Geen aansprakelijkheid van een advocaat die zaken behandelt voor gedupeerden in speculatieve grondhandel tegenover wederpartij Vastgoedplan. Afwijzing vorderingen van Vastgoedpan. Misbruik van recht door Vastgoedplan.
Rechtbank Noord-Holland 6 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:9851
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-08-2026
Datum publicatie
06-08-2026
Zaaknummer
C/15/371326 / HA ZA 25-721
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBNHO:2026:9851text/xmlpublic2026-08-06T12:00:562026-08-04Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Noord-Holland2026-08-05C/15/371326 / HA ZA 25-721UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLAlkmaarCiviel recht; Burgerlijk procesrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:9851text/htmlpublic2026-08-04T13:12:332026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBNHO:2026:9851 Rechtbank Noord-Holland , 05-08-2026 / C/15/371326 / HA ZA 25-721 Geen aansprakelijkheid van een advocaat die zaken behandelt voor gedupeerden in speculatieve grondhandel tegenover wederpartij Vastgoedplan. Afwijzing vorderingen van Vastgoedpan. Misbruik van recht door Vastgoedplan.
RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: C/15/371326 / HA ZA 25-721 Vonnis van 5 augustus 2026 (bij vervroeging) in de zaak van VASTGOEDPLAN NEDERLAND B.V.,
te Haarlem,
eisende partij,
hierna te noemen: Vastgoedplan,
advocaat: mr. A.S. Oegema, tegen mr. [gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. A.C. van der Bent. De zaak in het kort
Vastgoedplan houdt zich bezig met grondhandel. [gedaagde] is advocaat en behandelt zaken voor gedupeerden van de handel in speculatieve landbouwgrond. Volgens Vastgoedplan heeft [gedaagde] bij zijn dienstverlening aan een cliënt onrechtmatig gehandeld ten opzichte van Vastgoedplan als wederpartij van zijn cliënt. De rechtbank wijst de vorderingen van Vastgoedplan af. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden voordat een advocaat tegenover een wederpartij aansprakelijk is. Die bijzondere omstandigheden zijn er in dit geval niet. De rechtbank oordeelt ook dat sprake is van misbruik van procesrecht door Vastgoedplan. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 juli 2025 met producties 1-5; - het herstelexploot;
- het verwijzingsvonnis van de kantonrechter van 8 oktober 2025;
- het deurwaardersexploot van 27 oktober 2025 van de zijde van Vastgoedplan;
- de akte van [gedaagde] van 3 december 2025, waarin hij verzoekt om Vastgoedplan van instantie te ontslaan;
- het tussenvonnis van 14 januari 2026, waarbij de rechtbank het verzoek heeft afgewezen;
- de conclusie van antwoord met producties 1-9;
- het tussenvonnis van 11 maart 2026, waarbij de rechtbank een mondelinge behandeling heeft bevolen;
- de akte overlegging producties van Vastgoedplan met producties 6-12;
- de akte overlegging producties van Vastgoedplan, zijnde productie 13;
- de akte overlegging producties van Vastgoedplan met producties 14-16. 1.2. Op 8 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Op de zitting zijn verschenen [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ), enig (indirect) bestuurder van Vastgoedplan, bijgestaan door mr. A.S. Oegema, en [gedaagde] , bijgestaan door mr. A.C. van der Bent. 1.3. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Mr. Oegema heeft spreekaantekeningen overgelegd en daarna het woord gevoerd zonder op zijn spreekaantekeningen acht te slaan. De rechter heeft beslist dat de spreekaantekeningen van mr. Oegema als niet voorgedragen worden beschouwd en aldus niet als processtuk worden meegenomen. Verder heeft de rechter productie 16 (een usb-stick) teruggegeven aan mr. Oegema, omdat mr. Van der Bent die niet heeft ontvangen. Mr. Van der Bent heeft het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen, die hij ter zitting aan de rechtbank heeft overgelegd en die daarmee onderdeel zijn geworden van de processtukken. 1.4. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank meegedeeld dat zij op 19 augustus 2026 of zoveel eerder als mogelijk vonnis zal wijzen. 2De feiten2.1. Vastgoedplan drijft een onderneming die zich onder meer bezighoudt met projectontwikkeling. In het kader van die onderneming koopt zij percelen grond, die zij in gedeelten verkoopt aan individuele investeerders (beleggers). Haar activiteiten zijn verder gericht op terugkoop na een bestemmingswijziging en doorverkoop als één geheel aan ontwikkelaars. 2.2. Vastgoedplan is een zustervennootschap van Grondontwikkeling Nederland B.V. (hierna: GON). GON verrichtte soortgelijke activiteiten en is actief geweest in dezelfde projecten, zoals project De Scheg in Amstelveen. Op een gegeven moment heeft Vastgoedplan de activiteiten en activa van GON overgenomen. Op 5 oktober 2021 is GON failliet verklaard. 2.3.
[gedaagde] is advocaat, werkzaam bij de maatschap Wybenga advocaten. Hij behandelt onder meer zaken voor gedupeerden van de handel in speculatieve landbouwgrond. 2.4.
[gedaagde] behartigde als advocaat de belangen van [cliënt] (hierna: [cliënt] ). [cliënt] had van Vastgoedplan en GON diverse percelen landbouwgrond en aandelen in onverdeelde grond gekocht, waaronder in De Scheg. Over deze speculatieve investeringen is een geschil ontstaan. 2.5.
[gedaagde] heeft namens [cliënt] in mei 2025 gecorrespondeerd met Vastgoedplan over de aankopen van [cliënt] . [gedaagde] heeft de koopovereenkomsten buitengerechtelijk vernietigd met een beroep op dwaling en Vastgoedplan verzocht de koopsommen terug te betalen. Vastgoedplan heeft daaraan geen gevolg gegeven. Vervolgens heeft [gedaagde] op 10 juli 2025 per e-mail een concept-dagvaarding toegestuurd aan Vastgoedplan en [bestuurder] . Daarop hebben zij gereageerd. De concept-dagvaarding is vervolgens niet betekend en uitgebracht. Daarmee is het niet tot een gerechtelijke procedure gekomen. 2.6. Vastgoedplan heeft [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade die voortvloeit uit zijn handelwijze in de kwestie [cliënt] . 2.7. Daarnaast heeft Vastgoedplan een klacht tegen [gedaagde] ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in Rotterdam. De deken heeft in zijn brief van 2 oktober 2025 geconcludeerd dat de klacht niet-ontvankelijk dan wel ongegrond zal worden verklaard door de tuchtrechter. De deken heeft op verzoek van Vastgoedplan het klachtdossier doorgezonden naar de Raad van Discipline. 2.8. De voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag heeft op 17 december 2025 beslist dat [gedaagde] in de kwestie [cliënt] niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De voorzitter heeft de klachtonderdelen kennelijk niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond verklaard. 3Het geschil3.1. Vastgoedplan vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Vastgoedplan;
II. [gedaagde] verbiedt om:
- Vastgoedplan, dan wel met haar verbonden vennootschappen of natuurlijke personen, zonder rechterlijke toetsing te sommeren, dagvaarden of anderszins in rechte te betrekken;
- dit (mede) namens [cliënt] te doen;
- derden in te schakelen of te instrueren om indirect dezelfde feiten of vorderingen jegens Vastgoedplan aanhangig te maken;
- vorderingen in te stellen op gronden waarvan [gedaagde] weet, althans behoort te weten, dat deze verjaard zijn of op andere wijze niet-ontvankelijk;
- publiekelijk of in communicatie met derden beschuldigingen of negatieve uitlatingen te doen over Vastgoedplan zonder dat daarvoor voorafgaand een rechterlijk oordeel of concreet bewijs beschikbaar is;
III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente;
IV. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een dwangsom als hij in strijd handelt met het onder II. gevorderde verbod;
subsidiair
V. voor recht verklaart dat [gedaagde] tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld doordat hij:
- ernstige of reputatie beschadigende beschuldigingen heeft geuit jegens Vastgoedplan zonder enige feitelijke of juridische onderbouwing;
- geen gehoor heeft gegeven aan het beginsel van hoor en wederhoor, ondanks uitdrukkelijke verzoeken daartoe;
- [cliënt] op ernstige wijze heeft misleid of althans onvoldoende heeft geïnformeerd over de haalbaarheid van haar vordering, en aldus valse verwachtingen heeft gewekt over het procesverloop;
- gehandeld heeft in strijd met diverse gedragsregels voor advocaten, waaronder de plicht tot waarheidsvinding en zorgvuldigheid in communicatie;
VI. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van € 10.500,-;
meer subsidiair
VII. de zaak verwijst naar de schadestaatprocedure. 3.2. Vastgoedplan legt aan haar vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag. 3.2.1.
[gedaagde] handelt onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW). Structureel overschrijdt hij in zijn rol van advocaat de grenzen van het recht. In een sommatiebrief en dagvaarding in de kwestie [cliënt] heeft hij zonder juridische en feitelijke grondslag ernstige verwijten geuit aan Vastgoedplan en [bestuurder] . Herhaaldelijk heeft Vastgoedplan verzocht om de onderliggende bewijsstukken, maar [gedaagde] heeft nagelaten die vóór procederen te verstrekken. Zijn suggestieve stellingen dat rendementen niet worden gehaald en Vastgoedplan oneerlijke handelspraktijken aanhoudt, resulterend in dwaling, bewijst [gedaagde] niet. Daarnaast gebruikt hij onnodig grievende taal (zoals ‘misleiding’, ‘windhandel’) en hanteert hij wisselende juridische gronden. Ook procedeert hij in strijd met de beginselen van hoor en wederhoor. 3.2.2. Verder maakt [gedaagde] misbruik van recht (artikel 3:13 BW). Hij zet procesmiddelen in met het kennelijke doel Vastgoedplan met ongefundeerde claims onder druk te zetten, terwijl hij weet of behoort te weten dat niet Vastgoedplan maar GON partij is, dat het faillissement van GON meebrengt dat enkel de curator bevoegd is en dat de gestelde vorderingen grotendeels zijn verjaard. [gedaagde] heeft bovendien een aantal gedragsregels voor advocaten en artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geschonden. 3.2.3. De handelwijze in de kwestie [cliënt] betreft geen incident, maar maakt onderdeel uit van een systematische werkwijze die [gedaagde] hanteert ten opzichte van Vastgoedplan en andere gelieerde vennootschappen (en hun bestuurders). Daarmee brengt [gedaagde] niet alleen schade toe aan de reputatie en bedrijfsvoering van Vastgoedplan, maar dupeert hij ook andere beleggers, aldus Vastgoedplan. 3.3.
[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Vastgoedplan, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Vastgoedplan, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Vastgoedplan in de reële kosten van deze procedure. Hij voert, samengevat, het volgende verweer. 3.3.1.
[gedaagde] betwist onrechtmatig te hebben gehandeld ten opzichte van Vastgoedplan en aldus persoonlijk aansprakelijk te zijn. Vastgoedplan en [bestuurder] zijn niet gedagvaard in de kwestie [cliënt] . Zij ontvingen slechts een concept-dagvaarding die niet onnodig grievend en ook anderszins niet onrechtmatig is. Een advocaat mag in het kader van zijn taak partijdig optreden voor zijn cliënt en standpunten innemen, ook als deze betwist worden. Bij het kenbaar maken van de vordering van [cliënt] is [gedaagde] ruim binnen de grenzen van de rechtmatige belangenbehartiging gebleven. Die vordering was bovendien feitelijk en juridisch uitvoerig onderbouwd en niet verjaard. Vastgoedplan is ook in de gelegenheid gesteld om te reageren. Vergelijkbare vorderingen in andere grondhandelzaken heeft de rechtbank bovendien al geregeld toegewezen. Verder is schending van artikel 21 Rv bij gebreke van een procedure niet aan de orde. De gedragsregels voor advocaten heeft [gedaagde] evenmin geschonden, zoals blijkt uit de oordelen van de deken en de voorzitter van de Raad van Discipline daarover. Voor de gevorderde verboden ontbreken de feitelijke en juridische grondslagen en de gevorderde tuchtrechtelijke verklaring voor recht is niet toewijsbaar door de civiele rechter. Voor toekenning van schadevergoeding is aldus geen plaats, aldus [gedaagde] . 3.3.2.
[gedaagde] betoogt dat Vastgoedplan evident kansloze vorderingen heeft ingesteld om hem te ontmoedigen om nog langer gedupeerden van speculatieve grondhandel bij te staan en geen procedures meer tegen Vastgoedplan en gelieerde partijen te starten. Hem dagvaarden kan niet anders worden beschouwd dan als persoonlijke intimidatie. Vastgoedplan maakt aldus misbruik van procesrecht. Er bestaat daarom aanleiding om Vastgoedplan te veroordelen in de reële proceskosten, aldus [gedaagde] . 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling4.1. De vraag die voorligt is of [gedaagde] bij zijn dienstverlening aan een cliënt onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van Vastgoedplan als wederpartij van zijn cliënt. De rechtbank oordeelt dat dit niet zo is. [gedaagde] is ook niet op een andere grondslag aansprakelijk voor de gestelde schade van Vastgoedplan. Dit licht de rechtbank hierna toe. Zware maatstaf voor aansprakelijkheid 4.2. Eventuele aansprakelijkheid van een advocaat tegenover de wederpartij van diens cliënt berust op artikel 6:162 BW. Voorop staat dat een advocaat de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt moet behartigen en zich daarbij partijdig opstelt. In de uitoefening van zijn beroep komt de advocaat veel beoordelingsruimte toe. Dat geldt ook voor zover de dienstverlening van de advocaat ziet op juridische procedures. Gelet op de positie van de advocaat als behartiger van het partijbelang van zijn cliënt is volgens vaste rechtspraak de drempel voor aansprakelijkheid jegens een wederpartij of derde hoog. Voorkomen moet namelijk worden dat de vrijheid van de cliënt om rechtsmiddelen te kunnen inzetten negatief zou worden beïnvloed door een aansprakelijkheidsrisico van de advocaat die zijn cliënt ter zake adviseert of bijstaat.
Voordat een advocaat tegenover een wederpartij of derde aansprakelijk is, moet er sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Daarvan kan sprake zijn wanneer de advocaat in het kader van zijn dienstverlening aan zijn cliënt inbreuk maakt op de belangen van de wederpartij of derden, terwijl daarvoor geen dan wel onvoldoende rechtvaardiging kan worden gevonden in de belangen van zijn cliënt. Als bijzondere omstandigheden zijn ook aan te merken het bewust verstrekken van onjuiste of misleidende informatie, het instellen van vorderingen waarvan de advocaat weet of behoort te weten dat deze evident ongegrond zijn of andere (proces)handelingen die een grove fout van een advocaat bevatten. De dienstverlening van [gedaagde] 4.3. heeft als advocaat de belangen van [cliënt] behartigd in een geschil met Vastgoedplan (en [bestuurder] ) over speculatieve grondhandel. Hij heeft in zaken op dat gebied een specialisme ontwikkeld en staat meer gedupeerden bij. Dat staat hem vrij om te doen. Hij is, zo voerde [gedaagde] onbetwist aan, ook met enige regelmaat succesvol geweest in het voeren van (gerechtelijke) procedures in zaken tegen grondhandelaren. Daarbij heeft hij terecht een beroep gedaan op een oneerlijke handelspraktijk en/of op dwaling. De stelling van Vastgoedplan dat [gedaagde] een commerciële werkwijze hanteert waarin hij systematisch kansloze claims indient namens particuliere beleggers en nodeloos procedeert, is dus onjuist. De rechtbank ziet geen enkele (feitelijke) grond dat [gedaagde] actief aanstuurt op of zich bezighoudt met het benadelen van Vastgoedplan en andere gelieerde vennootschappen. Dit nog daargelaten dat deze laatsten (en hun bestuurders) geen partij zijn in deze procedure. 4.4. Dat bedrijven als Vastgoedplan regelmatig worden aangeschreven door [gedaagde] of andere advocaten van particuliere beleggers is begrijpelijkerwijs lastig voor hen, maar dat heeft te maken met het soort handel waarmee zij zich bezig houden, te weten buitengewoon speculatieve handel in percelen onbebouwde landbouwgrond. Particulieren worden verleid om met investeringen te speculeren op een waardestijging van die grond indien de bestemming van de grond in de toekomst gewijzigd wordt. Dit terwijl het zeer de vraag is of die investeringen ooit zullen worden terugverdiend. Bij deze grondhandel wordt geopereerd op de rand en soms over de rand van wat wettelijk is toegestaan, zo blijkt uit gerechtelijke uitspraken. Relevant daarbij is wat de investeerders is voorgespiegeld. Gelet op het voorgaande kan in algemene zin dan ook niet worden gezegd dat [gedaagde] , in verband met de betrokken belangen van Vastgoedplan, zich had moeten onthouden van (proces)handelingen ten opzichte van haar. Uitsluitend in de kwestie [cliënt] is Vastgoedplan ingegaan op concrete handelingen die [gedaagde] heeft verricht. De handelingen van [gedaagde] in de kwestie [cliënt] 4.5. Die handelingen omvatten niet meer dan het voeren van correspondentie met Vastgoedplan (en [bestuurder] ) en het toesturen van een concept-dagvaarding. De kwestie heeft niet tot een rechtszaak geleid, zodat oneigenlijk procederen niet aan [gedaagde] kan worden verweten. Van procederen zonder hoor en wederhoor is dus ook geen sprake. Evenmin is schending van artikel 21 Rv aan de orde bij gebreke van een procedure. 4.6. Dat Vastgoedplan vindt dat [gedaagde] in de kwestie [cliënt] heeft nagelaten een juridische en feitelijke grondslag voor zijn standpunten te stellen, betekent niet dat [gedaagde] een grove fout heeft gemaakt. Los van het feit dat [gedaagde] die grondslagen in zijn correspondentie met Vastgoedplan wel heeft genoemd, staat het hem vrij om zelf te bepalen welke informatie hij noodzakelijk en in het belang van zijn cliënte vindt om bij zijn voorbereiding van de dagvaarding te betrekken. Vastgoedplan staat hier als wederpartij buiten. 4.7.
[gedaagde] heeft de belangen van Vastgoedplan ook niet op onaanvaardbare wijze geschaad door Vastgoedplan (en [bestuurder] ) als wederpartij aan te schrijven en niet de curator van GON. Het stond [gedaagde] vrij om deze - door hem gemotiveerde - juridische keuze te maken. Dat Vastgoedplan het daar niet mee eens is en zij [gedaagde] daarnaast verwijt verjaarde vorderingen kenbaar te maken betekent niet dat [gedaagde] de grenzen van de rechtmatige belangenbehartiging heeft overschreden. Evidente ongegrondheid van de vorderingen van [cliënt] - die dus niet tot een rechtszaak hebben geleid - is namelijk niet komen vast te staan. Nergens blijkt uit dat [gedaagde] zonder fundament middelen heeft ingezet met het doel Vastgoedplan onder druk te zetten en/of te intimideren. De rechtbank sluit hierbij aan bij de voorzittersbeslissing van de Raad van Discipline dat de uitlatingen van [gedaagde] , gelet op de context, functioneel en naar objectieve maatstaven niet onnodig grievend zijn. Conclusie: geen onrechtmatig handelen of andere schending van regels 4.8. Kortom, gelet op onder 4.2 genoemde maatstaf heeft Vastgoedplan geen bijzondere omstandigheden gesteld die maken dat [gedaagde] uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is. Dit betekent dat de primair gevorderde verklaring voor recht moet worden afgewezen. Dit geldt ook voor de primair gevorderde verboden, nu Vastgoedplan deze vorderingen (kennelijk) heeft gebaseerd op dezelfde juridische en feitelijke grondslagen. 4.9. Misbruik van recht kan, gelet op het voorgaande, evenmin worden aangenomen.
Voor zover Vastgoedplan stelt dat [gedaagde] een aantal gedragsregels voor advocaten heeft geschonden, overweegt de rechtbank dat Vastgoedplan niet heeft aangevoerd welk belang zij bij die vordering heeft. Daar komt bij dat die beoordeling aan de tuchtrechter is voorbehouden. Die heeft (onherroepelijk) beslist dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van [gedaagde] in de kwestie [cliënt] geen sprake is.
Voor zover Vastgoedplan bedoelt te zeggen dat de gestelde schending(en) van tuchtrechtelijke bepalingen onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW oplevert, kan zij niet worden gevolgd. De rechtbank verwijst in dit verband enerzijds naar de voorzittersbeslissing van de Raad van Discipline en anderzijds naar wat zij hiervoor over de primaire vorderingen heeft overwogen. De subsidiair gevorderde tuchtrechtelijke verklaring voor recht is dan ook niet toewijsbaar. 4.10. De meer subsidiaire vordering tot verwijzing van de schadestaatprocedure is evenmin toewijsbaar. Voor toekenning van schadevergoeding is bij gebreke van een grondslag immers geen plaats. Proceskosten 4.11. Vastgoedplan is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. 4.12. Volgens [gedaagde] bestaat er aanleiding om Vastgoedplan te veroordelen tot vergoeding van de reële kosten die door deze procedure zijn veroorzaakt, omdat Vastgoedplan hem slechts heeft gedagvaard met het doel om oneigenlijke druk uit te oefenen. De rechtbank is dat met hem eens. 4.13. Een vordering tot vergoeding van de werkelijke advocaatkosten is alleen in ‘buitengewone omstandigheden’ toewijsbaar, zoals in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatige daad. De rechtbank volgt [gedaagde] in zijn standpunt dat van misbruik van procesrecht door Vastgoedplan sprake is. Dit licht zij hierna toe. 4.14. Vastgoedplan heeft [gedaagde] zowel in een tuchtrechtelijke (klacht)procedure als in deze aansprakelijkheidsprocedure betrokken. Dat [gedaagde] dat als intimiderend ervaart vindt de rechtbank goed voorstelbaar, gelet op de krachtige, niet mis te verstane bewoordingen van de klachten, de vorderingen en de onderliggende correspondentie. De gevorderde verboden komen er, kort gezegd, op neer dat [gedaagde] niets negatiefs mag doen of zeggen (of anderen dat laten doen) richting Vastgoedplan zonder rechterlijke toestemming. Vastgoedplan kan met het instellen van dergelijke vorderingen, waarvan zij weet of behoort te weten dat deze evident ongegrond zijn, geen ander doel hebben gehad dan om [gedaagde] monddood te maken in grondhandelzaken. Daarvoor vindt de rechtbank ook steun in een e-mail die [bestuurder] in een andere grondhandelkwestie op 10 december 2025 aan [gedaagde] heeft verstuurd. Daarin deelt [bestuurder] mee dat hij zich persoonlijk zal inzetten om [gedaagde] aan te pakken in elke vorm die hij kan bedenken, als [gedaagde] niet afziet van die kwestie. De rechtbank weegt verder mee dat is gebleken dat [bestuurder] en aan hem gelieerde partijen ook in andere zaken professionals, zoals de curator van GON, met vele klachten en procedures bestoken. 4.15. Kortom, Vastgoedplan is een procedure gestart met geen ander doel dan het schaden van [gedaagde] . Op voorhand was volkomen duidelijk dat haar vorderingen geen enkele kans van slagen hadden. Dit nodeloos procederen levert misbruik van procesrecht op. Een volledige proceskostenveroordeling is daarom in beginsel op zijn plaats. Om discussie over de hoogte van de werkelijke kosten te vermijden, heeft [gedaagde] zijn aanspraak beperkt tot een bedrag overeenstemmend met hetgeen conform het liquidatietarief verschuldigd zou zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding hiervan af te wijken en zal een forfaitaire vergoeding toewijzen op basis van het liquidatietarief. 4.16. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht € 1.374,00 - salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.869,00 4.17. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen van Vastgoedplan af, 5.2. veroordeelt Vastgoedplan in de proceskosten van € 2.869,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Vastgoedplan niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt Vastgoedplan tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026. ST/JG Artikel 10a lid 1 onder b van de Advocatenwet Zie o.a. advies A-G Wissink van 20 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:411, en het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 februari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:419.