Veroordeling tot 8 maanden gevangenisstraf. Opzettelijke invoer van 1.991,1 gram cocaïne. Strafmotivering. Onttrekking aan verkeer van koffer en cocaïne.
Rechtbank Noord-Holland 30 July 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:9635
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-07-2026
Datum publicatie
30-07-2026
Zaaknummer
15-097636-26
Rechtsgebied
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI:NL:RBNHO:2026:9635text/xmlpublic2026-07-30T13:47:272026-07-30Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Noord-Holland2026-07-2815-097636-26UitspraakEerste aanleg - meervoudigNLStrafrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:9635text/htmlpublic2026-07-30T13:46:552026-07-30Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBNHO:2026:9635 Rechtbank Noord-Holland , 28-07-2026 / 15-097636-26 Veroordeling tot 8 maanden gevangenisstraf. Opzettelijke invoer van 1.991,1 gram cocaïne. Strafmotivering. Onttrekking aan verkeer van koffer en cocaïne.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Uitspraakdatum: 28 juli 2026 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingvan 14 juli 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder vaste woon- of verblijfadres in Nederland,
adres in het buitenland: [adres] ,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid-Oost, locatie Ter Peel. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Sobering en van wat de verdachte en haar raadsvrouw, mr. S.W. Kuijpers, advocaat te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: zij in of omstreeks de periode van 23 december 2025 tot en met 31 december 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Brazilië, al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten cocaïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval aanwezig heeft gehad. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs3.1 Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit (opzettelijke invoer van cocaïne). 3.2 Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het bewijs en de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, namelijk dat de verdachte zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan de opzettelijke invoer binnen het Nederlands grondgebied van cocaïne. De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het bewezen verklaarde feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en dat door of namens de verdachte geen vrijspraak is bepleit. Daarom zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen, te weten: de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 14 juli 2026; het proces-verbaal van bevinding en overdracht van 31 december 2025 (p. 21-22); het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 1 januari 2026 (p. 106-109); en een tweetal schriftelijke bescheiden (p. 118 en p. 119), inhoudende verslagen van een deskundige als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 4°, Sv, zijnde rapporten NFiDENT, beide afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), gedateerd 7 januari 2026 en opgesteld door NFI-deskundige forensische drugsanalyse ing. N. van Doorn. De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. 3.4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat zij in de periode van 23 december 2025 tot en met 31 december 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en Brazilië opzettelijk cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar. 5Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar. 6Motivering van de sanctie6.1 Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft geen aanleiding gezien om de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in strafmatigende zin te betrekken in haar strafeis. 6.2 Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte grond is gelegen om af te wijken van de binnen de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting. De raadsvrouw heeft in dat kader erop gewezen dat de verdachte onder (grote) druk is gezet om het feit te plegen, dat zij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld en zeer kwetsbaar is, zowel financieel als medisch. Bovendien heeft de verdachte openheid van zaken en de toegangscode van haar telefoon gegeven. De raadsvrouw heeft verzocht aansluiting te zoeken bij de ondergrens van de bandbreedte zoals geformuleerd in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS), dan wel een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen. 6.3 Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1.991,1 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof en daarom moet het gebruik ervan worden ontmoedigd. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in harddrugs zoals cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige gewelds- en levensdelicten. Om al deze redenen wordt streng opgetreden tegen de invoer van cocaïne en gelden daarvoor forse straffen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gelet op het strafblad van de verdachte van 3 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de toelichting die de verdachte op de zitting heeft gegeven over haar persoonlijke omstandigheden, waaronder dat zij kampt met fysieke en mentale gezondheidsproblemen waarvoor zij (medicamenteus) wordt behandeld. De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigen. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten. Voor de invoer van harddrugs is bij een hoeveelheid van 1.500 tot 2.000 gram een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 tot 24 maanden als uitgangspunt geformuleerd. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de specifieke omstandigheden waaronder het feit is begaan en haar meewerkende houding tijdens het onderzoek, aanleiding om in het voordeel van de verdachte van voornoemd uitgangspunt af te wijken en een kortere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank neemt op basis van het dossier als vaststaand aan dat de verdachte door anderen is aangestuurd om het feit te plegen. De verdachte heeft openheid van zaken gegeven, de toegangscode van haar telefoon verstrekt en toestemming gegeven voor onderzoek aan haar telefoon. Ter terechtzitting heeft de verdachte inzicht getoond in het kwalijke van haar handelen. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de verdachte in een kwetsbare financiële positie verkeert en zowel psychische als lichamelijke gezondheidsklachten heeft, waardoor (langdurige) detentie haar bovengemiddeld zwaar treft. Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd, passend en geboden. Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet. 7Beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een koffer en 1.991 gram cocaïne, moeten worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met behulp van die voorwerpen is begaan. Het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen is (gelet op de vermoedelijke aanwezigheid van drugsresten in en de dubbele bodem van de koffer) in strijd met de wet en het algemeen belang. Teruggave aan de verdachte
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een mobiele telefoon en een simkaart, moeten worden teruggegeven aan de verdachte. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht.
2 en 10 van de Opiumwet. 9Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4 vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden. Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Onttrekt aan het verkeer:1 STK Koffer (Omschrijving: PL2700-25-117719-1),
1.991 GR Cocaïne (Omschrijving: PL2700-25-117719-2). Gelast de teruggave aan de verdachte van:
1 STK GSM (Omschrijving: PL2700-25-117719-6),1 STK Simkaart van zaktelefoon (Omschrijving: PL2700-25-117719-10). Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Korteweg, voorzitter,
mr. P. Reemst en mr. A. Talmricht, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. L.S. Rietdijk en mr. O. Muller,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 juli 2026.