Geldvordering in KG. Geen Beklamel-aansprakelijkheid bestuurder vennootschap.
Rechtbank Noord-Holland 4 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:9587
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-07-2026
Datum publicatie
04-08-2026
Zaaknummer
K/4102/12309521
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
ECLI:NL:RBNHO:2026:9587text/xmlpublic2026-08-04T13:17:042026-07-30Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Noord-Holland2026-07-28K/4102/12309521UitspraakKort gedingNLHaarlemCiviel recht; VerbintenissenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:9587text/htmlpublic2026-08-04T13:16:342026-08-04Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBNHO:2026:9587 Rechtbank Noord-Holland , 28-07-2026 / K/4102/12309521 Geldvordering in KG. Geen Beklamel-aansprakelijkheid bestuurder vennootschap.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht
Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: 12309521 VV EXPL 26-102 Vonnis in kort geding van 28 juli 2026 in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [plaats 1], gemeente [gemeente],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. Th.C. Visser, tegen 1de besloten vennootschap PROJECT-BOUW B.V., statutair gevestigd en kantoorhoudende te IJmuiden,
hierna te noemen: Project-Bouw,2. [gedaagde 2],
wonende te [plaats 2],
hierna te noemen: [gedaagde 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: gedaagden of Project-Bouw en [gedaagde 2],
gemachtigde: mr. L.A.A. Moeijes. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 juli 2026, met 4 producties
- de e-mail van de gemachtigde van gedaagden van 15 juli 2026, met 4 producties van gedaagden- de mondelinge behandeling van 16 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van gedaagden. 2De feiten2.1. Tussen [eiser] en Project-Bouw is een vaststellingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan Project-Bouw aan [eiser] meerdere bedragen dient te betalen tot een totaalbedrag van (inmiddels) € 8.255,80 inclusief wettelijke verhoging. 2.2. Ondanks aanmaning en diverse toezeggingen tot betaling is Project-Bouw tot op heden niet overgegaan tot betaling van het door haar op grond van de vaststellingsovereenkomst verschuldigde. 2.3.
[gedaagde 2] is bestuurder van Project-Bouw. 3Het geschil3.1.
[eiser] vordert hoofdelijke veroordeling van Project-Bouw en [gedaagde 2] tot betaling van € 8.255,80, vermeerderd met rente en (incasso)kosten. 3.2.
[eiser] legt aan de vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag. Tussen [eiser] en Project-Bouw is een vaststellingsovereenkomst gesloten op grond waarvan Project-Bouw aan [eiser] inmiddels een bedrag van € 8.255,80 verschuldigd is. Project-Bouw schiet toerekenbaar tekort in de nakoming van haar verplichtingen. [gedaagde 2] is als bestuurder van Project-Bouw ook persoonlijk aansprakelijk jegens [eiser], omdat [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. 3.3. Project-Bouw erkent de vordering en refereert zich. [gedaagde 2] voert verweer. Hij voert aan dat er geen grond is voor toewijzing van de vordering op hem, omdat van een onrechtmatige daad geen sprake is. Hij concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling4.1. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagden voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen. De vordering op Project-Bouw 4.2. Project-Bouw heeft de vordering erkend, zodat in kort geding kan worden aangenomen dat deze in een eventueel nog te volgen bodemprocedure toewijsbaar is. [eiser] heeft naar het oordeel van de kantonrechter ook een voldoende spoedeisend belang bij zijn vordering. Dat sprake zou zijn van een restitutierisico is door Project-Bouw tot slot niet aangevoerd. De vordering zal daarom worden toegewezen. 4.3. Tegen de gevorderde wettelijke rente is geen verweer gevoerd, zodat deze eveneens wordt toegewezen als verzocht. 4.4.
[eiser] vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. Daarom zal een bedrag van € 787,79 worden toegewezen. De vordering op [gedaagde 2] 4.5.
[eiser] vordert dat [gedaagde 2] als bestuurder van Project-Bouw ook persoonlijk wordt veroordeeld tot betaling aan [eiser] van de vordering die hij op Project-Bouw heeft. De grondslag hiervoor is tweeledig. [eiser] stelt allereerst dat [gedaagde 2] door met hem een vaststellingsovereenkomst aan te gaan namens Project-Bouw een verbintenis is aangegaan, terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat Project-Bouw niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. [eiser] stelt daarnaast dat [gedaagde 2] er met de toezeggingen die hij ná het addendum heeft gedaan bewust voor heeft gezorgd dat de kansen op betaling van de vordering extreem zijn verminderd, terwijl [gedaagde 2] wist welke kant het kennelijk op zou gaan met Project-Bouw. In beide gevallen heeft [gedaagde 2] onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld, waardoor hij schadeplichtig is geworden jegens [eiser] tot een bedrag van € 8.255,80. 4.6.
[gedaagde 2] voert aan dat van persoonlijke aansprakelijkheid geen sprake kan zijn, omdat hij als bestuurder van Project-Bouw niets heeft gedaan of nagelaten dat zijn persoonlijke aansprakelijkheid tot gevolg kan hebben. Het klopt dat er op het moment van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst al financiële problemen waren binnen Project-Bouw, maar [gedaagde 2] voert onder verwijzing naar door hem in het geding gebrachte stukken aan dat hij bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op goede gronden heeft aangenomen dat de met [eiser] gemaakte afspraken zouden kunnen worden nagekomen. De echt grote financiële problemen bij Project-Bouw zijn eerst na het aangaan van de vaststellingsovereenkomst ontstaan, betoogt [gedaagde 2]. [gedaagde 2] voert in dat verband, onder verwijzing naar door hem overgelegde stukken, aan dat hij alles in het werk stelt om Project-Bouw financieel overeind te houden. Zo heeft [gedaagde 2] in privé geleende gelden in het bedrijf gestoken en heeft hij over een lange periode zelf geen salaris opgenomen. [gedaagde 2] erkent dat hij als bestuurder van Project-Bouw heeft toegezegd dat [eiser] betaald zou worden en hij heeft zich er ook ten zeerste voor ingespannen om te zorgen dat Project-Bouw kon betalen. Dat het (nog) niet gelukt is om zijn toezeggingen gestand te doen, kan hem in het licht van het voorgaande echter niet worden verweten, aldus [gedaagde 2]. 4.7. De kantonrechter overweegt als volgt. Voor een geslaagd beroep op bestuurdersaansprakelijkheid op grond van de Beklamel-norm is nodig dat vast komt te staan dat de bestuurder van een vennootschap ten tijde van het aangaan van de transactie al wist of moest weten dat de vennootschap de transactie niet kon nakomen en geen verhaal zou bieden voor de door die wanprestatie veroorzaakte schade. 4.8. Dit is een hoge lat en het is aan [eiser] om aan te tonen dat die wordt gehaald. Daar is [eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd. [eiser] heeft zijn stellingen in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde 2] dat hij op het moment van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst geen aanleiding had te veronderstellen dat Project-Bouw niet aan zijn verplichtingen zou kunnen voldoen immers niet nader feitelijk geconcretiseerd. Bij deze stand van zaken ziet de kantonrechter geen aanleiding om vooruit te lopen op een oordeel in een eventuele bodemprocedure dat [gedaagde 2] als bestuurder (desondanks) persoonlijk aansprakelijk is jegens [eiser]. 4.9.
[eiser] noemt echter nog een tweede grond voor de zogenaamde ‘Beklamel-aansprakelijkheid’; [gedaagde 2] zou [eiser] ná het sluiten van de vaststellingsovereenkomst aan het lijntje hebben gehouden en bewust de kans op betaling hebben verkleind, in de wetenschap welke kant het op zou gaan met Project-Bouw. [eiser] heeft deze stelling echter eveneens op geen enkele wijze met bewijsstukken onderbouwd, terwijl het, gelet op de inspanningen die [gedaagde 2] in dit verband onbetwist heeft verricht ten behoeve van de BV naar het oordeel van de kantonrechter ook geenszins aannemelijk is dat [gedaagde 2] daadwerkelijk heeft geprobeerd om de betaling van de vordering van [eiser] te frustreren. De kantonrechter merkt in dat verband ook uitdrukkelijk op dat nog geenszins is gebleken dat op dit moment al vaststaat dat Project-Bouw niet (alsnog) aan haar verplichtingen tegenover [eiser] zal kunnen voldoen. Ook in zoverre ziet de kantonrechter dus geen aanleiding om vooruit te lopen op het oordeel in een eventuele bodemprocedure, zodat de vordering, voor zover deze zich richt tegen [gedaagde 2] in persoon, zal worden afgewezen. Proceskosten 4.10. Project-Bouw is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 155,02 (inclusief btw) - griffierecht € 265,00 - salaris gemachtigde € 577,00 - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.141,02 4.11. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.12. Omdat de vordering tegen [gedaagde 2] wordt afgewezen, bestaat geen grond voor toewijzing van de gevraagde hoofdelijke proceskostenveroordeling en moet [eiser] worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde 2]. Deze kosten worden begroot op € 577,00 salaris gemachtigde. 5De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt Project-Bouw om binnen 5 dagen na de datum van dit vonnis aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.255,80, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 10 juli 2026, tot de dag van volledige betaling; 5.2. veroordeelt Project-Bouw om binnen 5 dagen na de datum van dit vonnis aan [eiser] te betalen een bedrag van € 787,79 aan buitengerechtelijke kosten; 5.3. veroordeelt Project-Bouw in de proceskosten van € 1.141,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Project-Bouw niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.4. veroordeelt Project-Bouw tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 5.5. veroordeelt [eiser] tot betaling van € 577,00 aan proceskosten aan [gedaagde 2]; 5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.7. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.