Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNHO:2026:8813

Verlenging ots, verlenging uhp van de minderjarige 1 bij de vader met gezag, verlenging uhp van de minderjarige 2 voor kortere duur. De kinderen zijn opgegroeid in een onveilige en instabiele thuissituatie en wonen al twee jaar in het huidige gezinshuis. Vanwege grensoverschrijdend gedrag kan de minderjarige 1 niet langer in het gezinshuis blijven. de minderjarige 1 kan bij de vader wonen, de G...

Rechtbank Noord-Holland 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNHO:2026:8813 text/xml public 2026-08-05T15:50:07 2026-07-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-06-30 C/15/373030 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8813 text/html public 2026-08-05T15:49:32 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:8813 Rechtbank Noord-Holland , 30-06-2026 / C/15/373030
Verlenging ots, verlenging uhp van de minderjarige 1 bij de vader met gezag, verlenging uhp van de minderjarige 2 voor kortere duur. De kinderen zijn opgegroeid in een onveilige en instabiele thuissituatie en wonen al twee jaar in het huidige gezinshuis. Vanwege grensoverschrijdend gedrag kan de minderjarige 1 niet langer in het gezinshuis blijven. de minderjarige 1 kan bij de vader wonen, de GI moet onderzoeken of de vader opvoedondersteuning nodig heeft en moet de plaatsing monitoren. de minderjarige 2 ontwikkelt zich goed in het gezinshuis maar heeft de wens uitgesproken dat zij ook bij de vader wil wonen. Een overhaaste plaatsing is niet in haar belang; aan de hand van de plaatsing van de minderjarige 1 kan gekeken worden of en zo ja, hoe de minderjarige 2 ook bij de vader kan wonen.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummer: C/15/373030 / JU RK 25-1830

Datum uitspraak: 30 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Amsterdam,

over

[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,

[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,

hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. Y. Bruin, kantoorhoudende te Heerhugowaard,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats] ( [land] ),

advocaat: mr. A.M. Koopman, kantoorhoudende te Alkmaar,

hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders,

de gezinshuisouders,

hierna te noemen: de gezinshuisouders,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
<nr>1</nr>Het verdere verloop van de procedure 1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de beschikking van 5 februari 2026 en de daarbij behorende stukken;

de schriftelijke update van de GI met bijlagen van 23 juni 2026;

de brief van de gezinshuisouders van 24 juni 2026.
1.2.
Op 30 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door de waarnemend advocaat mr. V.R.L. Berkhout;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

De gezinshuisouders zijn – met bericht van afmelding – niet ter zitting verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij juist zijn opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter mr. S. Ok. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben verteld.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De vader en de moeder zijn inmiddels gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.2.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven sinds juli 2024 bij de gezinshuisouders.
2.3.
Bij beschikkingen van 10 november 2023 en 22 november 2023 – in samenhang bezien – zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met ingang van 9 november 2023 voorlopig onder toezicht gesteld en met een spoedmachtiging uit huis geplaatst. Bij beschikking van 7 februari 2026 zijn de kinderen onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. De maatregelen zijn daarna steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 5 februari 2026, tot 7 augustus 2026, waarbij de kinderrechter de behandeling van het verzoek voor de overige zes maanden heeft aangehouden tot deze zitting.
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1.
De GI handhaaft het verzoek ten aanzien van de ondertoezichtstelling van de kinderen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] , en verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Ter zitting heeft de GI aangegeven het verzoek tot de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] te wijzigen in die zin dat de GI nu een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] bij de vader met gezag verzoekt.

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek als volgt onderbouwd. In het afgelopen jaar is veel gebeurd rondom de kinderen. De Raad heeft het onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel afgerond en geconcludeerd dat beide ouders hun gezag kunnen behouden. Daarnaast heeft onlangs, in juni 2026, [de minderjarige 1] seksueel grensoverschrijdend gedrag laten zien in het gezinshuis. Het gezinshuis heeft daarom aangegeven de zorg voor [de minderjarige 1] niet langer te kunnen dragen in verband met de veiligheid van de andere kinderen. De vader heeft aangegeven dat hij zich in Nederland wil vestigen en samen met zijn vriendin in Nederland voor [de minderjarige 1] wil zorgen. De ontstane situatie staat volgens de GI los van de opvoedsituatie van [de minderjarige 2] . Zij zet positieve stappen in haar ontwikkeling binnen het gezinshuis.
3.3.
Ter zitting heeft de GI het volgende naar voren gebracht. De GI heeft gekeken naar de mogelijkheden voor een vervolgplek voor [de minderjarige 1] en verkiest – ook na overleg met de moeder – plaatsing bij de vader boven plaatsing op een crisisplek. Vorige week heeft een gesprek plaatsgevonden met de vader, zijn vriendin, de moeder, de hulpverlening en de GI, wat goed is verlopen. Iedereen wil de plaatsing bij de vader een kans geven. Wel vraagt de GI zich nog steeds af of de vader voldoende inzicht heeft in wat de kinderen nodig hebben en vindt de GI het zorgelijk dat het grensoverschrijdende gedrag van [de minderjarige 1] door de ouders nauwelijks wordt (h)erkend. De GI blijft het daarom noodzakelijk vinden dat hulpverlening ingezet wordt in de thuissituatie van de vader. Met de vader is verder afgesproken dat hij voor afloop van de huidige machtiging tot uithuisplaatsing, dus voor 7 augustus 2026, naar de woning van zijn vriendin in [plaats] verhuisd, dat hij de hulpverlening accepteert voor zowel zichzelf als voor [de minderjarige 1] en dat hij meewerkt aan de contactregeling met de moeder. Het standpunt van de GI over de woonplek van [de minderjarige 2] is niet gewijzigd. [de minderjarige 2] is wisselend in haar wens waar zij wil wonen en geeft de ene keer aan dat zij bij de vader wil wonen en de andere keer dat zij in het gezinshuis wil blijven. Feit blijft dat ze het goed doet in het gezinshuis. De GI herkent de zorgen die de vader op de zitting heeft geuit over het gezinshuis niet en heeft ook geen signalen gezien bij de kinderen.
<nr>4</nr>De standpunten 4.1.
De vader heeft zich verzet tegen het verzoek van de GI. De advocaat heeft verzocht om de ondertoezichtstelling slechts voor kortere duur te verlengen en het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] af te wijzen. De vader wil graag dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] allebei bij hem komen wonen. Beide kinderen hebben meermaals deze wens geuit en het is belangrijk dat de kinderen bij elkaar blijven. De vader heeft aangegeven dat hij al van plan was om naar Nederland te verhuizen om met zijn vriendin te trouwen. Omdat [de minderjarige 1] nu weg moet uit het gezinshuis, gaat hij eerder naar Nederland verhuizen. Hij kan bij zijn vriendin intrekken en ook met zijn werk kan hij flexibiliteit regelen. De vader heeft zorgen over de gang van zaken in het gezinshuis. De basisverzorging van de kinderen is niet op orde en de kinderen hebben bij de vader aangegeven zich niet meer veilig te voelen in het gezinshuis.
4.2.
De moeder heeft geen bezwaar tegen de verzoeken. De advocaat heeft naar voren gebracht dat de moeder niet wil dat [de minderjarige 1] op een crisisplek terecht komt en voor hem instemt met de plaatsing bij de vader. De moeder heeft aangegeven wel begeleiding voor de vader en [de minderjarige 1] nodig te vinden. [de minderjarige 2] zegt de ene keer dat zij bij de vader wil wonen en de andere keer dat zij in het gezinshuis wil blijven. De moeder vindt het goed dat [de minderjarige 2] op den duur ook bij de vader gaat wonen als zij dat wil, maar dat moet dan wel stapsgewijs plaatsvinden. [de minderjarige 2] heeft nog een zusje en vriendinnen in (de buurt van) het gezinshuis en zij moet niet ineens weggetrokken worden uit haar vertrouwde omgeving. Het gesprek met de vader en zijn vriendin was fijn en de moeder weet nu waar [de minderjarige 1] aan toe is. De contactmomenten met de kinderen zijn goed gegaan. De moeder weet niet waar de zorgen van de vader over het gezinshuis ineens vandaan komen. Zij hoort vanuit het gezinshuis en de kinderen enkel positieve verhalen.
4.3.
De gezinshuisouders hebben schriftelijk naar voren gebracht dat het goed gaat met [de minderjarige 2] in het gezinshuis. [de minderjarige 2] voelt zich thuis in het gezinshuis en spreekt uit dat zij daar wil blijven wonen totdat zij haar opleiding heeft afgerond. Wel zien de gezinshuisouders dat de gebeurtenissen die [de minderjarige 2] in het verleden heeft meegemaakt, nog steeds invloed op haar hebben. Ook [de minderjarige 1] heeft een mooie ontwikkeling doorgemaakt. Echter hebben de gezinshuisouders, na het seksueel grensoverschrijdende gedrag van [de minderjarige 1] , geconcludeerd dat hij niet langer in het gezinshuis kan blijven wonen. [de minderjarige 1] heeft al langere tijd de duidelijke wens dat hij bij de vader wil wonen en de gezinshuisouders hopen op een mooie toekomst voor hem. Tot slot zijn de gezinshuisouders blij dat de moeder weer een rol kan spelen in het leven van de kinderen. Er hebben inmiddels twee prettige contactmomenten plaatsgevonden waarin de moeder goed haar best doet om bij de kinderen aan te sluiten. Tegelijkertijd merken de gezinshuisouders dat het contact met de moeder voor de kinderen nog ingewikkeld is.
<nr>5</nr>De mening van de kinderen 5.1.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben aangegeven dat zij het fijn hebben in het gezinshuis, maar dat zij het liefst bij de vader wonen.
<nr>6</nr>De beoordeling 6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De kinderen zijn opgegroeid in een onveilige en instabiele thuissituatie bij de moeder haar ex-partner waarin zij onder meer geconfronteerd zijn met huiselijk geweld vanuit de ex-partner van de moeder, middelengebruik van de moeder en haar ex-partner en de psychische problematiek van de moeder. Vanwege de langdurige en ernstige zorgen zijn de kinderen in november 2023 met spoed uit huis geplaatst. Beide kinderen hebben vanwege hun belaste verleden een verzwaarde opvoedvraag. [de minderjarige 2] ontwikkelt zich op dit moment goed in het gezinshuis en op school en heeft een sociaal netwerk opgebouwd. Voor haar is eerder traumatherapie ingezet, die nu tijdelijk is gestopt. Ten aanzien van [de minderjarige 1] zijn recent zorgen naar voren gekomen over grensoverschrijdend seksueel gedrag. De GI vindt het daarom nodig dat hij begeleiding krijgt bij het leren omgaan met grenzen van zichzelf en van anderen.
6.3.
De moeder kampt met persoonlijke problematiek, waardoor zij onvoldoende beschikbaar is (geweest) voor de kinderen. De afgelopen maanden heeft de moeder een positieve ontwikkeling doorgemaakt en is zij meer stabiel, aldus de GI. Zij heeft een eigen woning, staat in goed contact met de GI en zet zich in voor haar individuele hulpverlening. Er is een contactregeling afgesproken die inhoudt dat de kinderen ééns in de drie maanden fysiek contact hebben met de moeder, onder begeleiding.
6.4.
De kinderen zijn al langere tijd drie weekenden per maand bij de vader en gezien wordt dat deze contactmomenten goed gaan. De vader heeft wederom aangegeven dat hij voor de kinderen kan zorgen en ook de kinderen hebben meermaals aangegeven dat zij bij de vader willen wonen. Ten tijde van de vorige zitting op 5 februari 2026 had de GI onderzoek gedaan naar de mogelijkheden hiervan en geconcludeerd dat een plaatsing van de kinderen bij de vader niet wenselijk was, mede gezien de zorgen over de opvoedvaardigheden van de vader en de complicaties met betrekking tot de financiering van de hulpverlening omdat de vader in [land] woont en de kinderen in Nederland wonen. Het afgelopen jaar is de situatie van de vader echter veranderd. De vader heeft aangegeven nu zeven/acht maanden een relatie te hebben met zijn vriendin die in Nederland woont. Wanneer [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in het weekend bij de vader zijn, verblijven zij vaak samen in het huis van de vriendin in [plaats] . De vader wil samen met zijn vriendin voor de kinderen zorgen en voor hen een veilige basis creëren in [plaats] , aldus de vader. Nu de vader voornemens is om bij zijn vriendin in te trekken en zich op haar adres in te schrijven, is het voor de GI mogelijk om de nodig geachte hulpverlening in de thuissituatie bij de vader in te zetten en (meer) zicht te krijgen op zijn thuissituatie.
6.5.
De komende periode is het van belang dat de nodige hulpverlening voor [de minderjarige 1] en de vader spoedig opgestart wordt. Voor [de minderjarige 1] moet goed gekeken worden welke vorm van hulpverlening passend en nodig is; voor de vader is nodig dat zicht wordt gekregen op zijn opvoedvaardigheden en dat in dat kader hulpverlening wordt ingezet waar nodig. Ten aanzien van [de minderjarige 2] moet blijvend en goed zicht worden gehouden op haar welzijn en moet gekeken worden of zij behoefte heeft aan het voortzetten van de traumatherapie. Tot slot is het van belang dat de hulpverlening voor de moeder voortgezet wordt en dat het verloop van de contactmomenten tussen de moeder en de kinderen gemonitord wordt. Gezien de complexe zorgen en het verleden van de ouders is hiervoor regie en betrokkenheid van de GI noodzakelijk.
6.6.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor de resterende duur van zes maanden.
6.7.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.
6.8.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen sinds juli 2024 in hun huidige gezinshuis. Recent heeft [de minderjarige 1] grensoverschrijdend seksueel gedrag vertoont richting twee andere jongens in het gezinshuis. De gezinshuisouders hebben aangegeven de zorg voor [de minderjarige 1] niet langer te kunnen dragen, omdat zij de veiligheid van de andere kinderen in het gezinshuis niet meer kunnen waarborgen. De GI heeft aangegeven dat veiligheidsafspraken zijn gemaakt en dat [de minderjarige 1] tot het einde van de huidige aangehouden machtiging, namelijk tot 7 augustus 2026, in het gezinshuis kan blijven. De kinderrechter is met de GI van oordeel dat een (tijdelijke) plaatsing van [de minderjarige 1] op een crisisplek niet in zijn belang is en voorkomen moet worden. Ook de kinderrechter acht het passend en in zijn belang dat [de minderjarige 1] bij de vader zal gaan wonen. De GI heeft aangegeven nog steeds zorgen te hebben of de vader voldoende inzicht heeft in de behoeften van [de minderjarige 1] en dat het de vraag blijft of de vader voldoende leerbaar is. De kinderrechter overweegt dat de zorgen ten aanzien van de opvoedvaardigheden van de vader niet gebaseerd zijn op daadwerkelijke gebeurtenissen bij de vader, althans de stukken in het dossier geven daar geen blijk van. De zorg komt met name voort uit gesprekken die de GI met de vader heeft gevoerd en zijn reactie op bijvoorbeeld voorgestelde hulpverlening. Het is dan ook aan de GI om inzichtelijk te krijgen of de vader daadwerkelijk opvoedondersteuning nodig heeft en zo ja welke. Tegelijkertijd is het aan de vader om mee te werken met de GI en tijdig open en transparant te zijn over (veranderingen in) zijn privé omstandigheden, zodat de GI daar rekening mee kan houden. Ter zitting heeft de vader bevestigd dat hij voor 7 augustus 2026 in Nederland zal wonen bij zijn vriendin en zich ook zal inschrijven op haar adres. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] bij de vader met gezag daarom verlenen voor de resterende verzochte duur, maar wel onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de vader uiterlijk op 7 augustus 2026 bij zijn vriendin in [plaats] woont en zich dan ook – althans kort daarna – op haar adres heeft ingeschreven. Als dat, om welke reden dan ook, niet voor 7 augustus 2026 het geval is, dan vervalt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] bij de vader met gezag. Het is dan aan de GI om actie te ondernemen.
6.9.
Ten aanzien van [de minderjarige 2] heeft de GI aangegeven dat zij zich goed ontwikkelt in het gezinshuis en dat zij daar kan blijven wonen. Volgens de GI en de moeder doet [de minderjarige 2] wisselende uitspraken over waar zij wil wonen. In het gesprek met de kinderrechter heeft [de minderjarige 2] aangegeven dat zij het liefst bij de vader wil wonen. De kinderrechter verwacht dat deze wens groter wordt nu [de minderjarige 1] binnenkort naar de vader gaat verhuizen, ook al woont haar zusje nog in het gezinshuis en zal zij daar naar verwachting ook lang blijven wonen. De kinderrechter overweegt dat het niet in het belang van [de minderjarige 2] is om haar nu samen met [de minderjarige 1] overhaast bij de vader te laten wonen. Zij gaat naar school en stage in de buurt van het gezinshuis en heeft daar vriendinnen. Wel moet gezien haar wens goed gekeken worden of wonen bij de vader mogelijk en in haar belang is. De kinderrechter zal het verzoek ten aanzien van [de minderjarige 2] daarom voor kortere duur toewijzen dan verzocht, namelijk voor de duur van drie maanden, en de behandeling van het verzoek voor de overige drie maanden aanhouden. De komende drie maanden moet zicht komen op de opvoedsituatie en de opvoedvaardigheden van de vader en moet gekeken worden of de vader samen met zijn vriendin in staat is om een stabiele en veilige opvoedsituatie te creëren voor [de minderjarige 1] . Indien het verblijf van [de minderjarige 1] bij de vader goed gaat, kan gekeken worden of en op welke wijze een plaatsing van [de minderjarige 2] bij de vader vormgegeven kan worden. Ook zal in deze periode onderzocht worden hoe bestendig de wens van [de minderjarige 2] , om bij haar vader te wonen, is.
6.10.
De machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is dus nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] bij de vader met gezag voor de resterende duur van zes maanden. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van drie maanden, met aanhouding van het overige.
6.11.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
6.12.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
<nr>7</nr>De beslissing
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] tot 7 februari 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] bij de vader met gezag tot 7 februari 2027, onder de voorwaarde dat de vader uiterlijk 7 augustus 2026 bij zijn partner [partner] in [plaats] woont en op korte termijn daarna is ingeschreven op haar adres;
7.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening tot 7 november 2026;
7.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.5.
houdt de behandeling van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] aan tot een nader te bepalen zitting [datum], tegen welke zitting de moeder, mr. Bruins, de vader, mr. Koopman, de gezinshuisouders en de GI dienen te worden opgeroepen;
7.6.
verzoekt de GI de kinderrechter en alle belanghebbenden uiterlijk één week voor de zitting schriftelijk te informeren over de actuele stand van zaken, het verloop van de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] bij de vader en haar standpunt ten aanzien van het resterende deel van het verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 2 juli 2026.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:260 BW.

Artikel 1:265c, tweede lid, BW.

Artikel 2 Besluit gezagsregisters.

Artikel delen