Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNHO:2026:5459

Luchtvaart. De passagiers vorderen compensatie voor een vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Door slechte weersomstandigheden op de luchthaven van vertrek was het noodzakelijk om zowel een voorgaande vlucht als de vlucht in kwestie naar de volgende dag te verplaatsen. Hij heeft echter onvoldoende onderb...

Rechtbank Noord-Holland 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNHO:2026:5459 text/xml public 2026-08-06T10:56:25 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-29 11571922 CV EXPL 25-1402 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5459 text/html public 2026-08-06T10:56:16 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:5459 Rechtbank Noord-Holland , 29-04-2026 / 11571922 CV EXPL 25-1402
Luchtvaart. De passagiers vorderen compensatie voor een vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Door slechte weersomstandigheden op de luchthaven van vertrek was het noodzakelijk om zowel een voorgaande vlucht als de vlucht in kwestie naar de volgende dag te verplaatsen. Hij heeft echter onvoldoende onderbouwd dat het niet mogelijk was om de vlucht eerder op die dag uit te voeren. Daarom slaagt het verweer niet. De vorderingen worden toegewezen.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11571922 CV EXPL 25-1402

Uitspraakdatum: 29 april 2026

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
<nr>1</nr> [betrokkene 1], wonende te [plaats 1]
2. [betrokkene 2]wonende te [plaats 2]
3. [betrokkene 3] 4. [betrokkene 4]
5. [betrokkene 5] 6. [betrokkene 6] allen wonende te [plaats 3]

eisers

hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers

gemachtigde: [gemachtigde] (ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim)

tegen

de commanditaire vennootschap

Transavia Airlines C.V.

gevestigd te Schiphol

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. M.J. Leuvenink-Verwijs (LVH Advocaten)

De zaak in het kort

De passagiers vorderen compensatie voor een vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Door slechte weersomstandigheden op de luchthaven van vertrek was het noodzakelijk om zowel een voorgaande vlucht als de vlucht in kwestie naar de volgende dag te verplaatsen. Hij heeft echter onvoldoende onderbouwd dat het niet mogelijk was om de vlucht eerder op die dag uit te voeren. Daarom slaagt het verweer niet. De vorderingen worden toegewezen.
<nr>1</nr>Het procesverloop 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding:

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek;- de akte eisers.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten
2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 30 januari 2023 vervoeren van Keflavik, IJsland, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht HV6888 (hierna: de vlucht).
2.2.
De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
<nr>3</nr>Het geschil 3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 2.400,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;- € 360,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de nakosten.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,- per persoon.
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van een luchtvaartmaatschappij en deze daar ook geen invloed op kon uitoefenen.
4.3.
De vervoerder voert aan dat de vlucht in kwestie onderdeel was van de rotatievlucht Keflavik – Amsterdam – Keflavik (vluchtnummers HV6887 en HV6888). Op de dag dat beide vluchten zouden worden uitgevoerd was er sprake van slechte weersomstandigheden op de luchthaven van Keflavik, namelijk harde (zij)wind, slecht zicht en sneeuw. Daarom heeft de gezagvoerder besloten om de uitvoering van vlucht HV6887 van Amsterdam naar Keflavik met een dag uit te stellen. Deze vertraging werkte door op de vlucht in kwestie. Ten slotte voert hij aan dat al eerder is geoordeeld dat de vertraging van deze vlucht niet het gevolg was van buitengewone omstandigheden.
4.4.
De passagiers betwisten dit. Zij voeren aan dat de overgelegde weersvoorspellingen alleen betrekking hebben op de oorspronkelijke vluchtdatum. Hieruit blijkt niet dat het slechte weer ook op de dag erna aanhield. Daarom had vlucht HV6887 van Amsterdam naar Kevflavik de volgende dag ook al ’s ochtends kunnen worden uitgevoerd. Nu is deze pas om 17.00 uur vertrokken.
4.5.
De vervoerder heeft daar tegenin gebracht dat het onduidelijk was hoe lang de weersomstandigheden zouden duren. Daarom heeft hij proactief gekozen om de uitvoering van vlucht HV6687 en de vlucht in kwestie een dag uit te stellen. Er was op de dag erna om 08.00 uur in ieder geval nog steeds sprake was van storm. In de planning moest hij ook rekening houden met landingsrechten en de luchtverkeersleiding. Daarom was het niet mogelijk om eerder te vertrekken.
4.6.
Het verweer slaagt niet. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat vlucht HV6887 en de vlucht in kwestie door de weersomstandigheden niet op de oorspronkelijke vluchtdatum uitgevoerd konden worden. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de passagiers heeft hij echter onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat het onmogelijk was om de beide vluchten eerder op de volgende dag uit te voeren. De enkele stellingen dat het om 08.00 uur nog stormde en dat er rekening gehouden moest worden met de verplichte rusttijden van de bemanning en de regels van de luchtverkeersleiding op Schiphol en op de luchthaven van Keflavik, zijn daarvoor te algemeen en onvoldoende concreet. Daaruit blijkt immers niet zonder meer dat het noodzakelijk was om het vertrek van vlucht HV6687 tot 17.00 uur uit te stellen. Het had op de weg van de vervoerder gelegen om concreter te maken hoe lang de weeromstandigheden aanhielden, hoe lang het vervolgens zou duren om de bemanning op te roepen en wat de regels voor het landen en het vertrekken op de beide luchthavens waren. Omdat hij dit heeft nagelaten, kan niet worden geoordeeld dat de vervoerder geen invloed kon uitoefenen op het grootste gedeelte van de vertraging en evenmin dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te beperken.
4.7.
De kantonrechter ziet daarom aanleiding om anders te oordelen dan in de eerdere procedure. Daarin is de discussie of de beide vluchten eerder op de dag uitgevoerd hadden kunnen worden, immers niet gevoerd. De gevorderde compensatie worden toegewezen. De wettelijke rente over de compensatie is als anderszins onbetwist eveneens toewijsbaar.
4.8.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder betwist deze vordering. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht.Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
4.9.
De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Zij hebben niet gesteld dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.
4.10.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
<nr>5</nr>De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.760,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.400,00 vanaf 30 januari 2023, en over € 360,00 vanaf 29 januari 2025, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 144,47;griffierecht € 257,00;salaris gemachtigde € 632,50;

vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 126,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Artikel 7 van de Verordening.

Artikel 5 lid 3 van de Verordening.

Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771.

Zie rb. Noord-Holland 12 juni 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:7471.

Idem.

Artikel delen