Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNNE:2025:1455

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het medeplegen van oplichting (meermalen) en gekwalificeerde diefstal in vereniging (meermalen) tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij, samen met anderen, op doortrapte en slinkse wijze sieraden en geld afhandig heeft gemaakt van de v...

Rechtbank Noord-Nederland 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNNE:2025:1455 text/xml public 2026-08-03T13:12:12 2025-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2025-04-14 18-330339-24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Leeuwarden Strafrecht; Materieel strafrecht Wetboek van Strafrecht 311 Wetboek van Strafrecht 326 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:1455 text/html public 2026-08-03T13:11:45 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2025:1455 Rechtbank Noord-Nederland , 14-04-2025 / 18-330339-24
De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het medeplegen van oplichting (meermalen) en gekwalificeerde diefstal in vereniging (meermalen) tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij, samen met anderen, op doortrapte en slinkse wijze sieraden en geld afhandig heeft gemaakt van de vele slachtoffers. Slachtoffers die naar het oordeel van de rechtbank niet willekeurig, maar op basis van hun hoge leeftijd en het feit dat zij alleenstaand waren werden uitgekozen. De gestolen sieraden waren vaak erfstukken of behoorden toe aan de overleden partner van het slachtoffer. De rechtbank vindt het stuitend dat verdachte puur heeft gehandeld vanuit zijn eigen behoefte aan geld en zich kennelijk niets heeft aangetrokken van de financiële en psychische schade waarmee hij de vele slachtoffers opzadelde.

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer 18-330339-24

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 april 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 maart 2025.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.W.L.A.M. Koppen, advocaat te Eindhoven. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.R. Posthuma.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1

hij, op of omstreeks de periode van 2 juli 2024 tot en met 14 oktober 2024 te [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, geldbedrag(en), althans enig geldbedrag, sieraden, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een of meer ander(en) toebehoorde(n), te weten aan

[slachtoffer] ,

[slachtoffer] ,

[slachtoffer] ,

[slachtoffer] ,

[slachtoffer] ,

[slachtoffer] ,

[slachtoffer] ,

[slachtoffer] ,

[slachtoffer] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels; te weten door zich voor te doen als een politieagent om vertrouwen te wekken;

2

hij op of omstreeks de periode van 2 juli 2024 tot en met 14 oktober 2024 te [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] en [plaats] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meerdere perso(o)n(en)/aangever(s), te weten (onder meer)

[slachtoffer] ,

[slachtoffer] ,

[slachtoffer] ,

[slachtoffer] ,

[slachtoffer] ,

[slachtoffer] ,

[slachtoffer] ,

[slachtoffer] ,

[slachtoffer] , heeft bewogen tot

afgifte van contante geldbedrag(en), althans enig geldbedrag(en), in elk geval enig goed,

afgifte van sieraden, althans enig goed,

Door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zakelijk weergegeven

- ( (al dan niet met een gespoofed telefoonnummer) contact op te (laten) nemen met voornoemde perso(o)n(en)/aangever(s), daarbij gebruikmakend van verdachtes en/of medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie en/of in deze gesprekken de genoemde perso(o)n(en)/aangever(s) voor te houden dat er gevaar dreigde en/of op een andere wijze de

perso(o)n(en)/aangever(s) werd voorgehouden dat er een probleem was en dat hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(s), hem/haar/hen zou helpen het probleem te verhelpen, en/of

- sieraden en contante bedragen ter veilig stelling af te geven, waardoor die perso(o)n(en)/aangever(s) werd/werden bewogen tot voornoemde afgifte en/of het voornoemde ter beschikking stellen.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor de feiten 1 en 2, gelet op de aangiftes en de bekennende verklaring van verdachte. Zij heeft daartoe, middels een schriftelijk requisitoir, overgelegd ter zitting, aangevoerd dat (afgezien van de aangifte van [slachtoffer] ) onder feit 1 telkens gekwalificeerde diefstal in vereniging bewezenverklaard kan worden. Middels listige kunstgrepen, een samenweefsel van verdichtsels en door het aannemen van een valse hoedanigheid is telkens de toegang tot de woning verschaft en zijn de goederen weggenomen.

Ten aanzien van de aangifte van [slachtoffer] kan enkel bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting, onder feit 2 tenlastegelegd, aangezien de aangever heeft verklaard dat hij de goederen zelf in de tas van verdachte heeft gedaan. Dit betekent dat er geen sprake is van het wegnemen van de goederen.

Medeplegen kan telkens bewezen worden, aangezien uit de bewijsmiddelen de betrokkenheid van meerdere verdachten blijkt en dat hun rollen tevens inwisselbaar waren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank bespreekt de feiten 1 en 2 vanwege de samenhang gezamenlijk en beoordeelt per situatie of het handelen van verdachte gekwalificeerd wordt als diefstal (feit 1) of als oplichting (feit 2). Het verschil tussen beide kwalificaties ligt in het gegeven dat bij oplichting de ander wordt bewogen tot afgifte aan verdachte van enig goed (door een oplichtingsmiddel), terwijl bij diefstal het goed door verdachte zelf wordt weggenomen (om het zich wederrechtelijk toe te eigenen).

De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 31 maart 2025;

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 15 oktober 2024, opgenomen op pagina 450 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024281807 d.d. 9 januari 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 15 oktober 2024, opgenomen op pagina 466 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 14 oktober 2024, opgenomen op pagina 483 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 9 juli 2024, opgenomen op pagina 544

e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;

6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 8 juli 2024, opgenomen op pagina 822

e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;

7. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 9 september 2024, opgenomen op pagina 847 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;

8. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 9 september 2024, opgenomen op pagina 889 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;

9. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 10 september 2024, opgenomen op pagina 1 e.v. van het aanvullende proces-verbaal (43 paginas, op 17 maart 2025 binnengekomen) behorende bij voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;

10. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 2 juli 2024, opgenomen op pagina 784

e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] .
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1

hij in de periode van 2 juli 2024 tot en met 14 oktober 2024 te [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] en [plaats] telkens tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, geldbedragen en sieraden, die geheel aan anderen toebehoorden, te weten aan

[slachtoffer],

[slachtoffer],

[slachtoffer],

[slachtoffer],

[slachtoffer],

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels; te weten door zich voor te doen als een politieagent om vertrouwen te wekken;

2

hij in de periode van 2 juli 2024 tot en met 14 oktober 2024 te [plaats] , [plaats] , [plaats] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, meermalen,

met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, meerdere personen, te weten

[slachtoffer],

[slachtoffer],

[slachtoffer],

[slachtoffer], heeft bewogen tot

afgifte van contante geldbedragen,

afgifte van sieraden,

Door valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid zakelijk weergegeven contact op te laten nemen met voornoemde personen, daarbij gebruikmakend van verdachtes en medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie en in deze gesprekken de genoemde personen voor te houden dat er gevaar dreigde of dat er een probleem was en dat hij, verdachte en zijn medeverdachtes, hen zou helpen het probleem te verhelpen, en sieraden en contante bedragen ter veiligstelling af te geven,

waardoor die personen werden bewogen tot voornoemde afgifte en het voornoemde ter beschikking stellen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door het aannemen van een valse hoedanigheid, het aannemen van een valse naam, listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels, meermalen gepleegd;

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden verbonden te worden zoals geadviseerd door de reclassering, met daaraan toegevoegd dat aan verdachte een contactverbod wordt opgelegd met de slachtoffers en de medeverdachte [medeverdachte] .

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor de oplegging van een kortere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist, met daarnaast een eventueel groter voorwaardelijk strafdeel en een taakstraf. Hij heeft daartoe jurisprudentie aangevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte

zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 11 december 2024, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in een periode van bijna vier maanden meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting en gekwalificeerde diefstal in vereniging. Verdachte is als chauffeur met de medeverdachte naar drie adressen gereden zodat de medeverdachte sieraden en geld uit deze woningen kon meenemen. Verdachte stond op de uitkijk en haalde de medeverdachte op wanneer de klus was geklaard. Daarnaast is verdachte in zes gevallen de persoon geweest die de oplichtingshandelingen en de diefstallen in de woningen van aangevers uitvoerde. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij, samen met anderen, op zulke doortrapte en slinkse wijze sieraden en geld afhandig heeft gemaakt van de vele slachtoffers. Slachtoffers die naar het oordeel van de rechtbank niet willekeurig, maar op basis van hun hoge leeftijd en het feit dat zij alleenstaand waren werden uitgekozen. De gestolen sieraden waren vaak erfstukken of behoorden toe aan de overleden partner van het slachtoffer. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij zich op geen enkel moment lijkt te hebben gerealiseerd welke gevolgen de door hem gepleegde feiten voor de slachtoffers hebben gehad. Twee slachtoffers hebben zelfs verklaard dat verdachte hen heeft gevraagd en geholpen om ringen en armbanden af te doen, zodat hij zeker wist dat alle sieraden konden worden meegenomen. Verdachte heeft er niet alleen mede voor gezorgd dat aangevers financiële schade hebben opgelopen, maar heeft ook het vertrouwen dat zij hadden in de medemens en de politie ernstig geschaad. De slachtoffers waren in de veronderstelling dat een agent hen kwam helpen in hun woningen, bij uitstek de plaats waar zij zich veilig zouden moeten kunnen voelen, maar werden zonder dat zij het doorhadden beroofd van hun dierbare en onvervangbare sieraden. De rechtbank vindt het stuitend dat verdachte puur heeft gehandeld vanuit zijn eigen behoefte aan geld en zich kennelijk niets heeft aangetrokken van de financiële en psychische schade waarmee hij de vele slachtoffers opzadelde. Uit de aangiftes, de nazorg gesprekken en de vorderingen van de benadeelde partijen is gebleken dat de impact van het handelen van verdachte en zijn mededaders op het leven van de slachtoffers groot is geweest en dat zij ook nu nog steeds de gevolgen van die daden ondervinden.

Documentatie

De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel justitiële documentatie van 24 maart 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Persoon van verdachte

Uit het reclasseringsrapport van 11 december 2024 blijkt onder meer dat het risico op recidive wordt ingeschat als hoog, omdat er instabiliteit is op diverse leefgebieden. Een stabiele huisvesting ontbreekt en verdachte lijdt aan een softdrugsverslaving. Ter zitting heeft de verdachte opgemerkt dat hij zijn band met zijn ouders heeft hersteld en dat hij weer bij hen kan wonen. Bovendien dateert voorgenoemde rapport van ruim drie maanden geleden en zou hij al langere tijd abstinent zijn van softdrugs. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat de volgende bijzondere voorwaarden worden geadviseerd: meldplicht, ambulante behandeling en dagbesteding. Ter zitting heeft verdachte opgemerkt dat hij zich aan alle voorwaarden wil gaan houden.

Straf

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. De rechtbank zal een deel van deze vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen en ook oplegging van de

bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, mogelijk te maken. De rechtbank ziet geen aanleiding om het door de officier van justitie geëiste contactverbod met de slachtoffers aan verdachte op te leggen, aangezien niet te verwachten is dat verdachte contact zal opnemen met de slachtoffers. Wel zal de rechtbank een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] aan verdachte opleggen.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van drie jaren passend en geboden is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

[slachtoffer] , tot een bedrag van 650,00 ter zake van materiële schade ( 1.300,00 - 650 aan reeds vergoede schade), vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

[slachtoffer] , tot een bedrag van 33.632,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

[slachtoffer] , tot een bedrag van 19.075,00 ( 25.075,00 - 6.000,00 aan reeds vergoede schade) ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

[slachtoffer] , tot een bedrag van 28.487,00 ter vergoeding van materiële schade ( 27.737,00) en immateriële schade ( 750,00), vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

[slachtoffer]

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot volledige toewijzing van de vordering van [slachtoffer] , met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. De schade vloeit rechtstreeks voort uit het strafbare feit.

[slachtoffer]

De vordering van [slachtoffer] dient niet-ontvankelijk verklaard te worden wegens gebrek aan onderbouwing, aangezien onduidelijk is gebleven wie de lijst met de gestolen sieraden heeft opgesteld en hoe de waarde van deze sieraden is bepaald. Bovendien heeft de verzekering al een bedrag van 6.000,00 uitgekeerd aan de benadeelde partij.

[slachtoffer] en [slachtoffer]

Tot slot dienen de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer] en [slachtoffer] afgewezen te worden gelet op het ontbreken van een rechtstreeks verband met de bewezenverklaarde strafbare feiten.

Standpunt van de verdediging

[slachtoffer]

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

[slachtoffer]

De raadsman heeft zich, net als de officier van justitie, op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, gelet op het gebrek aan onderbouwing van de vordering.

[slachtoffer]

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

[slachtoffer]

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Oordeel van de rechtbank

[slachtoffer]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom geheel worden toegewezen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade, te weten 10 september 2024. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.

[slachtoffer]

De rechtbank is, overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Hoewel naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van feit 2, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van die schade te kunnen beoordelen. De aangeleverde lijst met daarop de weggenomen sieraden en de geschatte waarde daarvan is niet ondertekend, zodat onduidelijk blijft hoe en door wie de waarde van deze sieraden is bepaald. De rechtbank is van oordeel dat aanhouding van de zaak om dit te herstellen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vordering in het geheel niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

[slachtoffer] en [slachtoffer]

Naar het oordeel van de rechtbank is door het bewezen verklaarde geen rechtstreekse schade toegebracht aan de benadeelde partijen [slachtoffer] en [slachtoffer] . Immers, de verdachte wordt niet verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting dan wel gekwalificeerde diefstal van voornoemde slachtoffers. De rechtbank zal daarom de benadeelde partijen in de vorderingen niet ontvankelijk verklaren. De vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Inbeslaggenomen goederen
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder verdachte inbeslaggenomen iPhone en simkaart moeten worden verbeurdverklaard, omdat deze hebben bijgedragen aan het plegen van de strafbare feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de iPhone en simkaart verbeurd moeten worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de inbeslaggenomen iPhone en simkaart vatbaar voor verbeurdverklaring nu deze zijn gebruikt bij het plegen van de bewezenverklaarde feiten en deze toebehoren aan verdachte.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 47, 57, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 10 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

dat de veroordeelde zich meldt na het ingaan van de proeftijd bij de reclassering en dat hij zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

dat veroordeelde zich laat behandelen door verslavingszorg VNN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra de mogelijkheid zich voordoet en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, indien een arts dat nodig vindt.

dat de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur.

dat de veroordeelde op enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 (medeverdachte), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Vorderingen benadeelde partijen
Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer], feit 1:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer] te betalen:

het bedrag van 33.632,00 (zegge: drieëndertigduizend zeshonderdtweeëndertig euro);

de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 september 2024 tot de dag van algehele voldoening;

de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 33.632,00 (zegge: drieëndertigduizend zeshonderdtweeëndertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 september 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat geheel uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 203 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer] , feit 2:
Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen proceskosten dragen.
Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk is in de vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen proceskosten dragen.
Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk is in de vordering is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen proceskosten dragen.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1 STK Simkaart van zaktelefoon (Omschrijving: Lebara)(G1764134);

1 STK GSM (Omschrijving: Zwart, merk: Apple)(G1763682).

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma - Oude Nijeweme, voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. S.J. Boersma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 april 2025.

Mr. M. Brinksma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Artikel delen