Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNNE:2026:3127

Besloten zitting. Executiegeschil ex artikel 438 Rv over de vraag of dwangsommen zijn verbeurd. Daarvan is geen sprake omdat eiser volledig aan de veroordelingen uit het vonnis heeft voldaan. Executie moet worden gestaakt

Rechtbank Noord-Nederland 30 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNNE:2026:3127 text/xml public 2026-07-30T07:15:13 2026-07-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-02-20 C/19/154590 / KG ZA 25/173 Uitspraak Kort geding NL Leeuwarden Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:3127 text/html public 2026-07-30T07:14:51 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:3127 Rechtbank Noord-Nederland , 20-02-2026 / C/19/154590 / KG ZA 25/173
Besloten zitting. Executiegeschil ex artikel 438 Rv over de vraag of dwangsommen zijn verbeurd. Daarvan is geen sprake omdat eiser volledig aan de veroordelingen uit het vonnis heeft voldaan. Executie moet worden gestaakt
RECHTBANK Noord-Nederland
Civiel recht

Zittingsplaats Assen

Zaaknummer: C/19/154590 / KG ZA 25-173

Vonnis in kort geding van 20 februari 2026

in de zaak van

[eiser],

te [woonplaats],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. J.J.A.M. de Haas,

tegen

[gedaagde],

te [woonplaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. S. Meeuwsen.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met daarbij 10 producties;

- de akte houdende aanvullende productie 11;- de mondelinge behandeling van 23 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de spreekaantekeningen van [eiser];- de spreekaantekeningen van [gedaagde], tevens akte eis in reconventie;

- de akte uitlating aan de zijde van [eiser] met daarbij producties 12 en 13;

- de akte uitlating aan de zijde van [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
Partijen zijn voormalig partners.
2.2.
Bij dagvaarding van 23 januari 2025 heeft [gedaagde] [eiser] gedagvaard in een geschil over vermeende gezamenlijke investeringen in cryptovaluta. Daarbij heeft [gedaagde] bij incident inzage gevorderd in diverse gegevens van [eiser].
2.3.
Bij vonnis in incident van 16 april 2025 heeft deze rechtbank het volgende beslist:

“veroordeelt [eiser] om binnen een termijn van twee maanden na betekening van

dit vonnis aan [gedaagde] te verstrekken:

- de bankafschriften van bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] op naam van [eiser] vanaf 19 april 2020 tot en met het bankafschrift waarop de laatste transactie ten behoeve van de aan- of verkoop van cryptovaluta staat vermeld;

- de overzichten van de aan- en verkoophistorie van alle cryptoaccounts van [eiser], waaronder begrepen de accounts bij Bitvavo, Binance en Phemex, over de periode 19 april 2020 tot en met heden;

- alles op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [eiser] twee maanden na betekening van het vonnis in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,-
2.4.
Op 2 mei 2025 is voornoemd vonnis aan [eiser] betekend.
2.5.
Op 30 juni 2025 heeft [eiser] gegevens aan [gedaagde] verstrekt.
2.6. [
gedaagde] heeft op 23 juli 2025 in de conclusie van repliek in de bodemprocedure het standpunt ingenomen dat de door [eiser] verstrekte gegevens niet volledig zijn.
2.7.
Bij deurwaardersexploot van 26 november 2025 heeft [gedaagde] voor een bedrag van € 50.000,00 aan dwangsommen laten aanzeggen aan [eiser] voor de periode 3 juli 2025 tot 10 oktober 2025 (100 dagen maal € 500,00 per dag), omdat hij zich niet aan de veroordelingen in het vonnis zou hebben gehouden.
2.8.
De gemachtigde van [eiser] heeft zich per e-mail van 17 december 2025 op het standpunt gesteld dat [eiser] volledig aan het vonnis heeft voldaan en dat geen dwangsommen zijn verbeurd. [gedaagde] is verzocht om binnen 48 uur te bevestigen dat de executie permanent wordt gestaakt.
2.9.
Per e-mail van 19 december 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat de verbeurde dwangsommen terecht zijn aangezegd en is beargumenteerd waarom er volgens [gedaagde] niet volledig aan het vonnis is voldaan.
<nr>3</nr>Het geschil
in conventie
3.1. [
eiser] vordert

primair:

I. [gedaagde] te bevelen de (verdere) executie van het dwangsommenexploot van 26 november 2025, evenals de executie van het vonnis in incident van 16 april 2025 voor wat betreft de daarin opgelegde dwangsommen, onmiddellijk te staken en gestaakt te houden;

II. [gedaagde] te verbieden om op basis van de in het vonnis van 16 april 2025 genoemde dwangsommen nieuwe executiemiddelen in te zetten (zoals het leggen van derdenbeslag), aangezien [eiser] reeds volledig aan zijn veroordeling heeft voldaan;

III. [gedaagde] te bevelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis alle eventueel reeds gelegde executoriale beslagen op te heffen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft;

subsidiair:

IV. De reeds verbeurde dwangsommen op te heffen, althans de looptijd daarvan op te schorten, althans deze te matigen tot een bedrag van € 50,- per dag met een maximum van € 5.000,-, wegens de blijvende of tijdelijke onmogelijkheid voor [eiser] om aan de veroordeling te voldoen voor zover deze de Ledger en Bybit-gegevens betreft;

primair en subsidiair:

V. [gedaagde] te veroordelen tot onmiddellijke terugbetaling van al hetgeen [gedaagde] eventueel uit hoofde van de gestelde verbeurde dwangsommen reeds van [eiser] heeft geïncasseerd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van incasso tot aan de dag der algehele voldoening;

VI. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten conform het liquidatietarief en de wettelijke rente over de proces- en nakosten, indien deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis zijn voldaan.
3.2. [
eiser] legt aan de vorderingen – kort samengevat – ten grondslag dat hij tijdig en volledig aan het vonnis in incident van 16 april 2025 heeft voldaan. Om die reden stelt hij zich op het standpunt dat geen dwangsommen zijn verbeurd en dat [gedaagde] ten onrechte tot executie is overgegaan.
3.3. [
gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] om diverse redenen niet voldaan aan het vonnis in incident, zodat dwangsommen zijn verbeurd. Er is geen reden om tot matiging van die dwangsommen over te gaan.

in reconventie
3.4. [
gedaagde] vordert na wijziging van eis – kort samengevat – om [eiser] te veroordelen binnen twee weken na het vonnis gegevens te verstrekken van de niet overgelegde crypto-accounts en de ontbrekende bankafschriften die [eiser] op grond van het vonnis in incident aan [gedaagde] had moeten verstrekken, onder oplegging van een dwangsom en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. [gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat [eiser] na het vonnis in incident ten onrechte niet is overgegaan tot het verstrekken van deze gegevens, zodat [gedaagde] deze gegevens alsnog wil ontvangen. [gedaagde] acht het opleggen van een (hogere) dwangsom van belang omdat [eiser] heeft laten blijken dat hij niet zonder enige dwang volledig aan een vonnis voldoet.
3.5. [
eiser] voert verweer. [eiser] betwist dat hij niet aan het vonnis in incident heeft voldaan. Hij heeft, zeker met de bij de akte uitlating overgelegde bankafschriften, volledige openheid van zaken gegeven. Aan de transactieoverzichten, in combinatie met de bankafschriften, is duidelijk te zien hoeveel er is gestort en hoeveel er is opgenomen. Niet valt in te zien wat voor baat [gedaagde] nog heeft bij het verkrijgen van aanvullende stukken, nog los van de vraag welke stukken dit moeten zijn.

4. De beoordeling

in conventie
4.1.
Het spoedeisend belang van [eiser] ligt in de aard van de gevraagde voorziening besloten en is ook niet door [gedaagde] betwist.
4.2.
Een vonnis waarbij een veroordeling op straffe van verbeurte van een dwangsom is uitgesproken, geeft de bevoegdheid dwangsommen te executeren. Als er tussen partijen onenigheid bestaat over de executie, kan een executiegeschil aanhangig worden gemaakt op grond van artikel 438 Rv. Uit de stellingen van partijen leidt de voorzieningenrechter af dat geen hoger beroep is ingesteld van het vonnis van 16 april 2025. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een executierechter bij een vordering tot staking van de executie van dwangsommen en tot opheffing van een executoriaal beslag een beperkte taak heeft. De executierechter kan slechts in de executie ingrijpen indien (a) geen dwangsommen zijn verbeurd omdat tijdig en volledig aan het te executeren vonnis is voldaan, (b) de verbeurde dwangsommen reeds volledig zijn voldaan of (c) de executant zich door de executie schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 mei 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3686).
4.3.
Wat partijen allereerst verdeeld houdt is de vraag of [eiser] tijdig en volledig aan de veroordelingen uit het vonnis van 16 april 2025 heeft voldaan. Bij de beoordeling van deze vraag stelt de voorzieningenrechter voorop dat op de partij die aanspraak maakt op verbeurde dwangsommen de stelplicht en bewijslast rust ten aanzien van het niet voldoen door de andere partij aan de veroordelingen (bijv. Gerechtshof Leeuwarden, 21 februari 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BV6494). De voorzieningenrechter zal bij de beoordeling van de vordering een inschatting moeten maken van de kans dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de dwangsommen zijn verbeurd, als in het executiegeschil een bodemprocedure wordt gevoerd.
4.4.
Bij de beantwoording van die vraag moet de voorzieningenrechter onderzoeken of de prestatie is verricht waaraan de dwangsom als sanctie is verbonden. De voorzieningenrechter moet de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen van [eiser] toetsen aan de inhoud van de veroordeling zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Het dictum dient te worden uitgelegd met inachtneming van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid. Bij het geven van deze uitleg moet het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer worden genomen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Daarbij dienen voorts maatstaven van redelijkheid en billijkheid in acht te worden genomen (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 mei 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3686).
4.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser] de veroordelingen uit het vonnis niet is nagekomen en daardoor dwangsommen zouden zijn verbeurd. Daartoe wordt als volgt overwogen.

1. Crypto-wallets
4.6. [
gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [eiser] niet aan de veroordeling in het vonnis heeft voldaan omdat hij geen overzichten heeft verstrekt van Ledger en MetaMask. [eiser] betwist dat hij daartoe gehouden zou zijn. Volgens hem ziet het vonnis op het verstrekken van overzichten van crypto-accounts, terwijl Ledger en MetaMask zogenaamde crypto-wallets zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat een crypto-account niet kan worden gelijkgesteld met een crypto-wallet. Daarbij heeft hij eveneens voldoende onderbouwd dat op crypto-wallets – anders dan op crypto-accounts – geen “aan- en verkopen” plaatsvinden, zoals omschreven in de vordering van [gedaagde] en in de veroordeling in het vonnis. Ook heeft [eiser] onweersproken aangevoerd dat het al dan niet overleggen van crypto-wallets geen onderdeel is geweest van het partijdebat. [gedaagde] heeft ter zitting en in haar akte uitlating ook erkend dat haar petitum in dat opzicht anders had moeten worden geformuleerd. Dit laatste komt voor rekening en risico van [gedaagde] en kan niet aan [eiser] worden tegengeworpen. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] niet in strijd met het vonnis heeft gehandeld door geen overzichten van de Ledger en Metamask wallets te verstrekken, zodat evenmin een dwangsom is verbeurd.

2. Alle crypto-accounts
4.7.
Daarnaast stelt [gedaagde] dat [eiser] niet aan het vonnis heeft voldaan omdat hij geen overzichten heeft verstrekt van al zijn crypto-accounts. [gedaagde] benoemde daarbij in eerste instantie dat [eiser] een Bybit account zou hebben, waarvan geen gegevens zijn verstrekt. In haar akte uitlating schrijft [gedaagde] dat [eiser] ter zitting zou hebben toegegeven dat hij ook andere accounts heeft geopend, maar dat hij daarvan geen informatie heeft verstrekt omdat daar niet mee zou zijn gehandeld. De voorzieningenrechter volgt dit niet. [eiser] heeft ter zitting slechts toegelicht dat en waarom het in het algemeen gebruikelijk is voor crypto-traders om meerdere crypto-accounts te openen bij verschillende exchanges en dat die accounts vervolgens zelden of nooit worden gebruikt. [eiser] benoemde dit in het kader van de door [gedaagde] ingenomen stelling dat [eiser] een account bij Bybit zou hebben, waarvan door hem geen gegevens zijn overgelegd. [eiser] gaf daarbij aan dat het om die reden mogelijk is dat hij ooit een account heeft aangemaakt bij Bybit, maar dat hij dat niet zeker weet en dat hij heeft geprobeerd om daarop in te loggen (via “wachtwoord vergeten”), maar dat dit niet is gelukt. De voorzieningenrechter overweegt dat als [eiser] geen toegang (meer) heeft tot een crypto-account, van hem ook niet kan worden gevergd daarvan een overzicht te verstrekken ter uitvoering van het vonnis. Aangezien [gedaagde], naast het door haar gestelde Bybit account, niet aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser] nog andere crypto-accounts heeft, is evenmin aannemelijk dat [eiser] niet aan het vonnis heeft voldaan door daar geen overzichten van te verstrekken. Het is de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken dat [eiser] ten aanzien van dit punt niet volledig aan het vonnis heeft voldaan. Daarmee is geen dwangsom verbeurd.

3. Alle bankafschriften
4.8.
Partijen verschillen van mening over de vraag hoe de veroordeling in het vonnis ten aanzien van de bankafschriften moet worden uitgelegd. Volgens [gedaagde] is [eiser] gehouden om op basis van het vonnis alle bankafschriften te verstrekken in de betreffende periode, ongeacht of op de afschriften transacties ten behoeve van de aan- of verkoop van cryptovaluta staan vermeld. [eiser] stelt dat hij op basis van het vonnis alleen de bankafschriften hoefde te overleggen waarop overboekingen van en naar crypto-accounts zichtbaar zijn, zodat hij ook alleen daarop heeft gefilterd. Bij akte uitlating na de mondelinge behandeling heeft [eiser] meerdere bankafschriften in het geding gebracht.
4.9.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In het vonnis is [eiser] veroordeeld tot het verstrekken van: “de bankafschriften (…) vanaf 19 april 2020 tot en met het bankafschrift waarop de laatste transactie ten behoeve van de aan- of verkoop van cryptovaluta staat vermeld”. In het vonnis is verder geen overweging gewijd aan deze specifieke vordering. Wel is het algemeen overwogen dat [gedaagde] niet de mogelijkheid heeft om haar stelling aan te tonen dat het geld dat zij heeft overgemaakt door [eiser] is gebruikt ten behoeve van de aankoop van bitcoins en altcoins, zodat zij voldoende belang heeft bij het krijgen van inzage in de gegevens. Het doel was dus om inzage krijgen in de aankopen van bitcoins en altcoins door [eiser]. Dat doel kan worden bereikt door de bankafschriften te overleggen waarop overboekingen van en naar crypto-accounts zichtbaar zijn, zoals [eiser] heeft gedaan.
4.10. [
gedaagde] voert in onderhavige procedure aan dat zij belang heeft bij inzage in alle bankafschriften zodat zij zélf per afschrift kan controleren of er transacties van cryptovaluta hebben plaatsgevonden. Een dergelijk doel of belang valt uit het vonnis echter niet af te leiden. Bovendien had het dan op de weg van [gedaagde] gelegen om alle bankafschriften over een bepaalde periode te vorderen, net zoals zij ten aanzien van de overzichten van de crypto-accounts heeft gedaan, en was er voor haar geen aanleiding om die periode af te bakenen tot aan het bankafschrift met de laatste transactiedatum.
4.11.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan [eiser] daarom niet worden tegengeworpen dat hij niet ook de bankafschriften heeft overgelegd waarop géén transacties ten behoeve van de aan- of verkoop van cryptovaluta zijn vermeld. Er is geen dwangsom verbeurd.

4. Storting van € 500,00
4.12.
Verder voert [gedaagde] aan dat [eiser] na het vonnis in incident de bankafschriften tot aan maart 2022 heeft overgelegd, maar dat uit het Bitvavo account volgt dat er nog een transactie van € 500,00 heeft plaatsgevonden op [datum] april 2024. Om die reden had [eiser] volgens [gedaagde] de bankafschriften tot en met april 2024 moeten overleggen in plaats van tot aan maart 2022. Door dat niet te doen heeft [eiser] volgens [gedaagde] niet volledig aan het vonnis voldaan. [eiser] voert aan dat deze storting dateert van lang nadat [eiser] en [gedaagde] uit elkaar zijn gegaan. Die storting houdt volgens hem op geen enkele manier verband met de door [gedaagde] gestelde eenvoudige gemeenschap of overeenkomst van opdracht.
4.13.
De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat uit de bankafschriften die [eiser] in onderhavige procedure bij zijn akte uitlating heeft overgelegd, volgt dat dat op [datum] april 2024 inderdaad een afschrijving van € 500,00 is geweest van de bankrekening van [eiser] naar Bitvavo. Om te beoordelen of [eiser] op dit punt aan de veroordeling uit het vonnis in incident heeft voldaan, dient te worden aangesloten bij het doel en de strekking van de veroordeling in het vonnis. De rechtbank heeft daarin overwogen dat de bankafschriften voor [gedaagde] van belang zijn ter onderbouwing van haar stelling dat zij geld aan [eiser] heeft overgemaakt dat vervolgens door [eiser] is gebruikt ten behoeve van de aankoop van bitcoins en altcoins. Zoals ter zitting is besproken vonden de overboekingen van [gedaagde] aan [eiser] plaats in de periode april 2020 tot en met januari 2021. Met inachtneming van de strekking en het doel van het vonnis, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het vonnis zich niet zo ver uitstrekt dat [eiser] – ruim nadat de overboekingen plaatsvonden en nadat de relatie tussen partijen is beëindigd – bankafschriften aan [gedaagde] moet blijven sturen telkens als hij een bedrag naar een van zijn crypto-accounts overboekt. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat [eiser] niet gehouden was om de bankafschriften tot en met april 2024 aan [gedaagde] te verstrekken. [eiser] heeft daarmee niet in strijd met het vonnis gehandeld door die bankafschriften in eerste instantie niet te overleggen. Daarmee is geen dwangsom verbeurd.

5. Onvolledig overzicht/geen openheid van zaken
4.14.
In de correspondentie tussen de gemachtigden van partijen voorafgaand aan onderhavige procedure en in de conclusie van repliek in de bodemprocedure heeft [gedaagde] zich eveneens op het standpunt gesteld dat de door [eiser] overgelegde overzichten om diverse redenen onvolledig zouden zijn geweest of dat [eiser] geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Zo werd benoemd dat in het overzicht van het Bitvavo-account zou zijn gefilterd op euro’s, dat het saldo op het Bitvavo-account laag is, dat de aankoop van de woning van [eiser] niet zichtbaar is op het account en dat bepaalde transacties hebben plaatsgevonden die niet zijn te herleiden tot het Bitvavo-account, zodat [eiser] mogelijk nog andere accounts heeft. [eiser] is in zijn dagvaarding op al deze punten ingegaan en heeft aan de hand daarvan beargumenteerd waarom daar volgens hem geen sprake van is en waarom de overgelegde stukken volgens hem niet goed door [gedaagde] zijn geïnterpreteerd. Ook ter zitting heeft [eiser] dit nogmaals toegelicht. [gedaagde] is daar in onderhavige procedure in het geheel niet op ingegaan; niet op de zitting en ook niet in haar akte uitlating. Dit terwijl de voorzieningenrechter [gedaagde] ter zitting uitdrukkelijk heeft gevraagd welke gegevens zij nog miste en haar in staat heeft gesteld om daarover een akte te nemen. Het is de voorzieningenrechter dan ook niet duidelijk of [gedaagde] zich in onderhavige procedure eveneens op het standpunt stelt dat [eiser] om voornoemde redenen niet aan de veroordelingen uit het vonnis heeft voldaan.
4.15.
Aangezien [gedaagde] degene is die aanspraak maakt op verbeurde dwangsommen, rust op haar de stelplicht en eventueel de bewijslast ten aanzien van het niet voldoen aan de veroordelingen uit het vonnis. Gelet op de toelichting en onderbouwing van [eiser] en het ontbreken van een (nadere) toelichting van [gedaagde], is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagde] haar stelling – mocht zij die stelling in onderhavige procedure al heeft willen innemen – van onvoldoende onderbouwing heeft voorzien.

Conclusie
4.16.
De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser] niet tijdig en/of volledig aan de veroordelingen uit het vonnis heeft voldaan. De voorzieningenrechter acht het om die reden niet aannemelijk dat de bodemrechter, als het executiegeschil in een eventuele bodemprocedure wordt gevoerd, tot het oordeel zal komen dat dwangsommen zijn verbeurd.
4.17.
De vorderingen tot staking van de executie (vordering I) en tot opheffing van eventueel door [gedaagde] gelegde executoriale beslagen (vordering III) zullen daarom worden toegewezen. Aan het opheffen van eventueel gelegde beslagen zal de voorzieningenrechter de door [eiser] gevorderde dwangsom verbinden van € 1.000,00 per dag dat [gedaagde] niet aan de veroordeling voldoet, met dien verstande dat daaraan een maximum wordt verbonden van € 20.000,00. Daarnaast wordt [gedaagde] veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen [gedaagde] eventueel uit hoofde van de dwangsommen reeds van [eiser] heeft geïncasseerd, vermeerderd met rente (vordering V). Aangezien de dwangsommen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet verbeurd zijn, heeft [eiser] in beginsel recht op terugbetaling daarvan. Van enig restitutierisico is niet gebleken. De voorzieningenrechter zal aan de terugbetaling een termijn van 24 uur na betekening van dit vonnis verbinden.
4.18.
Daarnaast zal de voorzieningenrechter [gedaagde] verbieden om opnieuw executiemaatregelen te treffen voor de dwangsommen die op 26 november 2025 in het deurwaardersexploot zijn aangezegd (vordering II). Voor een beslissing over het al dan niet verbeurd zijn van deze dwangsommen is een door [gedaagde] te starten bodemprocedure de geëigende weg. Voor zover [eiser] met zijn vordering eveneens heeft bedoeld dat het [gedaagde] wordt verboden om in de toekomst nog dwangsommen aan te zeggen en te executeren voor het overtreden van het vonnis van 16 april 2025, bestaat voor een dergelijk verbod geen grond. De mogelijkheid bestaat immers dat [eiser] alsnog niet aan de veroordelingen uit het vonnis voldoet, bijvoorbeeld omdat [gedaagde] of [eiser] op de hoogte raken van het bestaan van een ander crypto-account, waarvan nog geen gegevens zijn verstrekt. [gedaagde] houdt in een dergelijk geval belang bij het uit kunnen voeren van executiemiddelen.

Proceskostenveroordeling
4.19. [
gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding



153,02

- griffierecht



341,00

- salaris advocaat



1.177,00

- nakosten



189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



1.860,02
4.20.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

in reconventie
4.21. [
gedaagde] heeft ter zitting een vrij ruim geformuleerde vordering in reconventie ingediend, waarmee zij gedocumenteerd inzicht wilde verkrijgen in wat er met de door [eiser] aangekochte bitcoins is gebeurd. De voorzieningenrechter heeft [gedaagde] ter zitting gevraagd welke gegevens zij nog concreet mist en heeft haar in de gelegenheid gesteld om daarover een akte te nemen. In haar akte uitlating heeft [gedaagde] benoemd dat zij de vordering in reconventie wijzigt, zonder die wijziging in een petitum te verwerken. Afgaande op hetgeen [gedaagde] in de alinea’s daaraan voorafgaand heeft benoemd (punten 12 en 13), leidt de voorzieningenrechter af dat [gedaagde] slechts nog vordert: “de gegevens van de niet overgelegde cryptoaccounts en de ontbrekende bankafschriften die [eiser] op grond van het vonnis in incident aan [gedaagde] had moeten verstrekken”.
4.22.
De voorzieningenrechter heeft hiervoor echter reeds geoordeeld dat geen sprake is van ontbrekende gegevens van crypto-accounts of ontbrekende bankafschriften die [eiser] op grond van het vonnis aan [gedaagde] had moeten verstrekken. [gedaagde] heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat [eiser] nog andere crypto-accounts heeft, waarvan geen gegevens zijn overgelegd. Mocht overigens blijken dat [eiser] daar wél over beschikt, dan is hij op basis van het vonnis van 16 april 2025 reeds gehouden om daarover gegevens aan [gedaagde] te verstrekken. [gedaagde] heeft daarom geen belang bij haar vordering in reconventie op dit punt.
4.23.
Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld dat zij met haar vordering in reconventie ook alsnog de bankafschriften heeft willen vorderen over de door haar gewenste periode van april 2020 tot en maart 2024, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. [eiser] heeft bij zijn akte uitlating ruim 1100 pagina’s aan bankafschriften overgelegd over de periode april 2020 tot en met april 2024. [gedaagde] voert in haar akte uitlating aan dat zij haar eis in reconventie op dit punt niet wil intrekken omdat die bankafschriften niet bij de conceptakte waren gevoegd, zodat zij nog niet heeft kunnen controleren of alle bankafschriften zijn overgelegd. Aangezien [gedaagde] meent nog steeds een (spoedeisend) belang te hebben bij deze vordering en [eiser] daartegen – althans niet ten aanzien van de vordering in reconventie – geen verweer voert (in tegendeel; hij heeft hieraan reeds willen voldoen), zal de voorzieningenrechter de vordering toewijzen. Voor het opleggen van een dwangsom bestaat geen aanleiding aangezien [eiser] – naar het zich nu laat aanzien - de gevorderde bankafschriften reeds heeft verstrekt.
4.24.
De voorzieningenrechter zal de proceskosten in reconventie compenseren omdat geen van de partijen (grotendeels) in het ongelijk wordt gesteld. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter

in conventie
5.1.
beveelt [gedaagde] de (verdere) executie van het dwangsommenexploot van 26 november 2025, evenals de executie van het vonnis in incident van 16 april 2025 voor wat betreft de daarin opgelegde dwangsommen, onmiddellijk te staken en gestaakt te houden,
5.2.
verbiedt [gedaagde] uit hoofde van het tussen partijen gewezen vonnis van deze rechtbank van 16 april 2025 nog verdere executoriale maatregelen te treffen, voor de dwangsommen die op 26 november 2025 in het deurwaardersexploot zijn aangezegd,
5.3.
beveelt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis alle eventueel reeds gelegde executoriale beslagen op te heffen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 20.000,00,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot terugbetaling aan [eiser] van al hetgeen [gedaagde] eventueel uit hoofde van de gestelde verbeurde dwangsommen reeds van [eiser] heeft geïncasseerd, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van incasso tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.860,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie
5.8.
veroordeelt [eiser] om binnen een termijn van twee weken na betekening van

dit vonnis aan [gedaagde] de bankafschriften van bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] op naam van [eiser] over de periode april 2020 tot en met april 2024 te verstrekken, voor zover hij dat nog niet (volledig) heeft gedaan,
5.9.
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt,
5.10.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.11.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.B. van Baalen en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.

658/NS

Artikel delen