Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNHO:2026:4621

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. Een verlenging van de maatregelen is nodig om uitvoering te geven aan het genomen perspectiefbesluit en het verblijf van de kinderen in het gezinshuis te waarborgen. Hoewel er sprake is van een positieve ontwikkeling bij de moeder, is deze nog te pril voor een overdracht aan...

Rechtbank Noord-Holland 31 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNHO:2026:4621 text/xml public 2026-07-31T10:35:26 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-14 C/15/375307 / JU RK 26-343 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Alkmaar Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4621 text/html public 2026-07-31T10:34:35 2026-07-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:4621 Rechtbank Noord-Holland , 14-04-2026 / C/15/375307 / JU RK 26-343
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. Een verlenging van de maatregelen is nodig om uitvoering te geven aan het genomen perspectiefbesluit en het verblijf van de kinderen in het gezinshuis te waarborgen. Hoewel er sprake is van een positieve ontwikkeling bij de moeder, is deze nog te pril voor een overdracht aan het vrijwillig kader.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht

Locatie Alkmaar

Zaaknummer: C/15/375307 / JU RK 26-343

Datum uitspraak: 14 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

hierna te noemen: de GI,

wonende in Amsterdam,

over

[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,

[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,

[de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 3] ,

[de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 4] ,

hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats] .
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure 1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift van 26 februari 2026 met bijlagen, ontvangen op 2 maart 2026;

de toetsing voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing na twee jaar door de Raad van 10 maart 2026, ontvangen van de GI op 8 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .

De moeder is โ€“ met bericht van afmelding โ€“ niet ter zitting verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] de mogelijkheid gegeven hun mening kenbaar te maken. De kinderen hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] .
2.2.
[de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] verblijven in een gezinshuis.

Ten aanzien van [de minderjarige 3]
2.3.
Bij beschikking van 2 februari 2023 is [de minderjarige 3] (voorlopig) onder toezicht gesteld

tot 2 mei 2023. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 24 april 2025, tot 1 mei 2026.
2.4.
Bij beschikking van 2 februari 2023 is ook een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige 3] uit huis te plaatsen in een netwerkgezin dan wel een crisispleeggezin. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 1 september 2013. Bij beschikking van 31 mei 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg gewijzigd naar een plaatsing in een gezinshuis. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 16 december 2025, tot 1 mei 2026.

Ten aanzien van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 4]
2.5.
Bij beschikking van 13 juli 2023 zijn [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 4] onder toezicht

gesteld tot 1 mei 2024. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 24 april 2025, tot 1 mei 2026.
2.6.
Bij beschikking van 30 november 2023 is een (spoed)machtiging verleend om

[de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 4] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een

jeugdhulpaanbieder. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 16 december 2025, tot 1 mei 2026.
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek als volgt onderbouwd. Sinds november 2025 verblijven de kinderen samen in hetzelfde gezinshuis. Zij kunnen daar tot aan hun meerderjarigheid blijven. Sinds het verblijf van de moeder bij de GGZ gaat het beter met haar. Het geeft de moeder rust dat de kinderen nu in hetzelfde gezinshuis wonen en dat het daar goed gaat met hen. Wanneer de moeder haar eigen woning heeft, kan gekeken worden naar uitbreiding van de contactmomenten met de kinderen. Het komende jaar is het nodig dat de kinderen de noodzakelijk geachte therapie blijven ontvangen. De GI zal daarnaast monitoren of de moeder in staat blijft om in het belang van haar kinderen te handelen. De GI wil toewerken naar het afsluiten van de ondertoezichtstelling.
<nr>4</nr>Het standpunt van de moeder 4.1.
Uit het verzoekschrift blijkt dat de moeder het eens is met het verzoek.
<nr>5</nr>De beoordeling 5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De GI heeft het perspectiefbesluit genomen dat de kinderen niet meer bij de moeder, maar in hun huidige gezinshuis gaan opgroeien, omdat de moeder vanwege haar persoonlijke problematiek structureel niet in staat was om de kinderen een stabiele opvoedsituatie te bieden en samen te werken met de hulpverlening. Bij alle kinderen werden kindsignalen gezien die duiden op loyaliteitsconflicten, hechtingsproblemen, zelfbepalend gedrag en emotionele overbelasting. Het perspectiefbesluit is bij beschikking van 16 december 2025 van de meervoudige kamer van deze rechtbank onderschreven.
5.3.
De moeder heeft het afgelopen jaar een periode intensieve behandeling gehad vanuit de GGZ en ontvangt nu wekelijks begeleiding en maandelijks medicatie voor haar persoonlijke problematiek. Daarnaast lijken zowel de moeder als de kinderen sinds het nemen van het perspectiefbesluit meer rust te ervaren. De samenwerking tussen de GI en de moeder is aanzienlijk verbeterd en ook het contact tussen de moeder en de gezinshuisouders verloopt goed. De kinderen krijgen van de moeder emotionele toestemming om in het gezinshuis te wonen en lijken inmiddels allemaal gesetteld in het gezinshuis. Wel zijn er nog steeds zorgen om hun ontwikkeling en welzijn. Gezien wordt dat de kinderen zich zorgen maken om de moeder en erg loyaal naar haar zijn. Daarnaast verloopt de schoolgang van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] moeizaam en bestaan er zorgen over het welbevinden van [de minderjarige 4] . De moeder bevindt zich middenin een verhuizing wat ook voor de nodige onrust zorgt. Het is daarom nodig dat de hulpverlening voor de kinderen in- en voortgezet wordt. Ook is het van belang dat de contactmomenten tussen de moeder en de kinderen uitgebreid worden. Wanneer de moeder verhuisd is, kunnen de (begeleide) contactmomenten ook bij de moeder thuis plaatsvinden.
5.4.
De kinderrechter is met de GI van oordeel dat er sprake is van een positieve ontwikkeling maar dat deze op dit moment nog te pril is voor een overdracht naar het vrijwillig kader. Het komende jaar is het nodig dat door de GI en de hulpverlening gekeken wordt of de moeder deze positieve ontwikkeling vast kan houden. Ook moet het effect van de behandeling en het uitbreiden van de contactmomenten op de kinderen gemonitord worden.
5.5.
Een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing is nodig om uitvoering te geven aan het genomen perspectiefbesluit en het verblijf van de kinderen in het gezinshuis te waarborgen, en om zicht te houden op de ontwikkeling van de belangen van de kinderen. De kinderrechter verlengt beide maatregelen voor de verzochte duur van een jaar.
5.6.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
<nr>6</nr>De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] tot 1 mei 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] in een gezinsgerichte voorziening tot 1 mei 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. Kanninga-Jonker, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 21 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:260 BW.

Artikel 1:265c, tweede lid, BW.

Artikel 2 Besluit gezagsregisters.

Artikel delen