Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNHO:2026:4329

Beschikking van de meervoudige kamer over een machtiging tot uithuisplaatsing en een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder met gezag wordt verlengd en de contacten met de vader worden beperkt. Het handelen en de uitspraken van de vader passen in een patroon van jarenlange intieme terreur en hebben ernstige gevolgen voor de o...

Rechtbank Noord-Holland 31 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNHO:2026:4329 text/xml public 2026-07-31T10:12:50 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-21 C/15/375409 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Haarlem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4329 text/html public 2026-07-31T10:12:31 2026-07-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:4329 Rechtbank Noord-Holland , 21-04-2026 / C/15/375409
Beschikking van de meervoudige kamer over een machtiging tot uithuisplaatsing en een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder met gezag wordt verlengd en de contacten met de vader worden beperkt. Het handelen en de uitspraken van de vader passen in een patroon van jarenlange intieme terreur en hebben ernstige gevolgen voor de ontwikkeling van de minderjarige en haar gevoel van veiligheid. Het verzoek van de vader om contra-expertise wordt afgewezen.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummer: C/15/375409 / JU RK 26-370 (uithuisplaatsing) & C/15/375411 / JU RK 26-371 (zorgregeling)

Datum uitspraak: 21 april 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over een machtiging tot uithuisplaatsing en een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

in de zaken van

de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

hierna te noemen: de GI,

wonende in Amsterdam,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. J.H. Prins, kantoorhoudende te Den Helder,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. M.E. de Groot, kantoorhoudende te Heerhugowaard.
<nr>1</nr>Het verdere verloop van de procedure 1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de beschikking van 5 maart 2026 en de daarbij behorende stukken;

de beschikking van 18 maart 2026 en de daarbij behorende stukken;

de definitieve rapporten met de bevindingen uit het familierechtelijk psychologisch onderzoek betreffende de moeder, de vader en [de minderjarige] van 23 maart 2026, ontvangen van de GI op 24 maart 2026;

de brief van de advocaat van de vader van 26 maart 2026 met producties, ontvangen op dezelfde datum.
1.2.
Op 31 maart 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet.

Daarbij waren op het eerste tijdstip aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de advocaat van de moeder;

[vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI;

[de onderzoekster] , de onderzoeker voorgedragen vanuit het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) (hierna: de onderzoekster);

en op het tweede tijdstip aanwezig:

de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

de advocaat van de vader;

[vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI;

[de onderzoekster] , de onderzoeker voorgedragen vanuit het NIFP.
1.3.
Omdat [de minderjarige] op 18 maart 2026 al een gesprek heeft gevoerd met de kinderrechter, heeft de rechtbank haar niet opnieuw uitgenodigd voor een kindgesprek.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 december 2023 [de minderjarige] onder toezicht gesteld, waarbij de ondertoezichtstelling daarna steeds is verlengd, uiteindelijk tot 5 december 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 maart 2026 een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de ouder met gezag, te weten de moeder, tot 2 april 2026. Bij beschikking van 18 maart 2026 is deze machtiging verlengd tot 23 april 2026, en is de beslissing op het verzoek voor het overige aangehouden tot deze zitting.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 december 2025

een 50/50-verdeling van de zorg- en opvoedtaken (hierna: zorgregeling)

vastgesteld, waarbij bepaald is dat [de minderjarige] de ene week bij de vader en de andere week bij de

moeder verblijft.
2.6.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 maart 2026 de zorgregeling, zoals vastgelegd in de beschikking van 11 december 2025, voor de duur van twee weken gewijzigd en als volgt bepaald: ‘er vindt een tweewekelijks omgangsmoment tussen de vader en [de minderjarige] plaats van anderhalf uur, waarbij de omgang begeleid wordt door een professionele omgangsbegeleider op neutraal terrein’.

Bij beschikking van 18 maart 2026 heeft de kinderrechter de zorgregeling op dezelfde manier gewijzigd, tot 23 april 2026, en de beslissing op het verzoek voor het overige aangehouden tot deze zitting.
2.7.
Bij de beschikking van 18 maart 2026 heeft de kinderrechter de verdere behandeling van de beide verzoeken verwezen naar de meervoudige kamer.
<nr>3</nr>De verzoeken
uithuisplaatsing
3.1.
De GI handhaaft het resterende deel van de verzoeken en verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de ouder met gezag te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

zorgregeling
3.2.
De GI handhaaft het verzoek en verzoekt de door de kinderrechter op 11 december 2025 vastgestelde zorgregeling als volgt te wijzigen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren:

Tweewekelijks een omgangsmoment tussen vader en [de minderjarige] van anderhalf uur. Waarbij het moment begeleid wordt door een professionele omgangsbegeleider op neutraal

terrein.
3.3.
De GI heeft de verzoeken als volgt onderbouwd. Tussen de ouders is sprake van langdurige en hardnekkige problematiek en een zeer zorgelijke dynamiek. De GI heeft het NIFP gevraagd onderzoek te doen naar de persoonlijkheid van de ouders, hun mogelijkheden om bij de behoeften van [de minderjarige] aan te sluiten en wat dit betekent voor het gezag en de omgang. Uit de NIFP-rapporten volgt dat de vader een narcistische persoonlijkheidsstoornis heeft en dat hij met zijn handelingen en uitspraken de ontwikkeling van [de minderjarige] ernstig verstoort. De onderzoekster adviseert [de minderjarige] bij de moeder te laten opgroeien. Gezien de dusdanig grote en dreigende risico’s die uit de NIFP-rapporten naar voren komen, is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder noodzakelijk.
3.4.
Daarnaast moeten de contacten tussen de vader en [de minderjarige] volgens de NIFP-rapportages over de vader en de moeder geminimaliseerd en gemonitord worden, om te voorkomen dat de vader de moeder en de opvoedsituatie van de moeder nog langer devalueert en om zo de opvoedsituatie van de moeder veilig te stellen. Een wijzing van de zorgregeling is daarom noodzakelijk in het belang van de ontwikkeling en veiligheid van [de minderjarige] . De GI verzoekt de zorgregeling te wijzigen zoals door de onderzoekster vanuit het NIFP is geadviseerd.
<nr>4</nr>De standpunten 4.1.
De moeder en haar advocaat hebben naar voren gebracht dat de moeder achter de verzoeken van de GI staat. De NIFP-rapporten geven een helder beeld van de situatie. De moeder maakt zich al lang zorgen over de problematiek bij de vader en het effect daarvan op [de minderjarige] . De vader richt zich nu op het betwisten van de diagnose narcisme. Het gaat echter om de vraag of contact met de vader verantwoord en in het belang van [de minderjarige] is. Daarnaast doet de vader uitspraken die feitelijk onjuist zijn, zoals dat de politiepsycholoog bij hem betrokken is. Sinds [de minderjarige] volledig bij de moeder verblijft is [de minderjarige] meer ontspannen en begint zij steeds meer te vertellen over de vader, waarbij zij zorgelijke uitspraken doet. Zo heeft [de minderjarige] verteld dat de vader tegen haar heeft gezegd dat de moeder narcistisch en gevaarlijk is en dat de moeder [de minderjarige] afluistert. De moeder is bang dat, wanneer nu wordt teruggegaan naar de zorgregeling zoals vastgelegd op 11 december 2025 en [de minderjarige] weer naar de vader moet gaan, dit schadelijk is voor het vertrouwen van [de minderjarige] in de moeder en de vader.
4.2.
De vader en zijn advocaat hebben naar voren gebracht dat de vader het niet eens is met de verzoeken van de GI. Het NIFP-onderzoek is volgens de vader onzorgvuldig tot stand gekomen. Er hebben slechts drie gesprekken met de vader plaatsgevonden en de informanten van de vader zijn niet meegenomen in het onderzoek. Daarnaast was de vader ziek tijdens het onderzoek en was hij daardoor niet goed in staat om mee te doen aan het onderzoek. De GI heeft hem vervolgens onder druk gezet om wel mee te doen. De vader betwist dan ook de uitkomst van het onderzoek. In 2017 heeft een uitvoerig persoonlijkheidsonderzoek plaatsgevonden, waaruit de diagnose bij de vader was dat hij kampt met angst- en paniekklachten, veroorzaakt door langdurig narcistisch misbruik in de relatie met de moeder. De vader ervaart nog steeds veel stress door de hele situatie en is hiervoor recent weer in behandeling gegaan bij de GGZ. Zijn behandelaar vanuit de GGZ en de huisarts zien geen aanleiding voor behandeling bij De Waag, zoals geadviseerd in de NIFP-rapporten, maar hebben de vader doorverwezen voor behandeling voor PTSS. Afgezien van het conceptrapport is er geen enkele indicatie om [de minderjarige] bij de vader vandaan te houden; eerder is door deskundigen altijd gezegd dat het bij hem veilig is. De zorgen zagen juist altijd op de opvoedsituatie van de moeder. Voor de vader voelt het alsof zijn zorgen gebagatelliseerd worden en de zorgen van de moeder voor waar worden aangenomen. De vader verzoekt het verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen en subsidiair te bepalen dat er een nieuw onderzoek wordt uitgevoerd door een andere instantie dan het NIFP, waarbij de duur van de machtiging wordt beperkt tot maximaal drie maanden. Ook verzoekt de vader de door de GI verzochte wijziging van de zorgregeling af te wijzen en subsidiair te bepalen dat [de minderjarige] een weekend in de veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school alsmede iedere woensdag uit school tot donderdag naar school bij de vader verblijft, dan wel een regeling vast te stellen, die de rechtbank in het belang van [de minderjarige] acht.

de onderzoekster van het NIFP
4.3.
De onderzoekster is op verzoek van de GI ter zitting als informant gehoord en heeft naar voren gebracht dat bij de vader sprake is van een ernstige vorm van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Dat die diagnose niet in eerdere onderzoeken naar voren is gekomen, betekent niet dat die er niet was. De onderzoekster adviseert om niet zozeer te focussen op de diagnose, maar op het gedrag van de vader en op het effect daarvan op [de minderjarige] . De overtuiging van de vader dat de moeder gevaarlijk is en het feit dat hij geen onderscheid maakt tussen het denken, het willen en de behoeftes van hemzelf en van [de minderjarige] is zeer zorgelijk en zeer schadelijk voor de ontwikkeling van [de minderjarige] .

De duur en het aantal gesprekken van het uitgevoerde onderzoek is, in tegenstelling tot wat de advocaat van de vader daarover heeft aangevoerd, gebruikelijk voor een dergelijk persoonlijkheidsonderzoek. De onderzoekster heeft de aanvankelijke afspraken uitgesteld op verzoek van de vader, omdat hij zei teveel last te hebben van spanning en stress. Een tweede uitstel is door de onderzoekster, in het belang van [de minderjarige] , afgewezen. Bij de vader was tijdens de gesprekken weinig spanning of stress merkbaar. De vader is bij aanvang van het onderzoek akkoord gegaan met het aanleveren van informatie over zijn eerdere GGZ-traject, maar heeft dat vervolgens niet aangeleverd. De vader wilde niet dat zijn familieleden in het onderzoek werden betrokken. Wanneer opnieuw onderzoek zou worden gedaan, adviseert de onderzoekster om het onderzoek in zijn geheel opnieuw te doen en dus ook de moeder en [de minderjarige] wederom in dat onderzoek mee te nemen.
<nr>5</nr>De beoordeling
uithuisplaatsing
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
5.2.
Tussen de ouders is jarenlang sprake van hevige ex-partnerproblematiek. Omdat het gedurende de ondertoezichtstelling niet lukte om met hulpverlening de onderlinge verstandhouding te verbeteren en de zorgen over de opvoedsituatie van [de minderjarige] zijn blijven bestaan, heeft de GI een Familierechtelijk Psychologisch Onderzoek laten uitvoeren door het NIFP. Uit het onderzoek komen ernstige zorgen naar voren over het gedrag en de opvoedvaardigheden van de vader en het effect daarvan op [de minderjarige] . Geadviseerd wordt om [de minderjarige] bij de moeder te laten opgroeien en het contact met de vader te minimaliseren.
5.3.
Volgens de NIFP-rapporten passen het handelen en de uitspraken van de vader in een patroon van jarenlange intieme terreur. De vader lijkt druk en controle uit te oefenen op [de minderjarige] en de moeder en er is sprake van langdurige en ernstige devaluatie van de moeder en de opvoedsituatie van de moeder. De vader is ervan overtuigd dat de moeder ‘ziek’ is en gevaarlijk is voor [de minderjarige] en hij draagt dit ook uit naar [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft veel wantrouwen richting de moeder maar is tegelijkertijd bang om door haar in de steek te worden gelaten. [de minderjarige] heeft zorgelijke uitspraken gedaan over de moeder, bijvoorbeeld dat zij bang is dat zij door de moeder afgeluisterd wordt. De onderzoekster heeft uitgelegd dat het constant en stelselmatig devalueren van de moeder door de vader ernstige gevolgen heeft voor de ontwikkeling van [de minderjarige] en haar gevoel van veiligheid. Als [de minderjarige] wordt geleerd dat zij de moeder niet kan vertrouwen, wordt de ontwikkeling van haar zelfvertrouwen en haar vertrouwen in anderen en de wereld verstoord. Naast de zorgen over intieme terreur bestaan er ook ernstige zorgen over de opvoedvaardigheden van de vader. Uit het NIFP-onderzoek komt naar voren dat de vader de behoeften en belangen van [de minderjarige] lijkt in te vullen vanuit zijn eigen behoeften en belangen, waardoor deze samenvallen. Het gevolg hiervan is dat de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] ernstig wordt bedreigd. De vader is overtuigd van zijn eigen gelijk en toont daarbij nauwelijks zelfinzicht. Dit past bij de diagnose van een narcistische persoonlijkheidsstoornis die uit het psychologisch onderzoek volgt.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat het, gezien de onveilige opvoedsituatie bij de vader, in het belang van [de minderjarige] is om bij de moeder te wonen. Uit de NIFP-rapporten komen ook zorgen naar voren over de opvoedsituatie bij en het welzijn van de moeder. De moeder is vanwege de langdurige strijd met de vader overbelast geraakt en het is een zorg dat zij daardoor niet volledig (emotioneel) beschikbaar kan zijn voor [de minderjarige] . Het is daarom nodig dat stevige hulpverlening in de thuissituatie bij de moeder wordt ingezet, zowel gericht op de individuele problematiek van de moeder als op de onderlinge relatie van [de minderjarige] en de moeder. Voor de vader wordt behandeling bij De Waag geadviseerd, gericht op de persoonlijkheidsstoornis.

zorgregeling
5.5.
Ook is de rechtbank van oordeel dat een wijziging van de zorgregeling zoals vastgelegd bij beschikking van 11 december 2025, nodig is. De rechtbank kan de hiervoor genoemde regeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.6.
Op 11 december 2025 is de zorgregeling gewijzigd van een weekendregeling naar een week-op-week-af-regeling. De kinderrechter heeft in die beschikking overwogen geen contra-indicaties voor een uitbreiding van de zorgregeling voor de vader te zien en heeft ook geen aanleiding gezien om de uitkomst van het NFIP-onderzoek af te wachten. De rechtbank kan zich voorstellen dat het voor [de minderjarige] onrustig is om opnieuw een verandering in het contact met de vader door te maken. Toch is de rechtbank van oordeel dat een wijziging van voornoemde zorgregeling in het belang is van [de minderjarige] .
5.7.
Uit het NIFP-rapport over de vader volgt dat het vanwege de vastgestelde persoonlijkheidsstoornis niet de verwachting is dat hij zal stoppen met zijn schadelijke handelen en het ondermijnen van (de opvoedsituatie van) de moeder. Ook heeft de vader ter zitting aangegeven, na overleg met zijn behandelaar van de GGZ en de huisarts, geen aanleiding te zien voor behandeling bij De Waag voor de door de NIFP-onderzoekster vastgestelde en door de vader betwiste persoonlijkheidsstoornis. De opvoedsituatie van de moeder zal met inmenging en bemoeienis van de vader onveilig blijven voor [de minderjarige] . De rechtbank is daarom van oordeel dat het nodig is dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] wordt teruggebracht in frequentie en duur en dat de contactmomenten begeleid worden. De rechtbank zal de zorgregeling van 11 december 2025 daarom wijzigen zoals verzocht door de GI en in lijn met de voorlopige zorgregeling zoals vastgelegd bij beschikkingen van 5 maart 2026 en 18 maart 2026.
5.8.
De rechtbank zal het verzoek van de vader om de omgang uit te breiden beschouwen als verweer tegen het verzoek van de GI. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is er geen plaats voor uitbreiding van de zorgregeling. Mocht de vader toch behandeling aangaan, zoals bij De Waag, en dit tot verbetering in het contact met [de minderjarige] leidt, dan kan de zorgregeling mogelijk in de toekomst weer uitgebreid worden. De rechtbank gaat ervan uit dat de GI zicht houdt op het verloop van de (begeleide) contactmomenten tussen de vader en [de minderjarige] en blijft beoordelen welke zorgregeling het meest in haar belang is.

contra-expertise
5.9.
De vader heeft ‘een nieuw NIFP-onderzoek’ verzocht. De advocaat heeft ter zitting verduidelijkt dat dit onderzoek zou moeten worden uitgevoerd door een andere instantie dan het NIFP. De rechtbank vat het verzoek van de vader op als een verzoek om een contra-expertise.

De kinderrechter kan, indien dit mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet, bepalen dat er een deskundigenonderzoek moet komen. De rechtbank overweegt dat wat de vader heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding geeft om een nieuw onderzoek te gelasten. De bezwaren van de vader over het onderzoek zijn ter zitting voldoende weersproken door de onderzoekster. De onderzoekster is een ervaren psycholoog die de door haar vastgestelde diagnose vaker heeft gesteld en vaker op basis van dezelfde onderzoeksmethoden rapportages heeft opgesteld. De rechtbank heeft ook verder geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldige totstandkoming van de rapporten. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een nieuw deskundigenonderzoek niet zal bijdragen aan de beslissing in de zaak. De vader heeft namelijk zijn verweer gericht op de gestelde diagnose, terwijl voor de te nemen beslissingen het gedrag van de vader van belang is. Dit gedrag is beschreven door de onderzoekster van het NIFP, maar wordt ook gemeld in de aan de verzoeken ten grondslag liggende overige stukken in het dossier. Alleen al hierom zal de rechtbank geen contra-expertise bepalen.
5.10.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
<nr>6</nr>De beslissing
De rechtbank:

uithuisplaatsing
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de ouder met gezag, te weten de moeder, tot 5 december 2026;

zorgregeling
6.2.
wijzigt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals vastgelegd bij beschikking van 11 december 2025 en bepaalt deze als volgt:

er vindt een tweewekelijks omgangsmoment tussen de vader en [de minderjarige] plaats van anderhalf uur op neutraal terrein, waarbij de omgang wordt begeleid door een professionele omgangsbegeleider;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst af het zelfstandige verzoek van de vader om een contra-expertise.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. W. van Dongen, mr. B.M.A. Bataille en mr. E.M. ten Bos, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.

Artikel 1:265g, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.

Artikel 810a, tweede lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel delen