Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNHO:2026:4362

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. De minderjarige is bij de vader geplaatst nadat de moeder is teruggevallen in haar drugsgebruik en zich daarmee niet aan de veiligheidsafspraken heeft gehouden. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt voor kortere duur verlengd zodat een extra toetsmoment kan plaatsvinden, gezien de hoeveelheid nieuwe en vers...

Rechtbank Noord-Holland 31 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNHO:2026:4362 text/xml public 2026-07-31T10:27:19 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-31 C/15/375832 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4362 text/html public 2026-07-31T10:26:54 2026-07-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:4362 Rechtbank Noord-Holland , 31-03-2026 / C/15/375832
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. De minderjarige is bij de vader geplaatst nadat de moeder is teruggevallen in haar drugsgebruik en zich daarmee niet aan de veiligheidsafspraken heeft gehouden. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt voor kortere duur verlengd zodat een extra toetsmoment kan plaatsvinden, gezien de hoeveelheid nieuwe en verschillende informatie die ter zitting naar voren is gebracht.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummer: C/15/375832 / JU RK 26-458

Datum uitspraak: 31 maart 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Amsterdam,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats] ,

advocaat mr. M.B. Chylinska, kantoorhoudende te Zaandam,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats] .
<nr>1</nr>Het verdere verloop van de procedure 1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de beschikking van 18 maart 2026 en de daarbij behorende stukken;

het bericht van [de behandelaar van de moeder] , een behandelaar vanuit de Brijder van de moeder (hierna: de behandelaar van de moeder) van 24 maart 2026, ontvangen van de advocaat van de moeder op 30 maart 2026.
1.2.
Op 31 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door een tolk Arabisch;

de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk Spaans;

de behandelaar van de moeder;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] , [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 augustus 2023 [de minderjarige] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 6 februari 2026, tot 15 augustus 2026.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 maart 2026 een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de ouder met gezag, te weten bij de vader, tot 15 april 2026 en heeft de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot aan deze zitting.
2.4.
Op grond van bovengenoemde machtiging verblijft [de minderjarige] bij de vader.
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1.
De GI handhaaft het aangehouden deel van het verzoek en verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de ouder met gezag te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Nu de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] nog voortduurt tot 15 augustus 2026, begrijpt de kinderrechter het verzoek als een verlenging voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.
De GI heeft het verzoek als volgt onderbouwd. De afgelopen jaren is een patroon zichtbaar geworden van middelengebruik bij de moeder, waaraan [de minderjarige] werd blootgesteld. Op 18 maart 2026 is de moeder positief getest op (hard)drugs. Het is aannemelijk dat [de minderjarige] wederom aan dit middelengebruik is blootgesteld. Het is daarom in het belang van [de minderjarige] dat zij per direct bij de vader wordt geplaatst.
3.3.
Ter zitting heeft de GI het volgende naar voren gebracht. Gedurende de betrokkenheid van de GI is geen verbetering in de situatie van de moeder zichtbaar, maar juist een patroon van toenemende instabiliteit, terugval in middelengebruik, overvraging en emotionele onbeschikbaarheid van de moeder. De afgelopen maanden hebben deze zorgen een punt bereikt dat de veiligheid van [de minderjarige] niet meer gewaarborgd kon worden en haar belang niet meer centraal stond. In het gesprek met de GI op 26 maart 2026 heeft de moeder erkend dat zij onder spanning staat, dat zij in gebruik is teruggevallen en heeft zij ingestemd met een afkicktraject in Portugal. In hetzelfde gesprek uitte de moeder opnieuw zorgen over misbruik van [de minderjarige] door de vader. De GI neemt de zorgen van de moeder serieus maar ziet geen signalen van misbruik. Ook heeft de moeder al langer zorgen over het wietgebruik van de vader. Na onderzoek door ambulante spoedhulp zijn geen signalen naar voren gekomen van wietgebruik door de vader. Wel ziet de GI bij de moeder een herhalend patroon dat zodra het voor de moeder emotioneel zwaar wordt, zij ernstige beschuldigingen uit richting de vader. De recente positieve drugstest bevestigt daarnaast dat de moeder worstelt met actief middelengebruik, waardoor zij niet beschikbaar en voorspelbaar is voor een jong kind als [de minderjarige] . De impact van de onvoorspelbare en onrustige thuissituatie van de moeder blijkt uit het gedrag van [de minderjarige] zelf. Sinds de uithuisplaatsing bij de vader zoekt zij zelf meer contact met anderen, toont zij nieuwsgierigheid en vraagt zij minder op negatieve wijze de aandacht. Dit bevestigt dat zij bij de vader de rust en veiligheid ervaart die zij nodig heeft en eerder gemist heeft bij de moeder. Het is nodig dat de plaatsing van [de minderjarige] bij de vader gecontinueerd wordt zodat vanuit rust en stabiliteit onderzocht kan worden wat een veilig en passend toekomstperspectief is voor [de minderjarige] .
<nr>4</nr>De standpunten 4.1.
Door en namens de moeder is verzocht om afwijzing van het verzoek. Het verzoek is in het verzoekschrift onvoldoende onderbouwd en is daarnaast gebaseerd op onwaarheden. Wat de GI ter zitting naar voren brengt, is anders dan wat in het verzoekschrift staat. Dit is een bezwaarlijke gang van zaken; de advocaat heeft het verhaal van de GI niet kunnen toetsen en ook niet met de moeder kunnen bespreken voorafgaand aan de zitting. De moeder betwist dat zij is teruggevallen in gebruik en dat zij onvoorspelbaar en belastend is richting [de minderjarige] . In de verklaring van de behandelaar van de moeder worden de beschuldigingen richting de moeder weerlegd en blijkt juist een positieve lijn bij de moeder, waarbij zij hulpverlening aangaat en haar eigen problematiek aanpakt. De moeder heeft daarentegen zorgen over de vader. In het kader van zorgen over beschikbaarheid en oplettendheid van de opvoeder is het dagelijks wietgebruik van de vader gevaarlijker voor [de minderjarige] dan het sporadische middelengebruik van de moeder. Volgens de behandelaar van de moeder heeft de moeder in zes maanden tijd tweemaal positief getest, wat onvoldoende is om een ingrijpende maatregel als een uithuisplaatsing te dragen.
4.2.
De vader heeft naar voren gebracht dat het goed gaat met [de minderjarige] bij hem. De vader doet zijn best om goed voor [de minderjarige] te zorgen. De vader rookt geen wiet en hij staat ervoor open om daarop getest te worden. De vader wil graag dat [de minderjarige] de moeder kan zien maar weet dat de moeder agressief en paranoïde kan worden wanneer zij drugs gebruikt. Het is daarom nodig dat de moeder eerst afkickt.
4.3.
De behandelaar van de moeder heeft naar voren gebracht de moeder drie keer per week wordt getest op drugsgebruik. In zes maanden tijd heeft de moeder twee keer positief getest. Bij de laatste positieve test ging het om eenmalig gebruik. In de ogen van de behandelaar was de moeder in staat om de dag na het gebruik voor [de minderjarige] te zorgen. Zij vindt het onvoldoende als de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing op dat incident gebaseerd is.
<nr>5</nr>De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Door de omstandigheid dat de moeder de Spaanse nationaliteit heeft en [de minderjarige] zowel de Spaanse als de Marokkaanse nationaliteit heeft, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter. Gelet hierop dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om dit verzoek te behandelen. Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is. Dat is het Nederlandse recht.

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
5.2.
Op grond van de stukken en wat op de zitting naar voren is gekomen, ziet de kinderrechter geen aanleiding om het oordeel geformuleerd in de beschikking van 18 maart 2026 over de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te wijzigen. Deze beslissing zal dan ook worden gehandhaafd.

Machtiging tot uithuisplaatsing
5.3.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De moeder is bekend met middelengebruik, waaraan [de minderjarige] is blootgesteld. Bij [de minderjarige] worden kindsignalen gezien die passen bij langdurige onveiligheid en onvoldoende beschikbaarheid van een ouder. Zo kan zij zelfbepalend en dominant zijn in haar gedrag en schuw zijn richting volwassenen. De moeder is voor haar verslaving in behandeling bij de Brijder en ondergaat wekelijks meerdere verplichte urinecontroles. Nadat de moeder op 16 en 17 maart 2026 niet is verschenen bij de Brijder voor haar urinecontroles, is zij op 18 maart 2026 positief getest op cocaïne. Dit bevestigde het vermoeden van de GI dat de moeder nog steeds belast is met actief drugsgebruik, waarmee zij in strijd handelt met de veiligheidsafspraken van 7 januari 2026. Hoewel de behandelaar van de moeder heeft aangegeven dat de moeder goed in haar herstel zit en zij met de hoeveelheid genomen cocaïne nog voldoende beschikbaar kon zijn voor [de minderjarige] , doet dit niet af aan het feit dat de moeder in strijd heeft gehandeld met de recente veiligheidsafspraken.
5.5.
Ter zitting heeft de GI verder naar voren gebracht dat [de minderjarige] sinds zij bij de vader woont een positieve ontwikkeling laat zien. Haar zelfbepalende gedrag is afgenomen en zij zoekt meer contact met anderen en toont nieuwsgierigheid, passend bij haar leeftijd. De GI heeft aangegeven geen zorgen te hebben over de opvoedsituatie bij de vader. Gezien het drugsgebruik van de moeder, waarmee zij zich niet aan de veiligheidsafspraken heeft gehouden, het langere patroon van – toenemende – instabiliteit en terugval in gebruik en de positieve ontwikkeling van [de minderjarige] sinds zij bij de vader verblijft, is de kinderrechter van oordeel dat de plaatsing van [de minderjarige] bij de vader voortgezet moet worden.
5.6.
De kinderrechter stelt vast dat ter zitting veel nieuwe en verschillende informatie naar voren is gebracht. Zo hebben de behandelaar van de moeder en de moeder zelf aangegeven dat de moeder goed in haar herstel zit, maar heeft de moeder volgens de GI ingestemd met een behandeltraject voor haar drugsgebruik in Portugal. Ook heeft de GI geen zorgen over de opvoedsituatie bij de vader, terwijl in het verleden wel zorgen waren over de vader en vaststaat dat ook de vader in strijd heeft gehandeld met de veiligheidsafspraken door in februari 2026 nog contact te hebben met de moeder. De kinderrechter ziet daarom aanleiding om het verzoek voor kortere duur toe te wijzen dan verzocht zodat een extra toetsmoment kan plaatsvinden. De komende maanden is het nodig dat zicht wordt gehouden op de ontwikkeling en het welzijn van [de minderjarige] in de thuissituatie bij de vader, het middelengebruik van de moeder en het onderlinge contact tussen de ouders. Ook moet worden gekeken op welke wijze het contact tussen [de minderjarige] en de moeder opgebouwd en vormgegeven kan worden. Omdat moeder volgens de GI veel stress heeft en dit ook uit, is het ook belangrijk dat de komende tijd wordt gekeken wat moeder hierin voor hulpverlening nodig heeft. De komende periode moet gebruikt worden om duidelijke doelen te stellen zodat moeder weet wat er moet gebeuren om de omgang op te bouwen en tot een meer gelijkwaardige verdeling te komen. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengen voor de duur van twee maanden, te weten tot 15 juni 2026, en de behandeling van het verzoek voor de overige twee maanden aanhouden.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
<nr>6</nr>De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de ouder met gezag, te weten de vader, tot 15 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting begin juni 2026, tegen welke zitting de moeder, mr. M.B. Chylinska, de vader en de GI dienen te worden opgeroepen;
6.4.
bepaalt dat de GI de kinderrechter en alle belanghebbenden uiterlijk één week voor de zitting schriftelijk dient te informeren over de actuele stand van zaken en haar standpunt ten aanzien van het resterende deel van het verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. ten Bos, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 14 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 10:113 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 7 van de Verordening Brussel-II-ter.

Artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.

Artikel 1:265c, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel delen