Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNHO:2026:4240

De vervoerder heeft niet aangetoond dat hij de passagiers een redelijke alternatieve vlucht naar de eindbestemming heeft aangeboden, noch dat dit onmogelijk was. De vorderingen tot compensatie én vergoeding van de door de passagiers zelf geboekte alternatieve vlucht worden toegewezen.

Rechtbank Noord-Holland 30 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNHO:2026:4240 text/xml public 2026-07-30T13:23:55 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-02-04 11405609 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4240 text/html public 2026-07-30T13:23:31 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:4240 Rechtbank Noord-Holland , 04-02-2026 / 11405609
De vervoerder heeft niet aangetoond dat hij de passagiers een redelijke alternatieve vlucht naar de eindbestemming heeft aangeboden, noch dat dit onmogelijk was. De vorderingen tot compensatie én vergoeding van de door de passagiers zelf geboekte alternatieve vlucht worden toegewezen.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11405609 CV EXPL 24-8129

Uitspraakdatum: 4 februari 2026

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
<nr>1</nr> [eiser 1],
2. [eiser 2],

3. [eiser 3],

4. [eiser 4], allen wonende te [plaats],

eisers

hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers

gemachtigde: Yource B.V.

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

EasyJet Airline Company Limited

gevestigd te Londen Luton (Verenigd Koninkrijk)

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. J. Kumar
<nr>1</nr>Het procesverloop 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding:

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek; - de akte eisers.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>Feiten 2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 1 juli 2024 vervoeren van Praag (Tsjechië) naar Amsterdam, met vlucht U27930 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
2.3.
De passagiers hebben zelf een alternatieve vlucht geboekt.
2.4.
De passagiers hebben compensatie en schadevergoeding van de vervoerder gevorderd.
2.5.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
<nr>3</nr>Het geschil 3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.870,37, te vermeerderen met de wettelijke rente;- € 339,46 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening). Daarnaast maken zij aanspraak op vergoeding van de kosten van de door henzelf geboekte alternatieve vlucht (€ 870,37).
3.3.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

Compensatie
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat wat er ook zij van eventuele buitengewone omstandigheden, niet is gebleken dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming als gevolg van de annulering te voorkomen dan wel te beperken. Daarover wordt als volgt overwogen.
4.3.
Het is vaste rechtspraak dat indien passagiers met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomen, dit in beginsel geen redelijke maatregel vormt. De vervoerder heeft de passagiers een alternatieve vlucht van ruim 48 uur later aangeboden. Het is in een dergelijk geval aan de vervoerder om voldoende aannemelijk te maken dat er geen enkele andere mogelijkheid voor een rechtstreekse of indirecte alternatieve vlucht bestond met een door hemzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht die op een minder laat tijdstip aankwam dan de aangeboden vlucht. De vervoerder is daar niet in geslaagd.
4.4.
Op 1 en 2 juli 2024 werden door andere luchtvaartmaatschappijen diverse vluchten van Praag naar Amsterdam uitgevoerd die op een eerder tijdstip aankwamen dan de aangeboden vlucht. Het had op de weg van de vervoerder gelegen om deze alternatieven actief aan te bieden. Gesteld noch gebleken is dat de vervoerder aan deze verplichting heeft voldaan. De stelling van de vervoerder dat de passagiers per e-mail een link hebben ontvangen waarmee zij zelf via de portal een alternatieve vlucht konden kiezen, is in dit verband onvoldoende. Daaruit blijkt immers niet welke alternatieven daadwerkelijk door de vervoerder zijn aangeboden.
4.5.
De conclusie is dan ook dat de vervoerder met zijn verweer niet heeft aangetoond dat hij de passagiers een redelijke alternatieve vlucht naar de eindbestemming heeft aangeboden, noch dat het onmogelijk was om de passagiers om te boeken naar een redelijke andere vlucht. De omstandigheid de passagiers zelf een alternatieve vlucht hebben geboekt en daarmee de vertraging op de eindbestemming aanzienlijk hebben beperkt, staat niet aan het recht op compensatie aan de weg.

Schadevergoeding
4.6.
De passagiers hebben schadevergoeding verzocht in die zin dat zij de kosten van de door de passagiers zelf geboekte alternatieve vlucht vergoed willen zien. De kantonrechter merkt in dit verband op dat de Verordening geen zelfstandige grondslag biedt voor de vergoeding van extra gemaakte kosten.
4.7.
De passagiers beroepen zich (mede) op het Verdrag van Montreal. Artikel 19 van dat verdrag bepaalt dat de vervoerder gehouden is tot vergoeding van ‘schade voortvloeiend uit vertraging in het luchtvervoer van passagiers, bagage of goederen’. De vervoerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de passagiers na de annulering van de vlucht alsnog zonder vertraging op de eindbestemming hadden kunnen aankomen. Het moet er om die reden voor gehouden worden dat de beslissing van de passagiers om een andere vlucht te boeken, is ontstaan uit ‘een vertraging in het luchtvervoer’.
4.8.
De volgende vraag die voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem gevergd kon worden om de schade te vermijden, of dat het voor hem onmogelijk was om dergelijke maatregelen te nemen. De kantonrechter heeft hiervoor reeds geoordeeld dat de vervoerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem niet mogelijk was om de passagiers een redelijke alternatieve vlucht naar Amsterdam aan te bieden.
4.9.
De kantonrechter is van oordeel dat de gevorderde kosten voldoende noodzakelijk, redelijk en passend zijn gebleken. Dat betekent dat de vervoerder de kosten van de vervangende vlucht moet vergoeden. Daarbij merkt de kantonrechter wel op dat slechts sprake kan zijn van ‘schade’ voor zover de gemaakte kosten de restitutie van de oorspronkelijke vliegtickets overschrijden. Dat betekent dat een eventueel gerestitueerd bedrag op de toegewezen schadevergoeding in mindering moet komen.

Conclusie
4.10.
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van de passagiers zal toewijzen, behoudens het navolgende.
4.11.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.

Proceskosten
4.12.
De vervoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de passagiers worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding



135,97

- griffierecht



248,00

- salaris gemachtigde



434,00

(2 punten × € 217,00)

- nakosten



108,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



926,47

5. De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.870,37, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2024 tot de dag van de gehele betaling;
5.2.
veroordeelt de vervoerder in de proceskosten van € 926,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de vervoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Hierbij gaat de kantonrechter voor de interpretatie van het hiervoor genoemde woord ‘dag’ uit van een tijdruimte en voor de uitleg ervan wordt aangesloten bij de algemeen geaccepteerde uitleg, zijnde een tijdsduur van 24 uur.

Hof van Justitie van 11 juni 2020 (C-74/19).

Zo blijkt uit productie 5 bij de conclusie van dupliek.

Artikel delen