Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNHO:2026:9008

In deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een verstoorde arbeidsverhouding. Aan de werknemer wordt een billijke vergoeding toegekend. Het tegenverzoek van werknemer om de werkgever te veroordelen tot betaling van het achterstallig loon over de per...

Rechtbank Noord-Holland 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNHO:2026:9008 text/xml public 2026-08-03T14:27:42 2026-07-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-07-20 K/4102/12177617 Uitspraak Beschikking NL Haarlem Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:9008 text/html public 2026-08-03T14:27:07 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:9008 Rechtbank Noord-Holland , 20-07-2026 / K/4102/12177617
In deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een verstoorde arbeidsverhouding. Aan de werknemer wordt een billijke vergoeding toegekend. Het tegenverzoek van werknemer om de werkgever te veroordelen tot betaling van het achterstallig loon over de periode waarin een loonstop was opgelegd wordt toegewezen.

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer / rekestnummer: 12177617 AO VERZ 26-51

Beschikking van 20 juli 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap,

CORENDON VILLAGE EXPLOITATIE B.V.,

te Badhoevedorp,

verzoekende partij,

verwerende partij in het tegenverzoek,

hierna te noemen: Corendon,

gemachtigde: mr. H.I. van den Heuvel-Boonstra,

tegen

[verweerder] ,

te [plaats],

verwerende partij,

verzoekende partij in het tegenverzoek,

hierna te noemen: [verweerder],

gemachtigde: mr. D. Andringa.

De zaak in het kort

In deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een verstoorde arbeidsverhouding. Aan de werknemer wordt een billijke vergoeding toegekend. Het tegenverzoek van werknemer om de werkgever te veroordelen tot betaling van het achterstallig loon over de periode waarin een loonstop was opgelegd wordt toegewezen.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift, met een tegenverzoek;

- aanvullende stukken van Corendon van 26 juni 2026;

- de mondelinge behandeling van 29 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de spreekaantekeningen van Corendon.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2. Feiten
2.1.
[verweerder], geboren op [geboortedatum] 1970, is sinds 15 maart 2023 in dienst bij Corendon. De functie van [verweerder] is Assistent Housekeeping Manager met een loon van € 3.203,23 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.
2.2.
Corendon maakt bij de exploitatie van haar hotels gebruik van uitzendkrachten via Klik Uitzendbureau (hierna: Klik). Ook de zoon van [verweerder] ([betrokkene 1]) was via Klik bij Corendon werkzaam als Room Attendant.
2.3.
De uren van de uitzendkrachten werden geregistreerd doordat zij zowel voorafgaand aan als na afloop van een dienst zelf op locatie hun uren aftekenden. Het behoorde tot de werkzaamheden van [verweerder] als assistent-manager om deze uren in Excel te verwerken en vervolgens door te sturen naar de Housekeeping Manager (dhr. [betrokkene 2]), die de gegevens op zijn beurt doorgaf aan Klik.
2.4.
Op 26 augustus 2025 heeft Corendon een melding van Klik ontvangen dat er uren aan een uitzendkracht werden uitbetaald wiens uren waren goedgekeurd, maar wiens eigen handtekening niet op de sign in sheets stond. Het ging daarbij om de zoon van [verweerder].
2.5.
Corendon heeft naar aanleiding van deze melding een intern onderzoek ingesteld. In dat verband heeft Corendon op 29 augustus 2025 twee gesprekken gevoerd met [verweerder]. Naar aanleiding van deze gesprekken is [verweerder] op non-actief gesteld.
2.6.
Op 5 september 2025 heeft Corendon [verweerder] uitgenodigd om op 9 september 2025 verder te praten over de urenadministratie van Klik en Corendon.
2.7.
Op 8 september 2025 heeft [verweerder] zich ziekgemeld en aan Corendon laten weten dat haar advocaat contact zal opnemen om de kwestie verder af te handelen.
2.8.
Op 15 september 2025 heeft [verweerder] een bezoek gebracht aan de bedrijfsarts. In de probleemanalyse van de bedrijfsarts staat:

“Er is sprake van ziekte, behandeling is gaande en is adequaat.

Er is tevens een werkgerelateerd probleem aanwezig. Mijn advies is om dit werkgerelateerd probleem met elkaar te bespreken en te zoeken naar een oplossing hiervoor. Mijn richtlijn geeft aan: om een time out periode in te lassen van maximaal 2 weken. In deze 2 weken samen zoeken naar een oplossing van het probleem. De werkgever heeft dit geval al een periode van non activiteit ingesteld. Zodra de uitslag er is dan verder praten met elkaar. (Want hoe langer er niet wordt gesproken en de oplossing niet wordt gezocht, zullen de huidige klachten alleen maar meer toenemen). Uiteindelijk zijn er maar 2 oplossingen: 1. Samen verder, dan ook bespreken hoe samen verder om problemen in de toekomst te voorkomen. 2. Uit elkaar gaan, dan ook bespreken hoe uit elkaar te gaan. Zo nodig met 3e onafhankelijke partij om te zoeken naar de oplossing. Na deze time out/non-activiteit kan wel worden opgestart in aangepast/eigen werk.”
2.9.
Op 16 september 2025 heeft Corendon [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek om de werkgerelateerde problemen te bespreken. Daarbij heeft Corendon aan [verweerder] de keuze geboden om de communicatie onderling of via de advocaten te laten verlopen. Op 19 september 2025 heeft Corendon een rappel gestuurd.
2.10.
Op 19 september 2025 heeft [verweerder] aan Corendon laten weten dat haar voorkeur ernaar uitgaat om via haar advocaat te communiceren en heeft zij de gegevens van haar (toenmalige) advocaat aan Corendon verstrekt.
2.11.
Op 22 en 25 september 2025 heeft de advocaat van Corendon contact gezocht met de (toenmalige) advocaat van [verweerder], naar aanleiding waarvan op 25 september 2025 een telefoongesprek heeft plaatsgevonden tussen beide gemachtigden. In dit telefoongesprek heeft Corendon aan (de gemachtigde van) [verweerder] gevraagd of [verweerder] bereid is om in overleg te treden over een beëindigingsregeling.
2.12.
Op 30 september 2025 heeft Corendon per e-mail aan (de gemachtigde van) [verweerder] gevraagd of zij bereid is om in overleg te treden over een beëindigingsregeling.
2.13.
Op 1 oktober 2025 heeft Corendon een rappel verstuurd. Diezelfde dag heeft de gemachtigde van [verweerder] laten weten dat [verweerder] niet in overleg wenst te treden over een beëindiging, dat zij nog steeds ziek is en zich wenst te richten op haar herstel. Daarop heeft Corendon als volgt gereageerd:“(…) De bedrijfsarts heeft geoordeeld (zie probleemanalyse) dat er (tevens) een werkgerelateerd probleem is dat met elkaar besproken moet worden en waarvoor gezocht moet worden naar een oplossing. Corendon heeft hierover al op 16 september met mevrouw [verweerder] gecorrespondeerd:

(…)

Nu mevrouw [verweerder] niet wil praten over de voorwaarden voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zal gesproken kunnen worden over de voorwaarden voor de voortzetting. Een gesprek moet er sowieso komen, dat geeft ook de bedrijfsarts aan.

Daarbij geldt dat de voorgeschreven time-out inmiddels voorbij is. De bedrijfsarts geeft aan dat na de time-out aangepast/eigen werk opgestart kan worden. Anders gezegd: mevrouw [verweerder] moet weer aan het werk omdat de bedrijfsarts haar daartoe in staat acht. Haar wens om te herstellen van al hetgeen haar is overkomen, is dus geen optie.

Kortom, als mevrouw [verweerder] weer aan het werk wil, dan kan dat maar dan zullen partijen met elkaar in gesprek moeten. Dat kan morgen of vrijdag. Als mevrouw [verweerder] niet langer bij Corendon wil werken, dan kunnen u en ik daarover in gesprek. Dat kan morgen (vrijdag ben ik buiten kantoor). Als mevrouw [verweerder] geen keuze maakt, dan zal ik Corendon adviseren het loon stop te zetten per aankomende maandag (deze e-mail kan dan worden aangemerkt als een aankondiging.)”
2.14.
Op 6 oktober 2025 heeft Corendon een loonstop aan [verweerder] opgelegd:

(…) Corendon heeft, via mij, afgelopen woensdag, 1 oktober 2025, een loonstop aangekondigd voor het geval dat: 1. uw cliënte niet afgelopen donderdag of vrijdag in gesprek zou gaan met Corendon over het gerezen conflict dan wel zij niet haar werkzaamheden zou hervatten per vandaag; of

2. u niet met mij in gesprek zou treden over het treffen van een minnelijke regeling.

Helaas vernam ik in het geheel niet van u, vernam Corendon niets van uw cliënte en verscheen uw cliënte vandaag ook niet op het werk.

(…)

Uw cliënte is vandaag ten onrechte niet op het werk verschenen terwijl zij door de bedrijfsarts in staat wordt geacht werkzaamheden (aangepast/eigen werk) te verrichten. Zij houdt zich aldus niet aan haar wettelijke (re-integratie)verplichtingen en Corendon is dientengevolge op grond van artikel 7:629 BW het loon niet verschuldigd. Mocht een loonstop niet gerechtvaardigd zijn, waarvan ik niet uitga, dat wordt het loon opgeschort op grond van artikel 7:629 BW lid 6 BW.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en ga er vanuit dat u uw cliënte hiervan op de hoogte stelt. Mocht u willen overleggen over een minnelijke oplossing, dan verneem ik wel van u.”
2.15.
De advocaat van [verweerder] heeft op 6 oktober 2025 bezwaar gemaakt tegen de loonstop. In dat kader is Corendon erop gewezen dat de non-actiefstelling van [verweerder] nog niet is opgeheven en zij nimmer is geïnformeerd over de uitkomst van het onderzoek, zodat een re-integratiegesprek prematuur is. Corendon heeft daar diezelfde dag op gereageerd met de mededeling dat Corendon het onderzoek formeel niet heeft kunnen afronden omdat [verweerder] de voorlopige uitkomsten niet met Corendon heeft willen bespreken, maar wel een aantal conclusies heeft getrokken. Corendon heeft de loonstop gehandhaafd.
2.16.
Op 15 oktober 2025 heeft Corendon [verweerder] nogmaals gewezen op de loonstop en de mogelijkheid om in overleg te treden over een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
2.17.
Op 28 oktober 2025 heeft Corendon de uitkomsten van het onderzoek met [verweerder] gedeeld:

“(…)

De uitkomsten van het onderzoek

De heer [betrokkene 2], leidinggevende van uw cliënte, heeft Corendon op 29 augustus 2025 uitgelegd welke taken de heer [verweerder] 'daadwerkelijk uitvoerde', want nogmaals, hij stond ingeroosterd als Room Attendant. Een (groot) deel van de werkzaamheden van de heer [verweerder] werden kennelijk door hem thuis verricht. Dit gebeurde, zo begrijpt Corendon, met medeweten/instemming van de heer [betrokkene 2] maar zeker niet met medeweten/instemming van de afdeling HR en de directie van Corendon. Ook weet Corendon nu dat de werkzaamheden die door de heer [betrokkene 1] zijn verricht, door anderen in veel minder uren verricht (kunnen) worden. Daarbij is inmiddels ook duidelijk dat de heer [betrokkene 1] op schooldagen werkzaamheden verrichtte en dat hij dan 'tussendoor' en in de avond/nacht werkzaamheden verrichtte voor Corendon. Dit zijn dagen dat er 7,5 tot 8 uren in rekening zijn gebracht. Corendon heeft daarmee ook twijfels over de vraag of de Arbeidstijdenwet op die dagen correct is toegepast.

Kort gezegd, het staat vast dat Corendon uren heeft betaald voor een schoonmaker die een deel van zijn taken thuis verrichtte. Het moge duidelijk zijn dat de directie van Corendon dit niet (langer) toestaat en dat deze werkwijze, naar aanleiding van het onderzoek, inmiddels is aangepast. Er wordt ook niet meer met deze uitzendkracht gewerkt.

Hoe nu verder?

Zoals ik al aangaf, wil Corendon nog steeds met uw cliënte in gesprek. Corendon is en blijft van mening dat uit het rapport van de bedrijfsarts blijkt dat uw cliënte zo'n gesprek aankan. Zo'n gesprek moet ook plaatsvinden omdat anders het arbeidsgeschil de arbeidsongeschiktheid in stand houdt.

Zo'n gesprek kan onder begeleiding van een mediator plaatsvinden. Een andere mogelijkheid is dat u uw cliënte tijdens het gesprek begeleidt. Partijen zullen echter met elkaar in gesprek moeten en zolang uw cliënte weigert in gesprek te gaan, weigert zij daarmee te voldoen aan de verplichtingen die de Wet Verbetering Poortwachter haar oplegt. De loonstop is dan ook terecht opgelegd en wordt gehandhaafd.”
2.18.
Corendon heeft, na overleg met de nieuwe advocaat van [verweerder] over een te initiëren gesprek tussen partijen, de loonstop op 18 november 2025 opgeheven met terugwerkende kracht tot 11 november 2025.
2.19.
Partijen zijn op advies van de bedrijfsarts een mediationtraject gestart. De mediation is op 11 februari 2026 geëindigd.
<nr>3</nr>Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek 3.1.
Corendon verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, subsidiair vanwege een combinatie van omstandigheden die zodanig is dat van Corendon niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Corendon heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat de houding en het gebrek aan zelfinzicht van [verweerder] ertoe hebben geleid dat de vertrouwensrelatie ernstig en duurzaam is beschadigd.
3.2.
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van een billijke vergoeding.
3.3.
Bij wijze van zelfstandig tegenverzoek heeft [verweerder] veroordeling van Corendon verzocht tot betaling van het achterstallige loon over de periode 6 oktober 2025 tot 11 november 2025 in verband met een onterechte loonstop, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging.
<nr>4</nr>De beoordeling van het verzoek 4.1.
In deze zaak ligt de vraag voor of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In het geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [verweerder] vergoedingen moeten worden toegekend. Daarnaast moet worden beoordeeld of de door Corendon toegepaste loonstop terecht is.

De ontbinding van de arbeidsovereenkomst
4.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
4.3.
De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een verstoorde arbeidsverhouding. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.4.
De kantonrechter stelt vast dat partijen elkaar sinds 29 augustus 2025 steeds meer en vaker verwijten zijn gaan maken. Corendon verwijt [verweerder] in de eerste plaats dat zij bij de urenadministratie van de uitzendkrachten niet conform de geldende werkwijze(n) heeft gehandeld en dat zij uren van haar zoon heeft goedgekeurd waarvoor hijzelf niet heeft getekend. Corendon verwijt [verweerder] verder dat zij tijdens het eerste gesprek daarover op 29 augustus 2025 een boze en aanvallende houding heeft aangenomen en dat zij iedere poging van Corendon om daarna opnieuw over de situatie in gesprek te gaan uit de weg is gegaan. Op de zitting hebben de aanwezige HR-medewerkers van Corendon duidelijk laten merken geen vertrouwen meer te hebben in [verweerder]. Volgens Corendon ontbreekt het [verweerder] aan het nodige verantwoordelijkheidsbesef en zelfinzicht. Hoewel het onderzoek is afgesloten zonder dat daarbij fraude is vastgesteld, lijkt Corendon niet bereid om haar standpunt dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld los te laten. [verweerder] verwijt Corendon op haar beurt dat zij onterecht door Corendon is beschuldigd van fraude. De manier waarop de situatie door Corendon is aangepakt heeft zij als zeer aanvallend ervaren. Al het voorgaande in overweging nemende ziet de kantonrechter de relatie tussen partijen niet zodanig verbeteren dat een vruchtbare samenwerking weer tot de mogelijkheden gaat behoren. Daarbij weegt de kantonrechter ook mee dat er mediation heeft plaatsgevonden op advies van de bedrijfsarts, maar dat dit niet tot enig resultaat of enige verbetering van de arbeidsrelatie heeft geleid.
4.5.
De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst daarom ontbinden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Daaraan staat niet in de weg de stelling van [verweerder] dat die verstoring overwegend is te wijten aan Corendon.
4.6.
Herplaatsing van [verweerder] is niet mogelijk, gelet op de aard en ernst van de verstoorde arbeidsverhouding. Daarbij weegt mee dat [verweerder] ook bij overplaatsing naar een andere vestiging te maken zou krijgen met dezelfde directie en HR-afdeling.
4.7.
Het feit dat [verweerder] ziek is, staat niet aan de ontbinding in de weg. De ontbinding wegens een verstoorde arbeidsverhouding houdt namelijk geen verband namelijk met de ziekte van [verweerder]. Er is immers ook een redelijke grond voor ontbinding als de ziekte en arbeidsongeschiktheid van [verweerder] worden ‘weggedacht’. Overigens is er ook voldoende aanleiding om aan het opzegverbod voorbij te gaan, omdat sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van [verweerder] behoort te eindigen.
4.8.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 september 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.

De transitievergoeding
4.9.
Partijen zijn het erover eens dat [verweerder] recht heeft op een transitievergoeding. [verweerder] heeft de transitievergoeding bij een einddatum van 1 september 2026 berekend op een bedrag van € 4.093,45 bruto. Corendon heeft tegen die berekening geen verweer gevoerd. Het verzoek om Corendon te veroordelen tot betaling van die transitievergoeding wordt daarom toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 oktober 2026.

De billijke vergoeding
4.10.
Voor de verschuldigdheid van een billijke vergoeding moet worden vastgesteld of de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Corendon. Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.
4.11.
[verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld dat het ernstig verwijtbaar handelen van Corendon er (onder meer) in is gelegen dat Corendon herhaaldelijk te snel heeft aangestuurd op de beëindiging van het dienstverband.
4.12.
De kantonrechter stelt voorop dat zij zich kan voorstellen dat Corendon, mede gelet op de uitlatingen van [verweerder] tijdens het eerste gesprek van 29 augustus 2025, heeft willen verkennen of voortzetting van het dienstverband voor beide partijen nog tot de mogelijkheden behoorde. Dat neemt echter niet weg dat Corendon te snel is gaan handelen vanuit het uitgangspunt dat voortzetting van de arbeidsrelatie niet langer aan de orde was.
4.13.
Corendon heeft ter zitting toegelicht dat zij, doordat zowel [verweerder] als [betrokkene 2] zich kort na de start van het onderzoek hebben ziekgemeld, nog altijd het duister tast over wat zich precies heeft voorgedaan met betrekking tot de urenadministratie van de uitzendkrachten (en in het bijzonder rond de zoon van [verweerder]). Het is begrijpelijk dat Corendon haar vragen daarover graag aan [verweerder] wilde stellen en daarom (ook na de ziekmelding van [verweerder]) meerdere pogingen heeft om met haar in gesprek te komen. Het is echter niet gebleken dat Corendon vooraf duidelijk heeft gemaakt dat deze gesprekken waren bedoeld om de nog bestaande onduidelijkheden uit het onderzoek te bespreken. In tegendeel: in de uitnodigingen van Corendon wordt telkens weer de mogelijkheid van beëindiging van het dienstverband genoemd, terwijl de gemachtigde van [verweerder] meermaals had aangegeven dat dit voor haar niet bespreekbaar was. Daarmee heeft Corendon de verhoudingen onnodig op scherp gezet.
4.14.
Corendon heeft het interne onderzoek uiteindelijk afgesloten zonder fraude vast te stellen. Vanaf dat moment had het op haar weg gelegen om de gerezen verdenkingen richting [verweerder] los te laten en de uitkomst van het onderzoek als uitgangspunt te nemen. In plaats daarvan is Corendon in de periode daarna (en ook in deze procedure) blijven uitdragen dat [verweerder] ontoelaatbaar heeft gehandeld, terwijl daarvoor geen feitelijke grondslag bestaat. Dit bevestigt dat Corendon [verweerder] feitelijk geen reële kans heeft geboden om het vertrouwen tussen partijen te herstellen, maar al in een vroeg stadium heeft ingezet op de beëindiging van het dienstverband. Dit heeft ertoe geleid dat de arbeidsrelatie tussen partijen onherstelbaar verstoord is geraakt. Daarmee heeft Corendon de (onder)grens van ernstig verwijtbaar handelen overschreden. De kantonrechter zal daarom een billijke vergoeding toekennen.
4.15.
Voor zover [verweerder] daarnaast aan haar verzoek om een billijke vergoeding ten grondslag heeft gelegd dat Corendon de adviezen van de bedrijfsarts heeft geschonden en een ten onrechte een loonstop heeft opgelegd, geldt dat deze verwijten weliswaar gegrond zijn, maar in de gegeven omstandigheden de hoge lat van de ernstige verwijtbaarheid niet halen. Op deze verwijten wordt hierna, onder het tegenverzoek, nader ingegaan.

Hoogte billijke vergoeding
4.16.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.17.
Bij de begroting van de billijke vergoeding stelt de kantonrechter voorop dat [verweerder] door haar houding en gedrag zelf mede heeft bijgedragen aan het ontstaan en het voortduren van de verstoring in de arbeidsrelatie. Daarbij is relevant dat [verweerder] zich na haar eerste primaire reactie in het gesprek van 29 augustus 2025 weinig constructief heeft opgesteld door amper iets van zich te laten horen en een passieve houding aan te nemen. Verder wordt in aanmerking genomen dat [verweerder], gelet op haar jarenlange ervaring als Assistent Housekeeping Manager bij Corendon en de gunstige arbeidsmarkt in de schoonmaakbranche, naar verwachting in staat zal zijn om binnen een relatief korte tijd een nieuwe vergelijkbare baan te vinden. Corendon heeft in haar spreekaantekeningen verwezen naar tientallen voor [verweerder] relevante vacatures bij hotels in de regio. De (te verwachten) inkomensschade blijft dan ook beperkt. De kantonrechter vindt daarom in dit geval een billijke vergoeding van (ongeveer) twee maandsalarissen (inclusief vakantiegeld) redelijk. Daarmee wordt [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van Corendon, mede gelet op de relatief korte duur van het dienstverband. Corendon zal worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 7.000,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
4.18.
Corendon krijgt de gelegenheid om het verzoek in te trekken, binnen de hierna genoemde termijn, omdat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden.
4.19.
De proceskosten van deze procedure komen voor rekening van Corendon, omdat Corendon ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en daarom overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).
4.20.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
<nr>5</nr>De beoordeling van het tegenverzoek 5.1.
Over de andere verzoeken van [verweerder] wordt het volgende overwogen.
5.2.
In artikel 7:629 lid 1 BW is bepaald dat een werknemer tijdens ziekte recht houdt op loon, tenzij zich een van de in de wet genoemde gronden voor stopzetting van het loon voordoet. In lid 3 onder d van dat artikel is bepaald dat de werknemer geen recht op loon heeft indien de werknemer zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid te verrichten.
5.3.
Vaststaat dat de bedrijfsarts op 15 september 2025 heeft geoordeeld dat [verweerder] op dat moment niet belastbaar was voor het verrichten van arbeid. Volgens de bedrijfsarts werd op grond van de geldende richtlijn een time-out van twee weken passend geacht, maar was dat in dit geval niet nodig omdat [verweerder] reeds op non-actief was gesteld. De bedrijfsarts heeft partijen geadviseerd om ‘zodra de uitslag er is’ verder te praten. De kantonrechter begrijpt dat de bedrijfsarts daarmee de uitslag van het fraudeonderzoek heeft bedoeld. Na de periode van time-out c.q. non-activiteit zou dan vervolgens kunnen worden opgestart in aangepast en/of eigen werk.
5.4.
In de uitnodiging van Corendon van 1 oktober 2025 voor het gesprek op 2 of 3 oktober 2025 staat dat dit gesprek zou (kunnen) gaan over de voorwaarden voor de voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Daarbij geeft Corendon aan dat de time-outperiode van twee weken voorbij is en dat [verweerder] daarom weer geacht wordt om aan het werk te gaan. De kantonrechter is van oordeel dat Corendon daarmee een belangrijke stap overslaat. De ‘uitslag’ van het fraudeonderzoek was nog niet bekend en de non-actiefstelling was nog niet opgeheven. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het niet van [verweerder] gevergd kon worden om reeds op 2 dan wel 3 oktober 2025 een gesprek over de voorwaarden voor een (eventuele) terugkeer naar het werk te voeren. Corendon is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook ten onrechte tot een loonstop overgegaan.
5.5.
De conclusie is dat de kantonrechter het tegenverzoek van [verweerder] zal toewijzen. Corendon moet ook de wettelijke verhoging betalen. Omdat niet is gebleken dat Corendon [verweerder] bewust heeft willen benadelen, ziet de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 20%.
5.6.
De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum waarop het verweerschrift met tegenverzoek is ingediend omdat [verweerder] geen ingangsdatum heeft gevorderd en niet heeft toegelicht vanaf welke eerdere datum zij aanspraak kan maken op wettelijke rente.
5.7.
De proceskosten van deze procedure komen voor rekening van Corendon, omdat Corendon ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 865,00 aan salaris gemachtigde.
5.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
<nr>6</nr>De beslissing
De kantonrechter

op het verzoek
6.1.
stelt Corendon in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 3 augustus 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij,

Voor het geval Corendon het verzoek niet binnen die termijn intrekt:
6.2.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 september 2026,
6.3.
veroordeelt Corendon om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 4.093,45 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,
6.4.
veroordeelt Corendon om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 7.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
6.5.
veroordeelt Corendon in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Corendon niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.6.
veroordeelt Corendon tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders verzochte af,

Voor het geval Corendon het verzoek binnen die termijn intrekt:
6.9.
veroordeelt Corendon in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Corendon niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.10.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

op het tegenverzoek
6.11.
veroordeelt Corendon tot betaling van het achterstallige loon over de periode 6 oktober 2025 tot 11 november 2025 in verband met een onterechte loonstop, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026 en de wettelijke verhoging van 20% ,
6.12.
veroordeelt Corendon in de proceskosten van € 865,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.13.
veroordeelt Corendon tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.14.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
6.15.
wijst af het meer of anders verzochte,

Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026.

Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

Artikel 7:669 lid 1 BW.

Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 november 2018, te vinden op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2018:2218 (Servicenow Nederland).

Artikel 7:671b lid 6, onderdeel a, BW.

Zie ook de uitspraak van de Hoge Raad van 14 april 2023 en de conclusie van de Advocaat-Generaal, te vinden op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2023:559 (Erasmus Universitair Medisch Centrum).

Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.

Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.

Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2022:63 (Juridisch secretaresse).

Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juni 2018, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2018:878 (Zinzia).

Artikel 7:686a lid 6 BW.

Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.

Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.

Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.

Artikel delen