Huurrecht. Toedeling huurrecht op grond van artikel 7:267 lid 7 BW.
Rechtbank Noord-Holland 3 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:9033
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-07-2026
Datum publicatie
03-08-2026
Zaaknummer
11991063 CV EXPL 25-8054
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
ECLI:NL:RBNHO:2026:9033text/xmlpublic2026-08-03T15:16:122026-07-20Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Noord-Holland2026-07-0811991063 CV EXPL 25-8054UitspraakBodemzaakNLHaarlemCiviel recht; VerbintenissenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:9033text/htmlpublic2026-08-03T15:14:302026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBNHO:2026:9033 Rechtbank Noord-Holland , 08-07-2026 / 11991063 CV EXPL 25-8054 Huurrecht. Toedeling huurrecht op grond van artikel 7:267 lid 7 BW.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht
Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: 11991063 CV EXPL 25-8054 Vonnis van 8 juli 2026 in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie en in het incident,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. J.L. Scheltens, tegen
[gedaagde]
,
te [plaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie en in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. M. Schreuders. De zaak in het kort
Partijen huren samen een woning. Partijen zijn verdeeld over de vraag wie het huurrecht van de woning mag voortzetten na de beëindiging van hun affectieve relatie. Zowel [eiser] als [gedaagde] vorderen daarom dat wordt bepaald dat aan haar/hem het huurrecht van de woning wordt toebedeeld met uitsluiting van de ander. De kantonrechter bepaalt dat het huurrecht uitsluitend door [eiser] wordt voortgezet. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 november 2025 met 7 producties;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie tevens provisionele eis in incident ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van 28 januari 2026 met 8 producties;
- het vonnis van 11 februari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de nadere producties 8 t/m 10 van [eiser];
- de nadere productie 9 van [gedaagde];
- de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Ze hebben twee kinderen van 13 respectievelijk 10 jaar oud. 2.2. Partijen wonen sinds 2012/2013 samen in de woning aan de [adres] ([postcode]) te [plaats] (hierna: de woning). [gedaagde] huurt en bewoont de woning vanaf eind 2011. Partijen zijn sinds 15 juli 2016 de gezamenlijke huurders van de woning. De huur bedraagt per oktober 2025 € 763,47 per maand en de servicekosten € 117,15. Samen is dit € 880,62. 2.3. De relatie van partijen is begin 2025 tot een einde gekomen. Na de beëindiging van de relatie hebben partijen 10 weken lang uitvoering gegeven aan een ‘birdnesting’ regeling waarbij partijen afwisselend in de woning verbleven met de kinderen. 2.4. Vanwege een voorval tussen partijen in oktober 2025 is de ‘birdnesting’ regeling tot een einde gekomen. Op dat moment heeft [gedaagde] de woning tijdelijk verlaten. [eiser] woont tot op heden in de woning met de kinderen. 2.5. De ouders van [eiser] hebben schriftelijk verklaard dat zij om de hoek van de woning wonen, inspringen indien nodig en regelmatig oppassen op in ieder geval twee vaste oppasdagen, waarbij zij de kinderen ook (deels) naar school brengen en ophalen. 2.6.
[gedaagde] heeft op 1 juni 2026 een verzoekschrift ingediend tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats en een (voorlopige) zorgregeling in de zin van artikel 1:235a BW. 3Het geschil in conventie 3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter bepaalt dat zij, met uitsluiting van [gedaagde], het huurrecht van de woning voortzet, met ingang van de dag van het in deze te wijzen vonnis, met compensatie van de proceskosten. 3.2.
[eiser] legt aan de vordering kortgezegd ten grondslag dat de kinderen voor het overgrote deel bij haar verblijven. Het is in het belang van de kinderen dat zij in hun veilige vertrouwde omgeving kunnen blijven. Ook de familie van [eiser] woont dichtbij de woning en wordt regelmatig ingezet om op de kinderen te passen. Volgens [eiser] heeft zij daarom een groter belang bij het verblijf in de woning dan [gedaagde] en moet het huurrecht van de woning daarom alleen aan haar worden toegewezen. 3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. Hij voert hierbij aan dat hij het meeste recht heeft op voortzetting van de huur van de woning, omdat hij de langste en meest bestendige sociale-emotionele en economische binding met de woning heeft. Hij woont al sinds 2011 in de woning. [eiser] is pas sinds 2016 medehuurder geworden. Ook voert hij aan dat hij met zijn enkele maanden inschrijving geen enkele kans maakt op toekenning van woningen, terwijl [eiser] met haar inschrijvingsjaren en voorrangspositie een veel betere kans maakt. Tot slot stelt [gedaagde] dat hij meer dan de helft van de kosten gerelateerd aan de woning betaald. Volgens hem is [eiser] niet financieel in staat om deze lasten straks volledig op zich te nemen. in reconventie 3.4.
[gedaagde] vordert op zijn beurt, bij wijze van tegenvordering, samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de kantonrechter bepaalt dat hij met uitsluiting van [eiser] het huurrecht van de woning voortzet. Hij legt aan de tegenvordering hetzelfde ten grondslag als aan zijn verweer. in het incident 3.5.
[gedaagde] heeft, in afwachting van de te nemen beslissing over de zorgregeling binnen een artikel 1:253a BW-procedure, op grond van artikel 223 Rv een vordering ingesteld tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding inhoudende dat de kantonrechter bepaalt dat hem – met uitsluiting van [eiser] – voorlopig het gebruik van de woning toekomt van donderdag 12:00 uur in de oneven weken tot donderdag 12:00 in de even weken. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling in het incident 4.1. In het incident heeft [gedaagde] gevorderd om een voorlopige voorziening
voor de duur van dit geding te treffen als bedoeld in artikel 223 Rv. Dit is een provisionele vordering die ziet op maatregelen die gelden voor de duur van deze zaak. Omdat de kantonrechter direct in de hoofdzaak zal beslissen heeft [gedaagde] geen belang meer bij deze vordering. Deze wordt daarom afgewezen. in de hoofdzaak 4.2. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen van partijen, zal de kantonrechter de vorderingen in conventie en reconventie gezamenlijk bespreken. 4.3. De kantonrechter acht het van belang dat eerst duidelijkheid wordt gegeven over de toedeling van het huurrecht, zodat in de reeds aanhangig gemaakte procedure betreffende de zorgregeling kan worden uitgegaan van de ten gevolge daarvan geldende huursituatie. 4.4. Op grond van artikel 7:267 lid 7 BW kan de kantonrechter bepalen dat één van beide huurders de huur niet langer voortzet. Een dergelijke vordering wordt slechts toegewezen, indien dit naar billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, geboden is. Dat is hier het geval. De relatie van [eiser] en [gedaagde] is beëindigd en ze zijn het erover eens dat het wenselijk is dat slechts één van hen het huurrecht voortzet. 4.5. Bij de vraag aan wie het huurrecht van de woning moet worden toegewezen op grond van artikel 7:267 lid 7 BW gaat het om een belangenafweging, waarbij alle omstandigheden van het geval worden meegewogen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] onder de huidige omstandigheden een groter belang bij het uitsluitend voortzetten van de huur van de woning. Daarvoor is het volgende van belang. 4.6. Partijen hebben twee minderjarige kinderen. Hun belangen staan voorop. Op dit moment verblijven de kinderen voor het overgrote deel bij [eiser] in de woning. [gedaagde] wenst echter evenveel zorg op zich te nemen. Over de zorgregeling loopt een afzonderlijke procedure. De huidige invulling van de zorg is dus voorlopig van aard. Het argument van [eiser] dat de kinderen voor het overgrote deel bij haar verblijven, snijdt dan ook geen hout en wordt daarom niet meegenomen in de belangenafweging. 4.7. Verder zal het voor beide partijen niet eenvoudig zijn om andere woonruimte te vinden. Gelet op het inkomen van partijen heeft [gedaagde] daartoe echter meer mogelijkheden dan [eiser]. Vast staat dat [gedaagde] een eigen onderneming drijft. Hoewel [gedaagde] geen inzicht heeft verschaft in zijn inkomen aan de hand van stukken, heeft hij ter zitting aangevoerd dat zijn maandelijkse netto inkomen uit zijn onderneming € 3.200,00 tot € 3.400,00 bedraagt. Met dit inkomen heeft [gedaagde] de mogelijkheid via de vrije sector vervangende woonruimte te zoeken. Hij geeft aan dat hij dit niet kan betalen, maar hij heeft dit niet onderbouwd. Daarbij komt het maandelijkse bedrag dat hij tot nog toe betaalde aan de woning vrij, zodat hij dit na een aantal maanden opsparen kan gebruiken als waarborgsom voor een te huren woning. [eiser] daarentegen heeft aangevoerd dat zij volgens recente loonspecificaties een netto maandloon van € 1.578,58 ontvangt. Zij is daarom enkel aangewezen op woningen in het sociale huursegment. [eiser] heeft verder gesteld dat zij op plaats 87 staat en dat zij, ondanks de aanwezigheid van kinderen, geen urgentieverklaring kan krijgen. Het door [gedaagde] gestelde aanbod aan sociale huurwoningen in [plaats] maakt zonder verdere onderbouwing die ontbreekt dus niet dat [eiser] op korte termijn de beschikking over een andere sociale huurwoning kan verkrijgen. 4.8.
[eiser] heeft verder aangevoerd dat [gedaagde] al meer dan een jaar een relatie heeft en dat hij ook vaak bij zijn nieuwe relatie verblijft. [gedaagde] heeft dit niet betwist. Hij voert daarbij wel aan dat hij vaak in de avonden bij zijn nieuwe vriendin is, maar dat hij ook vaak bij zijn moeder slaapt omdat hij voor een dienst opgeroepen kan worden. [eiser] heeft er echter mee ingestemd dat de kinderen tijdens de zorgdagen van [gedaagde] in het huis van zijn vriendin verblijven. De kantonrechter neemt daarom in de belangenafweging mee dat [gedaagde] op dit moment twee plekken heeft om met zijn kinderen te verblijven, namelijk bij zijn moeder in zijn voormalig ouderlijk huis (waar eerder dus een gezin woonde) en bij zijn vriendin, ook al vindt [gedaagde] beide opties niet wenselijk. Dat de huidige indeling van de woning van zijn moeder niet is ingericht op drie extra personen maakt niet dat dat onmogelijk is. Het betreft immers zijn voormalige ouderlijk huis. Ook [eiser] kan verder uitsluitend bij haar ouders terecht met haar kinderen. Dat is voor [eiser] even onwenselijk. 4.9.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat [eiser] gelet op haar inkomen niet in staat zal zijn om de volledige huur te voldoen. De man betaalt tot op heden nog steeds € 1.216,45 per maand aan maandelijkse kosten gerelateerd aan de huurwoning, terwijl [eiser] slechts € 586,17 per maand bijdraagt. Dit verweer gaat niet op. Uit de door [eiser] overgelegde stukken volgt dat zij een netto maandloon heeft van € 1.578,58. Daarbij kan nog worden opgeteld een zorgtoeslag van € 131,00 en de huurtoeslag van € 485,00 (als [eiser] met uitsluiting van [gedaagde] het huurrecht verkrijgt) en het kindgebonden budget van € 700,00, zij het dat dit laatste bedrag ingeval van co-ouderschap mogelijk verdeeld kan worden onder de ouders. Daarnaast heeft [eiser] onbetwist gesteld dat zij indien nodig kan rekenen op financiële hulp van haar ouders. 4.10. Het verweer van [gedaagde] dat, nu hij de langste en meest bestendige sociale-, emotionele- en economische binding met de woning heeft, een zwaarwegender belang heeft dan [eiser] bij het huurrecht van de woning legt geen doorslaggevend gewicht in de schaal. [eiser] woont immers zelf ook al meer dan 10 jaar in de woning, waardoor de binding met de woning voor beide partijen nagenoeg gelijk is. 4.11. De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] zal toewijzen, in die zin dat [eiser], met uitsluiting van [gedaagde], de huur van de woning mag voortzetten. Dit betekent dat [eiser] voortaan ook alle kosten zal moeten dragen die voortvloeien uit de huur van de woning. Dit betekent verder dat [gedaagde] ook de sleutels aan [eiser] dient te geven. Wel dient [eiser] [gedaagde] de gelegenheid te geven zijn laatste bezittingen op te halen. 4.12. De vordering in conventie wordt toegewezen. De vorderingen in reconventie worden afgewezen. Proceskosten in het incident, in conventie en in reconventie 4.13. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5De beslissing De kantonrechter: in het incident 5.1. wijst de vorderingen in het incident af; in conventie 5.2. bepaalt dat [eiser], met uitsluiting van [gedaagde], het huurrecht van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] met ingang van 8 juli 2026 voortzet; 5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; in reconventie 5.4. wijst de vorderingen van [gedaagde] af; in het incident, in conventie en in reconventie 5.5. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.