Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNHO:2026:5452

Luchtvaart. De passagiers vorderen compensatie voor een geannuleerde vlucht. De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden, namelijk slecht weer en beperkingen van de luchtverkeersleiding. Het verweer slaagt gedeeltelijk omdat hij voor passagiers sub 1 en sub 2 niet alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging door de annulering te beperken en voor passagier sub 3 ...

Rechtbank Noord-Holland 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNHO:2026:5452 text/xml public 2026-08-06T13:36:33 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-29 10628230 CV EXPL 23-4821 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5452 text/html public 2026-08-06T13:36:11 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:5452 Rechtbank Noord-Holland , 29-04-2026 / 10628230 CV EXPL 23-4821
Luchtvaart. De passagiers vorderen compensatie voor een geannuleerde vlucht. De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden, namelijk slecht weer en beperkingen van de luchtverkeersleiding. Het verweer slaagt gedeeltelijk omdat hij voor passagiers sub 1 en sub 2 niet alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging door de annulering te beperken en voor passagier sub 3 wel. De compensatie wordt alleen voor passagiers sub 1 en sub 2 toegewezen.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 10628230 CV EXPL 23-4821

Uitspraakdatum: 29 april 2026

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
<nr>1</nr> [eiser 1] <?linebreak?>2. [eiser 2]<?linebreak?>beiden wonende te [plaats 1]
3. [eiser 3], wonende te [plaats 2]

eisers

hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers

gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)

tegen

de buitenlandse vennootschap

American Airlines, Inc.

gevestigd te Wilmington, Verenigde Staten

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.)

De zaak in het kort

De passagiers vorderen compensatie voor een geannuleerde vlucht. De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden, namelijk slecht weer en beperkingen van de luchtverkeersleiding. Het verweer slaagt gedeeltelijk omdat hij voor passagiers sub 1 en sub 2 niet alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging door de annulering te beperken en voor passagier sub 3 wel. De compensatie wordt alleen voor passagiers sub 1 en sub 2 toegewezen.
<nr>1</nr>Het procesverloop 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding:

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
Passagiers sub 1 en sub 2 hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 15 april 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Philadelphia, Verenigde Staten, naar Miami, Verenigde Staten, met vluchtcombinatie AA203 en AA2571.
2.2.
Passagier sub 3 heeft een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder haar op 15 april 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Philadelphia, Verenigde Staten, en via Miami, Verenigde Staten, naar Mexico-Stad, Mexico, met vluchtcombinatie AA2023, AA2571 en AA1834.
2.3.
De vervoerder heeft vlucht AA2571 van Philadelphia naar Miami (hierna: de vlucht) geannuleerd.
2.4.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.5.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
<nr>3</nr>Het geschil 3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 april 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;- € 363,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per persoon.
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van een luchtvaartmaatschappij en deze daar ook geen invloed op kon uitoefenen.
4.3.
De vervoerder voert aan dat op de dag van de vlucht sprake was van slecht weer (zware onweersbuien) op de luchthaven van Miami. Hierdoor ontstonden lange vertragingen. De luchtverkeersleiding besloot het aantal vluchten te beperken door middel van een ‘ground stop’. Dit houdt in dat vluchten die vanaf andere luchthavens naar Miami zouden vliegen, geen toestemming meer kregen om te vertrekken. De verwachting was dat deze ground stop een aantal uren zou duren. Daarop heeft de vervoerder de vlucht geannuleerd.
4.4.
De passagiers betwisten dit. Zij voeren aan dat de ground stop ongeveer twee uur voor de verwachte aankomsttijd van de vlucht is opgeheven. De gemiddelde vertraging op de luchthaven bedroeg ongeveer twee uur. Daarom had de vlucht ook vertraagd uitgevoerd kunnen worden en had deze niet hoeven te worden geannuleerd.
4.5.
De vervoerder heeft daar tegenin gebracht dat de ground stop betekent dat vluchten niet mochten vertrekken. Daarom moet worden gekeken naar de situatie op het geplande moment van vertrek en niet dat van aankomst. Toen was de verwachting dat de ground stop veel langer zou duren. Ook is na de opheffing van de ground stop een zogenaamd ‘ground delay program’ ingesteld. Hierdoor werd het luchtverkeer op de luchthaven van Miami alsnog drastisch beperkt en de liepen vertragingen verder op. De vlucht zou ook na het opheffen van de ground stop niet direct toestemming hebben gekregen om te vertrekken.
4.6.
Het verweer slaagt. Als onbetwist staat vast dat er op de vluchtdatum sprake was van slechte weersomstandigheden en uitgebreide beperkingen door de luchtverkeersleiding. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat op het moment van de annulering de verwachting was dat deze beperkingen nog gedurende lange tijd aan zouden houden. Daarbij kan niet van de vervoerder worden verwacht dat hij bleef afwachten of deze omstandigheden eventueel zouden verbeteren. Als de luchtverkeersleiding dergelijke beperkingen instelt, heeft een luchtvaartmaatschappij niet de mogelijkheid om toch (eerder) te vertrekken. De instructies van de luchtverkeersleiding moeten namelijk altijd worden opgevolgd. Dit is niet inherent aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij heeft daar ook geen invloed op. Daarmee was de annulering van de vlucht het gevolg van buitengewone omstandigheden.
4.7.
Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging door de annulering te voorkomen en te beperken. De vervoerder stelt in dit verband dat hij geen invloed kon uitoefenen op de beslissingen van de luchtverkeersleiding. De passagiers zijn na de annulering omgeboekt op de eerst beschikbare alternatieve vluchten naar de eindbestemmingen.
4.8.
De passagiers betwisten dit. Zij voeren aan dat passagiers sub 1 en sub 2 met een vertraging van meer dan een dag (op een andere bestemming) zijn aangekomen. Er waren eerdere alternatieven beschikbaar. Ook voor passagier sub 3 waren eerdere alternatieve vluchten beschikbaar.
4.9.
De vervoerder heeft daar tegenin gebracht dat hij bij het omboeken gebruikmaakt van een geautomatiseerd systeem. Als er plaats was geweest op de door de passagiers genoemde alternatieven dan zouden zij daar wel op zijn omgeboekt. Daaruit blijkt dan ook dat er geen plaats voor hen beschikbaar was.
4.10.
Dit verweer slaagt gedeeltelijk. De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder voldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat hij passagier sub 3 heeft omgeboekt naar de eerst beschikbare alternatieve vlucht naar de bestemming. De passagiers hebben dit onvoldoende gemotiveerd betwist. De overgelegde lijst met eerdere alternatieven maakt dit niet anders omdat daaruit niet zonder meer blijkt dat daarop ook plaats voor passagier sub 3 beschikbaar was. Niet valt in te zien wat er onder deze omstandigheden meer of anders van de vervoerder kon worden verwacht. De passagiers hebben in dit verband ook niets anders aangevoerd. Daarom heeft de vervoerder voor passagier sub 3 alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging te beperken. De namens haar gevorderde compensatie zal dan ook worden toegewezen.
4.11.
Dit geldt echter niet ten aanzien van passagiers sub 1 en sub 2. Het is namelijk in beginsel geen redelijke maatregel als een luchtvaartmaatschappij een passagier omboekt naar een alternatieve vlucht die de dag na de oorspronkelijke vastgestelde dag aankomt. Dit is alleen anders als er geen enkele mogelijkheid was voor een eerdere directe of indirecte alternatieve vlucht van de luchtvaartmaatschappij zelf of van een andere luchtvaartmaatschappij of dat het organiseren daarvan een onaanvaardbaar offer van de luchtvaartmaatschappij zou vergen.
4.12.
Vast staat dat passagier sub 1 en sub 2 met een vertraging van meer dan een dag zijn aangekomen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder, gelet op de gemotiveerde betwisting door de passagiers, onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat er voor hen geen enkele mogelijkheid was voor een eerdere alternatieve vlucht. De enkele stelling dat er geen plaats was op de door hen genoemde vluchten omdat dit uit het door hem gehanteerde automatische systeem kwam, is daarvoor onvoldoende. Het had op zijn weg gelegen om deze stelling nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door schermafdrukken uit dit systeem of andere documenten te overleggen waaruit blijkt dat er op de door de passagiers genoemde eerdere vluchten geen plaats beschikbaar was. Omdat hij dit heeft nagelaten, kan niet worden geoordeeld dat hij passagiers sub 1 en sub 2 heeft omgeboekt op het eerst beschikbare alternatief. Daarom heeft hij voor hen niet alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging te beperken. De door hen gevorderde compensatie zal worden toegewezen.
4.13.
De wettelijke rente over het toe te wijzen gedeelte van de hoofdsom is eveneens toewijsbaar, met ingang van de datum waarop de passagiers schade hebben geleden. Dat is de datum waarop zij op de eindbestemming hadden moeten aankomen. Het betreft hier een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade direct opeisbaar is. Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf 15 april 2022.
4.14.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder betwist deze vordering. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht.Gelet op de toewijsbare hoofdsom is het gevorderde bedrag hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. De kantonrechter zal de vordering daarom toewijzen tot het wettelijke tarief, namelijk € 217,80 (inclusief btw), en voor het overige afwijzen.
4.15.
De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.
4.16.
De vervoerder zal overwegend in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
<nr>5</nr>De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.417,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.200,00 vanaf 15 april 2022, en over € 217,80 vanaf 15 juni 2023, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 129,14;griffierecht € 244,00;salaris gemachtigde € 434,00;

vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 108,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Artikel 7 van de Verordening.

Artikel 5 lid 3 van de Verordening.

Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771.

HvJEU 11 juni 2020, C-74/19, ECLI:EU:C:2020:460.

Gelet op artikel 6:83 sub b BW.

Artikel delen