Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNHO:2026:4361

Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. De rechtbank heeft daarnaast het perspectiefbesluit beoordeeld en bekrachtigd.

Rechtbank Noord-Holland 31 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNHO:2026:4361 text/xml public 2026-07-31T09:53:49 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-14 C/15/374856 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Haarlem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4361 text/html public 2026-07-31T09:52:36 2026-07-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:4361 Rechtbank Noord-Holland , 14-04-2026 / C/15/374856
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. De rechtbank heeft daarnaast het perspectiefbesluit beoordeeld en bekrachtigd.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummer: C/15/374856 / JU RK 26-288

Datum uitspraak: 14 april 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd in Amsterdam,

over

[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,

[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,

hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. B. Bos, kantoorhoudende te Hoorn,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

op dit moment verblijvende bij een vriend,

hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders,

[de gezinshuisouder 1] en [de gezinshuisouder 2],

hierna te noemen: de gezinshuisouders,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure 1.1.
De rechtbank neemt het verzoekschrift van 13 februari 2026 met bijlagen, ontvangen op 16 februari 2026, mee in de beoordeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

de vader;

een tolk Pools voor de ouders, aanwezig via telefonische verbinding;

de gezinshuisouders;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.2.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven bij de gezinshuisouders.
2.3.
Bij beschikking van 19 januari 2025 heeft de kinderrechter [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van drie maanden. Voor [de minderjarige 1] is daarbij tevens een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een crisispleeggezin verleend

voor de duur van vier weken. Bij beschikking van 21 januari 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een crisispleeggezin verleend voor de duur van vier weken. Bij beschikking van 30 januari 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van beide kinderen verleend voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.
2.4.
Bij beschikking van 18 april 2025 heeft de kinderrechter [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder

toezicht gesteld van de GI tot 18 april 2026. Ook heeft de kinderrechter de machtiging tot

uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengd voor de duur van zes maanden. Bij beschikking van 15 september 2025 is voornoemde machtiging verlengd tot 18 april 2026.
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek als volgt onderbouwd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] worden nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Beide kinderen hebben vroegkinderlijke hechtingsproblematiek en bij [de minderjarige 1] is PTSS geconstateerd. Vermoedelijk heeft [de minderjarige 2] ook PTSS maar dat is lastig te bepalen vanwege zijn ontwikkelingsachterstand als gevolg van het hersenletsel dat hij heeft opgelopen toen hij nog bij de ouders woonde. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] laten heftige kindsignalen zien tijdens en na de omgangsmomenten. De ouders herkennen de kindsignalen niet en lijken niet in staat in te zien wat het effect van hun handelen is op de kinderen. De GI heeft Parlan gevraagd om een terug-naar-huis-onderzoek (TNHO) te doen. In december 2025 heeft Parlan geconcludeerd geen TNHO in te kunnen zetten aangezien er te veel contra-indicaties zijn. Het komende jaar wil de GI een verzoek tot onderzoek bij de Raad neerleggen voor een gezagsbeëindigende maatregel. Daarnaast zal de individuele behandeling voor de kinderen en de hulpverlening gericht op de omgang voortgezet worden.
3.3.
Ter zitting heeft de GI het volgende naar voren gebracht. Het afgelopen jaar heeft de GI gezien dat de ouders veel van de kinderen houden, maar dat het hen niet lukt om in het belang van de kinderen te denken en te handelen. Zij zien de kindsignalen en de zorgen die de GI en de hulpverlening hebben, niet. Daarnaast is tot op heden geen duidelijkheid gekomen over het ernstige hersenletsel van [de minderjarige 2] en de oorzaak daarvan. Het politieonderzoek hiernaar loopt nog, maar de GI verwacht niet dat daar nog duidelijkheid over komt. Vanuit de GI is veel hulpverlening ingezet om de ouders te ondersteunen maar gezien werd dat het de ouders niet altijd lukte om op de afspraken te komen of de informatie tot zich te laten doordringen. De GI verwacht dan ook niet dat de ouders [de minderjarige 2] goed kunnen begeleiden tijdens de vele onderzoeken in het ziekenhuis die hij de komende jaren zal moeten ondergaan. Daarnaast is de woonsituatie van de ouders nog steeds instabiel; de vader verblijft tijdelijk bij een vriend, de moeder bij een hulpverleningsinstelling. Ook ontvangt de GI nog steeds Veilig-Thuismeldingen van huiselijk geweld tussen de ouders. De GI concludeert dat er de komende tijd geen verbetering te verwachten is in de situatie van de ouders en heeft daarom het perspectiefbesluit genomen dat de kinderen niet meer bij de ouders zullen opgroeien, maar bij de gezinshuisouders. Die hebben te kennen gegeven dat de kinderen de komende periode bij hen kunnen blijven wonen.
<nr>4</nr>De standpunten 4.1.
De ouders en hun advocaat hebben ter zitting aangegeven dat de ouders instemmen met de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Wel verzetten zij zich tegen het genomen perspectiefbesluit. De ouders begrijpen dat er in het verleden zorgen zijn geweest en dat de kinderen het goed hebben bij de gezinshuisouders. Zij weten dat zij de kinderen nu niet kunnen bieden wat zij nodig hebben en stemmen daarom in met de verlenging van de maatregelen. Het is echter nog te vroeg om een perspectiefbesluit te nemen en het perspectief van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ligt wat hen betreft nog steeds bij hen als ouders. Zij begrijpen dat de doelen nog niet zijn behaald en staan open voor begeleiding, ondersteuning en samenwerking. De ouders willen het komend jaar alles op een rijtje krijgen en laten zien dat zij in staat zijn om voor de kinderen te zorgen. Daarvoor zijn duidelijke voorwaarden, hele specifieke doelen en intensieve begeleiding nodig. Het is voor de ouders soms lastig om te begrijpen wat van hen verwacht wordt, mede gezien de taalbarrière en zij willen meer aan de hand meegenomen worden. Zij zouden het fijn vinden als zij een vertrouwenspersoon krijgen. Ook willen de ouders graag uitbreiding van de contactmomenten met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Zij zien de kinderen maar één uur per maand, waardoor de kinderen van de ouders vervreemden. De ouders betwisten dat het hersenletsel van [de minderjarige 2] door (een van de) ouders is veroorzaakt en wijzen er op dat er nog geen uitkomst van het politieonderzoek is.

De vader heeft naar voren gebracht dat de ouders hun baan zijn kwijtgeraakt door de vele afspraken met de verschillende instanties en de omgangsafspraken met de kinderen. De ouders zijn aan het solliciteren en op zoek naar een vaste verblijfplaats maar het is lastig om een baan en een woning te vinden. De moeder heeft aangegeven dat zij steun en psychische hulp krijgt bij de Brijder, maar geen behandeling. Het is nog niet gelukt om hulpverlening te krijgen omdat de moeder niet ingeschreven staat en geen Nederlands spreekt. Het is van belang dat de ouders meer tijd kunnen doorbrengen met de kinderen om te kunnen laten zien dat zij voor hen kunnen zorgen, maar dat wordt gesaboteerd door de GI. De ouders hebben verder nog aangegeven dat zij het komende jaar willen benutten om zaken te regelen om daarna met de kinderen te verhuizen naar Polen of Tsjechië.
4.2.
De gezinshuismoeder heeft naar voren gebracht dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] nu ruim een jaar bij hen wonen. De ontwikkelingsachterstand van [de minderjarige 2] is dusdanig dat hij niets zelfstandig kan. Hij heeft veel afspraken met zorgprofessionals en wekelijks komt de fysiotherapeut langs. De gezinshuisouders zien dat [de minderjarige 2] elke week stapjes vooruit zet en vieren met hem elke positieve ontwikkeling. [de minderjarige 1] is wat later dan zijn broertje bij de gezinshuisouders gekomen. In het begin was [de minderjarige 1] heel angstig, kon hij heel hard gillen en was hij moeilijk troostbaar. Dit gedrag is afgenomen en de gezinshuisouders zien dat [de minderjarige 1] zich goed ontwikkelt. Wel komen de zorgelijke signalen terug na de contactmomenten met de ouders.
<nr>5</nr>De beoordeling
rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Door de omstandigheid dat de moeder de Tsjechische nationaliteit heeft, de vader de Poolse nationaliteit heeft en de kinderen zowel de Tsjechische als de Poolse nationaliteit hebben, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek van de GI. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zich in Nederland bevindt, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om dit verzoek te behandelen. Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht op de verzoeken van toepassing is. Dat is in dit geval het Nederlands recht.

perspectiefbesluit
5.2.
De beslissing van de GI dat het opgroeiperspectief van een kind niet meer bij de ouders ligt maar elders, wordt het perspectiefbesluit genoemd. De rechtbank kan een perspectiefbesluit beoordelen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit.

De GI heeft op 13 februari 2026 het besluit genomen dat het perspectief van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet meer bij de ouders ligt, maar bij het gezinshuis. In het kader van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen, ziet de rechtbank aanleiding om het perspectiefbesluit van de GI te toetsen.
5.3.
Op de zitting is gebleken dat het perspectiefbesluit (alleen) aan de moeder is gestuurd. De vader heeft op dit moment namelijk geen vast adres. Daarnaast heeft de GI het perspectiefbesluit met de ouders besproken en aan de advocaat gevraagd dit met de ouders door te nemen. De rechtbank stelt daarmee vast dat de GI voldoende heeft gedaan om de ouder op de hoogte te stellen van het pespectiefbesluit.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat de GI het perspectiefbesluit zorgvuldig en op de juiste gronden heeft genomen en dat het perspectief van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet meer bij de ouders ligt. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
5.5.
Om duidelijkheid te verkrijgen over het perspectief van de kinderen heeft de GI Parlan verzocht om een TNHO te doen. Uit het vooronderzoek daarvoor heeft Parlan geconcludeerd geen TNHO in te kunnen zetten omdat er te veel contra-indicaties zijn. Aan het verzoek tot het uitvoeren van het TNHO is het volgende voorafgegaan.
5.6.
Op 17 januari 2025 is [de minderjarige 2] opgenomen in het ziekenhuis met ernstig, hersenletsel, waarbij het geconstateerde letsel niet strookte met de verklaringen van de ouders. Daarop is voor beide kinderen een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend. Sinds 14 februari 2025 verblijven de kinderen samen bij de gezinshuisouders.
5.7.
Voorafgaand aan de uithuisplaatsing van de kinderen verbleven zij samen met de ouders in een verwaarloosde en vervuilde caravan. Er was sprake van onveiligheid, verwaarlozing en alcoholproblematiek van de ouders, waaraan de kinderen werden blootgesteld. Ook bestonden er zorgen over kindermishandeling en huiselijk geweld tussen de ouders. De moeder is met hulp van de GI op een Blijfgroep geplaatst. Na de plaatsing gaven de ouders echter aan hun relatie voort te zetten. Ook recent heeft de GI nog Veilig-Thuismeldingen ontvangen over huiselijk geweld tussen de ouders. Beide ouders hebben op dit moment geen vaste woon- of verblijfplaats; de moeder kon niet langer op de Blijfgroep blijven omdat zij zich niet hield aan de huisregels en de vader is uit de caravan gezet vanwege achterstallige huur.
5.8.
Na de uithuisplaatsing zagen de gezinshuisouders en de GI veel en zorgelijke kindsignalen. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hadden angstaanvallen en werden ’s nachts regelmatig gillend wakker. Ook kon [de minderjarige 1] zichzelf pijn doen. Dit gedrag is afgenomen gedurende het verblijf van de kinderen in het gezinshuis, maar komt terug na de contactmomenten met de ouders. Tijdens de contactmomenten wijst [de minderjarige 1] de ouders af en weigert bijvoorbeeld een high-five te geven aan de moeder. Bij de kinderen is vroegkinderlijke hechtingsproblematiek en (vermoedelijk) PTSS geconstateerd en zij krijgen behandeling vanuit het KJTC. Daarnaast heeft [de minderjarige 2] een grote ontwikkelingsachterstand door het opgelopen hersenletsel en het is nog onduidelijk wat de gevolgen op de lange termijn zullen zijn. Sinds de plaatsing bij de gezinshuisouders maakt hij kleine stapjes in zijn ontwikkeling. Waar het eerder leek alsof [de minderjarige 2] niets kon zien, horen en voelen, lukt het de laatste tijd steeds beter om met hem in contact te komen en laat hij steeds meer blijken dat hij begrijpt wat er gebeurt, aldus de gezinshuisouders. Bij [de minderjarige 2] is veel medische hulpverlening betrokken en hij heeft regelmatig afspraken in het ziekenhuis en met zijn fysiotherapeut. Het is de rechtbank duidelijk dat beide kinderen vanwege hun problematiek bovengemiddeld veel zorg nodig hebben.

Het afgelopen jaar heeft de GI hulpverlening vanuit Senzazorg ingezet voor ondersteuning aan de ouders en omgangsbegeleiding. Vanuit de hulpverlening en de GI werd individuele hulp voor de ouders geadviseerd, gericht op hun persoonlijke problematiek. Dit is niet gestart omdat de ouders dit niet nodig vonden. De ondersteuning voor de ouders door Senzazorg is uiteindelijk gestopt vanwege de houding van de ouders. De ouders zijn moeilijk bereikbaar en hebben eerder niet altijd (meteen) toestemming gegeven voor hulpverlening en medische behandeling voor de kinderen. Ter zitting hebben de ouders aangegeven tijd en hulpverlening nodig te hebben om alles op een rijtje te zetten. Desgevraagd kunnen zij echter geen antwoord geven op de vraag welke hulpverlening zij voor zichzelf nodig achten en wijzen zij vooral naar instanties die hun problemen veroorzaakt/verergerd zouden hebben. Daarnaast bestaat tot op heden onduidelijkheid over de oorzaak van het hersenletsel bij [de minderjarige 2] . De kans is groot dat hierover nooit duidelijkheid zal komen, ook niet na het afronden van het politieonderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank is het daarom niet nodig de uitkomsten van het politieonderzoek af te wachten om een oordeel te kunnen geven over het perspectiefbesluit.
5.9.
De rechtbank overweegt dat, ook los van de omstandigheid dat de ouders geen huisvesting en werk hebben en onduidelijk is hoe het hersenletsel bij [de minderjarige 2] is ontstaan, de verwachting niet gerechtvaardigd is dat zij [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] de zorg, veiligheid en nabijheid kunnen bieden, die de kinderen nodig hebben. In de thuissituatie bij de ouders was sprake van structurele onveiligheid en er bestaan veel aanwijzingen dat de schade die de kinderen hebben opgelopen, is ontstaan in de periode dat zij bij de ouders woonden. De ouders (h)erkennen de zorgen echter niet, tonen onvoldoende zelfinzicht en leggen de verantwoordelijkheid voor de situatie buiten zichzelf. Daarbij komt dat beide kinderen een verzwaarde opvoedbehoefte hebben en de ouders niet over de vaardigheden beschikken om de opvoeding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] adequaat vorm te geven. Ondanks de inzet en ondersteuning van de GI en de hulpverlening, is het niet gelukt om de situatie te verbeteren. De rechtbank heeft niet de hoop dat de ouders de komende tijd, ook niet binnen een jaar, hun zaken op orde hebben en zelf de zorg voor de kinderen kunnen dragen. De ouders worden daarom niet in staat geacht om binnen de aanvaardbare termijn de zorg en opvoeding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] weer op zich te nemen.

De gezinshuisouders bieden de kinderen een veilige en stabiele thuissituatie en sluiten goed aan bij de verzwaarde opvoedbehoefte van de kinderen. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] maken sinds de uithuisplaatsing stapjes in hun ontwikkeling. De rechtbank is daarom van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is om op te groeien in het gezinshuis en bekrachtigt om die reden het perspectiefbesluit van de GI.

ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
5.10.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De rechtbank legt hieronder uit waarom.
5.11.
De ontwikkelingsbedreiging zoals omschreven in de beschikking van 18 april 2025, is onverminderd aanwezig. Dit blijkt uit wat hiervoor is beschreven. De komende periode is het nodig dat de behandeling van de kinderen voortgezet wordt en dat zicht wordt gehouden op het verloop van de contactmomenten met de ouders. De ouders zijn hier niet toe in staat. De GI werkt niet meer aan terugplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de ouders. Omdat de ouders daarmee niet instemmen is regie door de GI en dus het gedwongen kader noodzakelijk. De plaatsing van de kinderen bij de gezinshuisouders, waar de kinderen het fijn hebben, en liefdevol en adequaat verzorgd en opgevoed worden, moet daarom geborgd worden.
5.12.
De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn daarom nog steeds nodig. De rechtbank verlengt de maatregelen voor de verzochte duur van een jaar.
5.13.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.14.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
<nr>6</nr>De beslissing
De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] tot 18 april 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening tot 18 april 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.M.A. Bataille, mr. F. W. van Dongen en mr. E.M. ten Bos, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 10:113 BW jo. artikel 7 Brussel II ter.

Artikel 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996

Hoge Raad 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148.

Artikel 1:260 BW.

Artikel 1:265c, tweede lid, BW.

Artikel 2 Besluit gezagsregisters.

Artikel delen