Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNHO:2026:12596

Vovo afgewezen. Geen spoedeisend belang. Indien en voor zover het bezwaar zich richt tegen het handhavingsbesluit komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het door verzoeker ingediende bezwaar te laat is ingediend en dat de door verzoeker aangevoerde omstandigheden geen reden zijn om de termijnoverschrijding verschoon...

Rechtbank Noord-Holland 28 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNHO:2026:12596 text/xml public 2026-09-28T13:53:32 2026-09-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-09-22 HAA 26/4169 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:12596 text/html public 2026-09-28T13:52:11 2026-09-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:12596 Rechtbank Noord-Holland , 22-09-2026 / HAA 26/4169
Vovo afgewezen. Geen spoedeisend belang. Indien en voor zover het bezwaar zich richt tegen het handhavingsbesluit komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het door verzoeker ingediende bezwaar te laat is ingediend en dat de door verzoeker aangevoerde omstandigheden geen reden zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Indien en voor zover het bezwaar zich richt tegen de brief waarin door het college is aangegeven dat er geen dwangsom verschuldigd is, overweegt de voorzieningenrechter dat wil een voorlopige voorziening kunnen worden getroffen in principe niet gewacht moet kunnen worden op de uitkomst van de bodemprocedure. Het gaat dan ook veelal om (dreigende) onomkeerbare gevolgen van het besluit. Van een dergelijke spoed is geen sprake bij de vraag of er al dan niet een dwangsom verschuldigd is.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 26/4169
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 september 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk
(gemachtigde: mr. M. van der Fluit).
Inleiding 1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker hangende het bezwaar van 25 augustus 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Procesverloop 2.1.
Op 9 februari 2026, aangevuld op 10 februari 2026, heeft verzoeker het college verzocht om handhavend op te treden tegen overlast veroorzaakt door leerlingen van de scholen in zijn woonomgeving, te weten [naam school 1] en [naam school 2] . Sinds het college een voetbalkooi heeft geplaats bij de woning van verzoeker maken de leerlingen van deze scholen gebruik van het park als schoolplein en veroorzaken zij overlast. Zij vernielen de bosschages en bomen in het park. De leerlingen dringen ook in de tuin behorende bij het complex [naam complex] en vernielen de eigendommen van derden.
2.2.
Met het besluit van 24 maart 2026 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen, omdat geen sprake is van een overtreding. Volgens het college is zij niet bevoegd om te handhaven tegen het binnendringen van het flatgebouw en de tuin en het vernielen van eigendommen. Ook kan het college niet handhaven tegen de aanwezigheid van leerlingen in de omliggende gemeentelijke parken, omdat dit op zich niet verboden is. Het zich bevinden buiten de in de gemeentelijke parken gelegen wegen of paden is weliswaar verboden, maar biedt geen bevoegdheid om tegen de scholen handhavend op te treden, aldus het college.
2.3.
Per e-mail van 19 augustus 2026 heeft verzoeker het college in gebreke gesteld, omdat het college niet tijdig heeft beslist op zijn handhavingsverzoek van 10 februari 2026. Verzoeker verzoekt het college binnen 24 uur over te gaan tot sluiting van de scholen en het verwijderen van de voetbalkooi.
2.4.
Met de brief van 24 augustus 2026 heeft het college de ingebrekestelling afgewezen en geen dwangsom toegekend, omdat reeds binnen de beslistermijn op het handhavingsverzoek is beslist. Ten overvloede heeft het college het besluit van 24 maart 2026 bijgevoegd en opgemerkt dat de bezwaartermijn inmiddels is verstreken. Het college gaat daarom ook niet in op het verzoek tot het sluiten van de scholen en het verwijderen van de voetbalkooi.
2.5.
Op 25 augustus 2026 heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Hoewel het college beweerd dat er op 24 maart 2026 een besluit is genomen op zijn handhavingsverzoek heeft verzoeker niks mogen vernemen en is het college in gebreke gebleven, aldus verzoeker. Daarnaast heeft verzoeker op 25 augustus 2026 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, omdat hij de overlast van zijn woonomgeving veroorzaakt door de scholen zo snel mogelijk beëindigd wil zien worden.
2.6.
Het college heeft zich met de brief van 25 augustus 2026 op het standpunt gesteld dat het verzoek zich richt tegen de brief van 24 augustus 2026 waarin is aangegeven dat er geen dwangsom verschuldigd is. Bij de vraag of er al dan niet een dwangsom verschuldigd is, is er geen sprake van spoed. Het gaat niet om de inhoudelijk vraag of het verzoek om handhaving terecht is afgewezen. Zoals blijkt uit de stukken is op 24 maart 2026 een besluit genomen op het door verzoeker ingediende handhavingsverzoek. Dit besluit is per aangetekende post én per gewone post verzonden. De aangetekende brief is niet afgehaald en retour gekomen. Dit komt voor risico van verzoeker. Tegen het besluit van 24 maart 2026 staat dan ook geen rechtsmiddel meer open, aldus het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. In de bezwaarfase is het aan het college om te beslissen op het bezwaar van verzoeker. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de bezwaarfase is in beginsel alleen aanleiding als er sprake is van een spoedeisend belang en/of als het besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging in bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet (volledig) in stand kan blijven. Bij de tweede vraag beperkt de voorzieningenrechter zich tot een beoordeling op hoofdlijnen van de kans van slagen van het bezwaarschrift. Daarna zal hij afwegen of de belangen van verzoeker om het bestreden besluit te schorsen al dan niet zwaarder wegen dan de belangen van het college bij het in stand laten van het besluit.
4.1.
Indien en voor zover het bezwaar van 25 augustus 2026 zich richt tegen het besluit van 24 maart 2026 overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
4.2.
Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit geval de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.In de Awb is bepaald dat niet-ontvankelijkverklaring als gevolg van een na afloop van de bezwaartermijn ingediend bezwaarschrift achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Uit vaste rechtspraak volgt dat dit het geval is wanneer sprake is van bijzondere

persoonlijke omstandigheden. Hierbij moet gedacht worden aan omstandigheden als psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener of ziekte of overlijden van diens naasten en de zorgtaken die daarmee gepaard gaan, of om externe omstandigheden, zoals een natuurramp of een brand in een woning of bedrijfspand.
4.3.
Het college heeft het besluit waartegen bezwaar is gemaakt op 24 maart 2026 door verzending per aangetekende post én per gewone post bekendgemaakt. Hiermee is het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is daarmee aangevangen op 24 maart 2026 en geëindigd op 5 mei 2026. Het college heeft het bezwaarschrift van verzoeker ontvangen op 25 augustus 2026. Dat betekent dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. De voorzieningenrechter komt dan ook tot het voorlopig oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het door verzoeker ingediende bezwaar te laat is ingediend. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij het besluit van 24 maart 2026 nooit heeft ontvangen. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door verzoeker aangevoerde omstandigheden geen reden zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
5.1.
Indien en voor zover het bezwaar van 25 augustus 2026 zich richt tegen de brief van 24 augustus 2026 waarin door het college is aangegeven dat er geen dwangsom verschuldigd is, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
5.2.
Wil een voorlopige voorziening kunnen worden getroffen, dan moet in principe niet kunnen worden gewacht op de uitkomst van de bodemprocedure. Het gaat dan ook veelal om (dreigende) onomkeerbare gevolgen van het besluit. Van een dergelijke spoed is geen sprake bij de vraag of er al dan niet een dwangsom verschuldigd is.

6. Onder deze omstandigheden heeft verzoeker geen spoedeisend belang bij het treffen van enige voorziening in afwachting van de beslissing op zijn bezwaar, zodat er geen grond is voor de voorzieningenrechter om in afwachting van dat besluit een voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzoek is daarom (kennelijk) ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.

Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.

Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.

Dit volgt uit artikel 6:6 van de Awb.

Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.

Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, r.o. 3.2.

Artikel delen