onderzoek van haar lichamelijke toestand dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. 4.3. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken. 4.4. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 4.5. De GI en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 5De beslissing De kinderrechter: 5.1. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 11 september 2026 tot 9 oktober 2026; 5.2. verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad 5.3. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt de voortzetting daarvan op een nader te bepalen zitting; 5.4. bepaalt dat de griffier de GI, de moeder, de vader en [de minderjarige] tijdig op te roepen voor de zitting. Deze beschikking is gegeven door mr. J. Lintjer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026, in aanwezigheid van L. de Greef als griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).