Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNNE:2026:3155

Natuurbeschermingsrecht. Gebiedsbescherming. Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden van de minister van 22 november 2022 blijft in stand. De minister is verplicht om alle beschermde habitattypen en soorten aan te wijzen en kan dat ook nog doen met een correctie na de oorspronkelijke aanwijzing van de Natura 2000-gebieden. De minister heeft op basis van de habitattypenkaarten en een deskundi...

Rechtbank Noord-Nederland 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNNE:2026:3155 text/xml public 2026-08-06T15:00:17 2026-07-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-07-31 LEE 23-1080 en 23-1303 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Groningen Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:3155 text/html public 2026-07-31T11:05:07 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:3155 Rechtbank Noord-Nederland , 31-07-2026 / LEE 23-1080 en 23-1303
Natuurbeschermingsrecht. Gebiedsbescherming. Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden van de minister van 22 november 2022 blijft in stand. De minister is verplicht om alle beschermde habitattypen en soorten aan te wijzen en kan dat ook nog doen met een correctie na de oorspronkelijke aanwijzing van de Natura 2000-gebieden. De minister heeft op basis van de habitattypenkaarten en een deskundigenonderzoek voldoende aannemelijk gemaakt dat de typen en soorten op het moment van het aanwijzen aanwezig waren. Wel hadden de habitattypenkaarten eerder al, bij het ontwerpbesluit, ter inzage moeten worden gelegd. Dit gebrek wordt gepasseerd met artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat belanghebbenden hierdoor niet zijn benadeeld. Inspraak en het Verdrag van Aarhus. Schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummers: LEE 23/1080 en 23/1303

uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 31 juli 2026 in de zaken tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres 1,
[eiseres] , gevestigd in [plaats], eiseres 2,

hierna gezamenlijk te noemen: eiseressen,

(gemachtigde: mr. P. Botman),

en

de minister voor Natuur en Stikstof (nu: de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), de minister,

(gemachtigde: mr. R.H.M. Sipman).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Vereniging Leefmilieu, gevestigd te Nijmegen, derde-belanghebbende,

(gemachtigde: mr. V. Wösten).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseressen tegen het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden van de minister van 22 november 2022 (het wijzigingsbesluit).
1.1.
Bij het wijzigingsbesluit van 22 november 2022 heeft de minister ter uitvoering van de Habitatrichtlijn (Hrl) de aanwijzingsbesluiten van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland gewijzigd.
1.2.
Tegen het wijzigingsbesluit hebben eiseressen beroep ingesteld.
1.3.
De formeel bevoegde rechtbank Gelderland heeft deze rechtbank, na overleg met de andere rechtbanken, om proceseconomische gronden gevraagd de zaken die betrekking hebben op de Natura 2000-gebieden die in dit arrondissement liggen, te behandelen, omdat hier de beroepen zijn ingesteld. Deze rechtbank heeft hiermee ingestemd en heeft dat bij brief van 7 april 2023 aan partijen medegedeeld.
1.4.
De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig behandeld met de beroepen onder de procedurenummers LEE 23/681, 23/723, 23/1012 en 23/1426 op de regiezitting van

5 december 2025. Eiseressen en hun gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
1.6.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting hervat op 24 maart 2026. Eiseressen en hun gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. De minister is met kennisgeving niet verschenen. Derde-belanghebbende is met kennisgeving niet verschenen.
1.7.
Deze uitspraak wordt gedaan in de zaken met de procedurenummers LEE 23/1080 en 23/1303. In de zaken met de procedurenummers LEE 23/681, 23/723, 23/1012 en 23/1426 wordt apart uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het wijzigingsbesluit aan de hand van de gronden die eiseressen hebben aangevoerd.

3. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen van eiseressen ongegrond moeten worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1.
De voor de beoordeling van het verzoek belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Feiten

4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
4.1.
Eiseres 1 exploiteert een melkveebedrijf aan de [adres] in [plaats]. Het melkveebedrijf is gelegen binnen een zone van 25 kilometer van de Natura 2000-gebieden “Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving”.
4.2.
Eiseres 2 exploiteert een agrarisch bedrijf aan de [adres] in [plaats]. Het agrarische bedrijf is gelegen binnen een zone van 25 kilometer van het Natura 2000-gebied “Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving”.
4.3.
De minister heeft een ontwerpbesluit tot wijziging van de instandhoudingsdoelstellingen van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland genomen. De minister heeft dit ontwerpbesluit gepubliceerd in de Staatscourant. Verder heeft de minister dit ontwerpbesluit gedurende de periode van 9 maart tot en met

19 april 2018 ter inzage gelegd. Daarbij is een ieder in de gelegenheid gesteld om gedurende deze periode een zienswijze bij de minister in te dienen.
4.4.
Bij het bestreden besluit heeft de minister ter uitvoering van de Hrl de aanwijzingsbesluiten van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland gewijzigd.

Juridisch kader

5. Uit de Hrl volgt dat op het Europees grondgebied een ecologisch netwerk van speciale beschermingszones wordt gevormd. Dat netwerk bestaat uit door lidstaten aan te wijzen Natura 2000-gebieden. Een gebied moet als zodanig worden aangewezen, wanneer in dat gebied een bepaald type natuurlijke habitat of habitat van een bepaalde soort aanwezig is die staat genoemd in bijlage I of II van de Hrl. Lidstaten zijn verplicht om maatregelen te treffen om die habitats te behouden of herstellen.
5.1.
Deze Europeesrechtelijke verplichting is in de nationale wetgeving geïmplementeerd in artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb). In dat artikel staat dat de minister ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van de Hrl gebieden in Nederland aanwijst als speciale beschermingszones, die worden aangeduid als ‘Natura 2000-gebied’. Ook staat in dat artikel dat de minister bevoegd is om een dergelijk aanwijzingsbesluit te wijzigen.

Overgangsrecht

6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is, dan blijft op grond van artikel 2.9, tweede lid, onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.
6.1.
Het wijzigingsbesluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpbesluit is op 9 maart 2018 ter inzage gelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Het geschil

7. Tussen partijen is in geschil of de minister het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied “Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving” heeft kunnen wijzigen. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.
Procedurele gronden
Niet ter inzage leggen van de habitattypenkaarten met het ontwerpbesluit

8. Eiseressen betogen dat de minister op grond van artikel 3:11 van de Awb gehouden is het ontwerpbesluit met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage te leggen. Eiseressen voeren aan dat in dit geval in maart 2018 alleen een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. Daarbij is volgens eiseressen door de minister volstaan met een verwijzing naar niet nader genoemde door de provincies, het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het ministerie van Defensie opgestelde habitattypenkaarten en vervaardigd documentatiemateriaal. Naar de mening van eiseressen heeft de minister daarmee in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 3:11 van de Awb. Daar komt volgens eiseressen bij dat niet dan wel onvoldoende duidelijk is op welke stukken de minister in dit verband concreet doelt en dat de wijzingen betrekking hebben op 101 Natura 2000-gebieden die verspreid zijn gelegen in heel Nederland. Indien de omvang van de stukken en/of eventuele andere praktische overwegingen de reden zijn voor het volstaan met het op deze wijze doorverwijzen naar stukken, achten eiseressen dit geen steekhoudend juridisch excuus. Verder zijn eiseressen van mening dat deze handelswijze van de minister niet in overeenstemming is met de in het Verdrag van Aarhus neergelegde waarborgen voor doeltreffende inspraak.
8.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat in het wijzigingsbesluit is vermeld wat de gebruikte bronnen zijn, zoals met name de habitatkaarten. Die kaarten zijn van de provincies, Rijkswaterstaat en Defensie. Slechts een deel van deze bronhouders publiceert hun kaarten op internet; anderen stellen die op aanvraag ter beschikking. Omdat de minister weliswaar gebruik heeft gemaakt van de kaarten maar zelf geen bronhouder is, is ervoor gekozen om niet zelfstandig alle kaarten bij de terinzagelegging op internet te publiceren. In plaats daarvan is ervoor gekozen om bij de bekendmaking (in advertenties in alle regionale bladen) te wijzen op de mogelijkheid tot het opvragen van (achtergrond)documenten bij het klantcontactcentrum van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Daar is door meerdere personen inderdaad gebruik van gemaakt. Deze personen hebben de kaarten met de locaties van de toegevoegde habitattypen ontvangen. De minister acht van belang dat uit de tekst van het (ontwerp)besluit voldoende blijkt voor welke habitattypen en soorten instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd aan het betrokken natuurgebied. Een verbeelding in de vorm van een habitattypekaart voegt hieraan volgens de minister niets toe. De minister voert aan dat het toevoegen van een instandhoudingsdoelstelling namelijk geldt voor het gehele gebied en niet voor een specifieke locatie. Het doet er vanuit het oogpunt van eisers in het kader van het wijzigingsbesluit dan ook niet toe waar het habitattype zich exact bevindt. Op basis van de motivering van het (ontwerp)besluit hadden eisers volgens de minister een zienswijze kunnen indienen of beroep kunnen instellen, en daarbij de relevante stukken op kunnen vragen. Zowel bij de terinzagelegging van het ontwerp als van het vaststellingsbesluit is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door diverse personen. Deze personen hebben de opgevraagde stukken ontvangen en gebruikt in de verdere procedure. Gelet daarop is de minister van mening dat alle voor de beoordeling van het (ontwerp)besluit noodzakelijke stukken ter inzage hebben gelegen. In het kader van de beroepsprocedures heeft de minister alsnog afbeeldingen (in pdf-formaat) van de habitattypenkaarten gepubliceerd.
8.2.
Op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. Dit artikel is een uitwerking van de actieve openbaarmakingsplicht: een bestuursorgaan moet uit eigen beweging informatie verstrekken. Doel van de terinzagelegging is onder andere dat betrokkenen kennis kunnen nemen van het ontwerp van het besluit. Zij kunnen dan de gegevens en de aannames waarop het besluit is gebaseerd controleren, de keuzes in het besluit beoordelen en afwegen of zij daartegen willen opkomen. De aan het besluit ten grondslag liggende gegevens moeten daarom volledig, tijdig en uit eigen beweging op een passende wijze openbaar worden gemaakt.
8.3.
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de habitattypenkaarten op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. De rechtbank stelt vast dat op een habitattypenkaart te zien is waar een bepaald habitattype voorkomt in een Natura 2000-gebied en in welke omvang. Habitattypenkaarten komen tot stand op basis van onderliggend documentatiemateriaal, zoals vegetatiekaarten die zijn vastgesteld door ecologisch deskundigen die hebben onderzocht welke habitattypen op de peildatum in een gebied voorkwamen.
8.4.
Uit het wijzigingsbesluit volgt dat de in de aanwijzingsbesluiten aangebrachte wijzigingen ten aanzien van de habitattypen zijn gebaseerd op de (gevalideerde) habitattypenkaarten. De minister stelt zich op het standpunt dat de habitattypenkaarten niet nodig waren om het ontwerpbesluit te kunnen beoordelen, maar de rechtbank volgt hem daarin niet. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de habitattypenkaarten op de zaak betrekking hebbende stukken, omdat de kaarten gebruikt zijn voor de correcties en daarmee de basis vormen van het wijzigingsbesluit. Dat maakt ook dat de habitattypenkaarten redelijkerwijs nodig zijn om het ontwerpbesluit te kunnen beoordelen. Zonder deze kaarten is het voor een belanghebbende moeilijk om te controleren en zo nodig te betwisten of een habitattype op de peildatum in meer dan verwaarloosbare mate in het Natura 2000-gebied aanwezig was. Dat voor de besluitvorming niet van belang is op welke exacte locaties de habitattypen voorkomen, maakt dit niet anders. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister in strijd heeft gehandeld met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb door de habitattypenkaarten niet uit eigen beweging met het ontwerpbesluit ter inzage te leggen.
8.5.
Voor het documentatiemateriaal waarop de habitattypenkaarten zijn gebaseerd, geldt naar het oordeel van de rechtbank dat dit niet rechtstreeks aan het wijzigingsbesluit ten grondslag is gelegd. Dit brengt met zich dat het documentatiemateriaal niet valt aan te merken als stukken die op de zaak betrekking hebben. Dit betekent dat de minister dit documentatiemateriaal daarom ook niet uit eigen beweging ter inzage heeft hoeven leggen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister dit documentatiemateriaal op verzoek heeft kunnen verstrekken.
8.6.
Dat de habitattypenkaarten niet ter inzage hebben gelegen is een gebrek in de voorbereiding van het wijzigingsbesluit. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat eiseressen en/of andere belanghebbenden niet zijn benadeeld door het gebrek. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister in beroep de habitattypenkaarten alsnog beschikbaar gesteld op een openbare website. Eiseressen hebben daarna voldoende tijd gehad om de kaarten te bekijken en daarop te reageren. De rechtbank acht het verder aannemelijk dat andere belanghebbenden niet zijn benadeeld doordat de habitattypenkaarten niet ter inzage hebben gelegen. In het ontwerpbesluit staat dat wijzigingen worden onderbouwd met de habitattypenkaarten, waardoor een ieder op de hoogte kon zijn van het bestaan van deze kaarten en daarover een zienswijze had kunnen indienen.

9. In artikel 6, vierde lid, van het Verdrag van Aarhus is bepaald dat elke Partij voorziet in vroegtijdige inspraak, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden. Uit de Hrl, het Verdrag van Aarhus of de algemene beginselen van Unierecht blijkt niet dat de inspraakmogelijkheid moest worden geboden op het moment van het aanpassen van het Standard Data Form (SDF). Naar nationaal recht bestond die inspraakmogelijkheid ook niet op dat moment. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling kan worden afgeleid dat een voorstel van een lidstaat (tot aanpassing) als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Hrl niet aangemerkt kan worden als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit voorstel is geen publiekrechtelijke rechtshandeling, maar een handeling ter voorbereiding van de vaststelling van de lijst van gebieden van communautair belang. Het rechtscheppend moment ligt besloten in de vaststelling van deze lijst (of een wijziging daarvan) door de Europese Commissie (EC) dan wel in de (wijziging van een) aanwijzing van een gebied door een lidstaat. De aanmelding van habitattypen en soorten via het SDF en het actueel houden van deze gegevens is een verplichting voor de minister, die voortvloeit uit artikel 4 van de Hrl en het Uitvoeringsbesluit van de EC van 11 juli 2011.
9.1.
Bovendien heeft de minister toegelicht dat de aanmelding van een habitattype of soort bij de EC via het SDF niet zonder meer verplicht tot toevoeging van het habitattype of de soort aan het aanwijzingsbesluit voor het desbetreffende Natura 2000-gebied. Dit omdat betere gegevens aanleiding kunnen geven om in het definitieve besluit af te wijken van de informatie die eerder met het SDF is verstrekt. In een aantal gevallen hebben de zienswijzen over het ontwerpbesluit ertoe geleid dat een voorgenomen toevoeging alsnog is geschrapt, omdat de gebruikte informatie onjuist is gebleken. Gelet hierop ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat geen mogelijkheid tot tijdige en doeltreffende inspraak is geboden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat artikel 3:11 van de Awb voldoet aan de vereisten van het Verdrag van Aarhus, en het Verdrag van Aarhus dus niet meer bescherming biedt dan de Awb. Er bestaat daarom geen aanleiding om eiseressen te volgen in hun niet nader onderbouwde betoog dat sprake is van strijd met de waarborgen voor doeltreffende inspraak uit het Verdrag van Aarhus. Deze beroepsgrond van eiseressen slaagt niet.
Inhoudelijke gronden
Ecologische onderbouwing

10. Eiseressen betogen dat de minister niet dan wel onvoldoende inzicht heeft gegeven op grond van welke concrete stukken de wijzingen zijn gebaseerd. Eiseressen voeren aan dat zij zich daarom ook geen mening kunnen (laten) vormen of de ecologische onderbouwing juist en toereikend is. In dit verband benadrukken eiseressen nog dat de minister expliciet heeft gesteld dat het wijzigingsbesluit strekt tot correctie van de eerdere aanwijzingsbesluiten en niet ter actualisatie. Eiseressen betogen verder dat de minister geen nauwkeurige kaart heeft gemaakt waarop de wijzigingen inzichtelijk zijn. Dat had gemoeten op grond van artikel 2.1, zevende lid, van de Wnb en is ook in strijd met het met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Hierdoor is het voor eiseressen niet mogelijk om het besluit te bestrijden en doordat niet duidelijk is waar de soorten en habitattypen precies zijn toegevoegd, zijn de gevolgen van het wijzigingsbesluit bovendien onzeker.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat het wijzigingsbesluit voldoende is onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met de habitattypenkaarten in beginsel voldoende aannemelijk gemaakt dat de habitattypen in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig waren in het gebied ten tijde van de aanwijzing. Het is vervolgens aan eiseressen om aannemelijk te maken dat deze habitattypenkaarten zodanige leemten of gebreken bevatten dat de minister deze kaarten niet bij de besluitvorming mocht betrekken. Daarin zijn eiseressen niet geslaagd.
10.2.
Het is weliswaar voorstelbaar dat het lastig is om te controleren of een habitattypenkaart klopt, omdat dit betekent dat jaren na de vaststelling van de aanwijzingsbesluiten moet worden gecontroleerd of een habitattype ten tijde van de aanwijzing al aanwezig was, maar dat betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat dit niet mogelijk is. Wat betreft de stelling over de beschikbaarheid van de achtergronddocumenten en habitattypenkaarten, verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 8.
10.3.
De rechtbank volgt eiseressen evenmin in het betoog dat de habitattypenkaarten de situatie ten tijde van de aanwijzing niet zouden weergeven. De stelling dat gebruik is gemaakt van informatie en veldonderzoek van na de datum van de aanwijzingsbesluiten, is daarvoor onvoldoende. De minister heeft in het wijzigingsbesluit en op de zitting toegelicht dat habitattypen alleen zijn toegevoegd, als aan de hand van waarnemingen kon worden geconcludeerd dat deze ook al ten tijde van het aanwijzingsbesluit aanwezig waren.

11. Voor zover eiseressen betogen dat een nauwkeuriger besluit met een inzichtelijkere kaart nodig was, overweegt de rechtbank als volgt.
11.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet gehouden was om nauwkeurige kaarten te maken waarop precies te zien is waar de toegevoegde typen en soorten zich bevinden. Het toevoegen van habitattypen en soorten geldt namelijk voor alle typen en soorten die in het Natura 2000-gebied voorkomen in meer dan verwaarloosbare oppervlakte of populatie. Als op één plek in een Natura 2000-gebied een bepaald habitattype voorkomt, dan wordt dat type met de aanwijzing beschermd in het hele gebied. Overigens is het wijzigingsbesluit voor de habitattypen gebaseerd op habitattypenkaarten, waaruit volgt waar een type in ieder geval is aangetroffen, en is dat voor soorten, nu die naar hun aard niet op één vaste plek voorkomen, niet mogelijk. Ook artikel 2.1, zevende lid, van de Wnb verplicht niet tot het maken van nauwkeurige kaarten, omdat dat artikel alleen van toepassing is op de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Het wijzigingsbesluit wijzigt die begrenzing niet. Deze beroepsgrond van eiseressen slaagt niet.

Is er sprake van actualiseren of corrigeren?

12. Eiseressen betogen dat het onrechtmatig is om na zoveel jaren alsnog te corrigeren door het toevoegen van soorten en doelen die rechtstreeks van invloed zijn op de mogelijkheid om bestaand gebruik te continueren of die tot beperkingen gaan lijden voor de (agrarische) bedrijfsvoering. Verder is er in de tussentijd alweer zoveel veranderd - eiseressen doelen op de stikstofproblematiek - dat het de moeite was geweest om te onderzoeken of deze wijzigingen nog steeds nodig waren.
12.1.
De rechtbank overweegt dat de minister verplicht is om alle typen en soorten die in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen aan te wijzen en dat het niet is verboden om dat achteraf in aanvulling op de aanmelding bij de EC te doen op basis van actuele ecologische gegevens.
12.2.
Het wijzigingsbesluit is ook naar het oordeel van de rechtbank een correctie, dat wil zeggen dat alsnog habitattypen en habitatsoorten zijn toegevoegd die op het moment van het aanwijzen van de gebieden al wel aanwezig waren, maar nog niet waren aangewezen. De minister heeft toegelicht dat de wijziging is gebaseerd op waarnemingen die toen al wel waren gedaan, maar nog niet verwerkt in de kaarten, en op actuele(re) gegevens voor zover die iets zeggen over de situatie op het moment van de oorspronkelijke aanwijzing. Daarbij heeft de minister toegelicht dat deze wijziging geen gevolgen heeft voor eerder verleende vergunningen of bestaande rechten.
12.3.
De minister heeft de aanwezigheid van de habitattypen onderbouwd aan de hand van de habitattypenkaarten en de aanwezigheid van de soorten aan de hand van een deskundigenrapport van de Vlinderstichting. De minister heeft daarbij toegelicht dat habitattypen en soorten alleen zijn toegevoegd als aan de hand van de waarnemingen kon worden geconcludeerd dat deze ook al ten tijde van het aanwijzingsbesluit aanwezig moeten zijn geweest. Dit kon soms worden vastgesteld aan de hand van waarnemingen ten tijde van dat aanwijzingsbesluit, maar ook door bijvoorbeeld de leeftijd te bepalen van aangetroffen bomen. Eiseressen hebben hierbij wel algemene kanttekeningen geplaatst, maar zonder nadere toelichting of inhoudelijke onderbouwing, is dat naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende voor het oordeel dat het besluit op basis van die stukken niet in stand kan blijven of onvoldoende onderbouwd is. Zoals hiervoor overwogen zijn eiseressen, in ieder geval in beroep, namelijk in de gelegenheid geweest om concreet te maken waarom zij niet geloven dat bepaalde habitattypen en soorten destijds al aanwezig waren. Dit hebben zij nagelaten.
12.4.
Of de situatie in de tussentijd is veranderd, is niet van belang voor het wijzigingsbesluit, omdat het wijzigingsbesluit alleen gaat over het moment van aanwijzen van de Habitatrichtlijngebieden. Deze beroepsgrond van eiseressen slaagt niet.

Terugwerkende kracht

13. Eiseressen betogen dat het wijzigingsbesluit met terugwerkende kracht gevolgen heeft voor agrariërs die hun bedrijf willen uitbreiden of een natuurvergunning willen aanvragen. Volgens eiseressen heeft de minister enkel toegelicht dat het wijzigingsbesluit geen gevolgen heeft voor eerder verleende vergunningen of bestaande rechten. In de visie van eiseressen is deze redenering te kort door de bocht, omdat de instandhoudingsdoelstellingen van de toegevoegde habitattypen met terugwerkende kracht moeten worden gehaald. Het is volgens eiseressen bovendien onduidelijk wat voor gevolgen het wijzigingsbesluit heeft voor het bestaande gebruik in het licht van de stikstofproblematiek. Het voorgaande had daarom aanleiding voor de minister moeten zijn om het wijzigingsbesluit niet te nemen.
13.1.
De rechtbank overweegt dat uit het wijzigingsbesluit volgt dat de peildatum voor de instandhoudingsdoelstellingen niet de datum van het nemen van het wijzigingsbesluit is, maar van het aanwijzingsbesluit van het betreffende Habitatrichtlijngebied. Dit betekent bijvoorbeeld dat de kwaliteit en omvang van een habitattype waarvoor een behoudsdoelstelling is geformuleerd, gelijk moet blijven aan de kwaliteit en omvang van dat habitattype ten tijde van de aanwijzing van het gebied. Met het wijzigingsbesluit zijn dus instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor habitattypen en soorten, waarvoor jarenlang - ten onrechte - geen doelstellingen hebben gegolden. Verder overweegt de rechtbank dat het daarom voorstelbaar is dat de instandhoudingsdoelstelling van een met het wijzigingsbesluit toegevoegd habitattype lastiger te behalen is dan wanneer dat habitattype jaren geleden al was opgenomen in het aanwijzingsbesluit. Dit leidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot de conclusie dat de minister het wijzigingsbesluit niet heeft kunnen nemen. De minister was verplicht om de onvolledigheden en fouten in de eerder genomen aanwijzingsbesluiten te herstellen. De minister heeft bovendien toegelicht dat voor de meeste met het wijzigingsbesluit toegevoegde habitattypen en soorten is gekozen voor de minst ingrijpende instandhoudingsdoelstelling, namelijk die van behoud van de omvang en kwaliteit van het habitattype. Deze beroepsgrond van eiseressen slaagt niet.

Zijn de habitattypen in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig?

14. Eiseressen betogen dat de Europese Unie (EU) bij de aanwijzing vermeldt dat er alleen sprake mag zijn van aanwijzingen die een substantieel gebiedsoppervlak betreffen met reële kansen voor herstel van de soorten en doelen, waarbij het moet gaan om unieke doelen, soorten en habitattypen die elders binnen de EU niet succesvol al behouden worden of kunnen worden. Eiseressen voeren aan dat in de Hrl voor aanmelding als norm is weergegeven dat de habitattypen en soorten in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig moeten zijn. Naar de mening van eiseressen is bij de toevoeging van habitattypen en soorten aan de betreffende Natura 2000-gebieden geen sprake van de vereiste unieke habitattypen en soorten. Daar komt bij dat de oppervlaktes van die toegevoegde habitattypen volgens eiseressen niet voldoen aan de norm om als robuust gebied te kunnen worden aangemerkt, waarvoor behoud- en verbeteringsdoelen realistisch genoemd kunnen worden.
14.1.
De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat een lidstaat verplicht is om alle habitattypen van bijlage I en soorten van bijlage II van de Hrl die in een Natura 2000-gebied in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen aan te wijzen dan wel toe te voegen en daarvoor instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. In een arrest van 12 september 2024 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) deze verplichting nog eens bevestigd. Ook blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de door de minister aangehouden minimum-oppervlakte van 100 m² (één are) niet onredelijk is.
14.2.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister bij de vraag of een habitattype in een gebied in meer dan verwaarloosbare mate voorkomt mag uitgaan van de habitattypenkaarten. In uitspraken van 2 juli 2025 heeft de Afdeling dit nog eens expliciet bevestigd.
14.3.
De rechtbank stelt voorop dat de minister met de habitattypenkaarten in beginsel voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de habitattypen in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig waren in het Natura 2000-gebied ten tijde van de aanwijzing. Het is vervolgens aan eiseressen om aannemelijk te maken dat deze habitattypenkaarten zodanige leemten of gebreken bevatten dat de minister deze kaarten niet bij de besluitvorming mocht betrekken.
14.4.
De minister heeft voor de Natura 2000-gebieden twee soorten habitattypenkaarten overgelegd: één overzichtskaart, waarop is aangegeven waar de desbetreffende habitattypen op de peildata in de Natura 2000-gebieden voorkwamen, en één typenkaart, waarop is aangegeven hoe groot de oppervlaktes waren van de op de peildata aanwezige habitattypen. In een enkel geval heeft de minister volstaan met één soort habitattypenkaart. Daarbij heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat habitattypen in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen, als van dat type minimaal 0,01 hectare (100 m²; 1 are) aanwezig is. Voor bossen geldt een minimale oppervlakte van 0,1 ha (1.000 m²; 10 are).
14.5.
De rechtbank ziet in het niet nader onderbouwde betoog van eiseressen geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de habitattypenkaarten van de betreffende Natura 2000-gebieden niet aan het wijzigingsbesluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Eiseressen hebben niet aangegeven welke habitattypenkaarten gebreken bevatten en waarom die kaarten gebrekkig zouden zijn. Zij hebben ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat de habitattypenkaarten zodanige leemten of gebreken bevatten dat de minister deze kaarten niet bij de besluitvorming mocht betrekken.

Gevolgen voor de bedrijfsvoering

15. Eiseressen betogen dat eisers negatieve gevolgen voor haar hun huidige en/of toekomstige bedrijfsvoering voorzien. Eiseressen voeren aan dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van het wijzigingsbesluit voor hun bedrijven.
15.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. Zoals hiervoor is overwogen, was de minister verplicht alle in bijlagen I en II van de Hrl genoemde habitattypen en soorten die ten tijde van de aanwijzing in meer dan verwaarloosbare mate voorkwamen in de Habitatrichtlijngebieden in de aanwijzingsbesluiten op te nemen en daarvoor instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister nader uitvoering gegeven aan die verplichting, door onvolledigheden en eerder gemaakte fouten ten aanzien van de - al aangewezen - Habitatrichtlijngebieden te herstellen. Gelet op die verplichting is er geen ruimte om rekening te houden met de gevolgen van het wijzigingsbesluit voor de (agrarische) bedrijfsvoering van eiseressen.

Schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn

16. Eiseressen hebben verzocht om een vergoeding van immateriële schade omdat de procedure langer geduurd heeft dan de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
16.1.
De vraag of de zaak binnen een redelijke termijn is behandeld, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene. Bij de beoordeling van de redelijke termijn dient de duur van de procedure als geheel in aanmerking te worden genomen.
16.2.
Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling vangt de in artikel 6, eerste lid, van het EVRM bedoelde termijn bij besluiten die zijn voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb aan bij het instellen van beroep tegen het desbetreffende besluit. Uit deze vaste jurisprudentie volgt voorts dat een totale lengte van de procedure van ten hoogste twee jaar redelijk is in zaken waarin het geschil aanvangt met het instellen van beroep tegen een besluit in de zin van de Awb.
16.3.
Eiseressen hebben op 10 januari 2023 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Nu sinds het instellen van het beroep op 10 januari 2023 door eiseressen ten tijde van deze uitspraak meer dan drie jaar en zes maanden is verstreken, is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank is van oordeel dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan in het licht van de onder 16.1. genoemde criteria deze overschrijding gerechtvaardigd is te achten. Dit betekent dat de procedure meer dan een jaar en zes maanden te lang heeft geduurd. Dat betekent een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan 18 maanden en minder dan 24 maanden.
16.4.
De rechtbank zal, uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid) met overeenkomstige toepassing van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.000,- aan eiseressen elk als vergoeding voor de door hen geleden immateriële schade. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een matiging omdat eiseressen afzonderlijk van elkaar hebben geprocedeerd. Het verzoek om schadevergoeding is wel gelijktijdig ingediend. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding om slechts eenmaal een proceskostenvergoeding toe te kennen in verband met de procedure over het schadeverzoek.
Conclusie en gevolgen
17. Gelet op de voorgaande overwegingen zijn de beroepen van eiseressen ongegrond. Eiseressen krijgen dus geen gelijk en het wijzigingsbesluit blijft in stand.
17.1.
Vanwege het in overweging 8.4. geconstateerde gebrek moet de minister wel het griffierecht en de proceskosten van elk van de eiseressen betalen. De proceskosten worden vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eiseressen een vast bedrag per proceshandeling. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kunnen deze kosten voor elk van de eiseressen worden begroot op € 934,- (beroepschriften één punt); waarde per punt € 934,-; gewicht van de zaken: gemiddeld) in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

18. De rechtbank ziet aanleiding om het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te wijzen. De rechtbank zal de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van € 2.000,- van elk van de eiseressen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

19. Verder zal de rechtbank de Staat der Nederlanden veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die eiseressen hebben gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten bestaan uit het indienen van het verzoek. Dat verzoek is voor eiseressen gezamenlijk ingediend. Er wordt ten aanzien van de schadevergoeding daarom een kostenvergoeding toegekend aan eiseressen gezamenlijk. De rechtbank zal bij de berekening de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart de beroepen van eiseressen ongegrond;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres 1;

veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres 2;

bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiseres 1 moet vergoeden;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,- aan eiseres 2 moet vergoeden;

veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van schade aan eiseres 1 wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 2.000,-;

veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van schade aan eiseres 2 wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 2.000,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseressen gezamenlijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, voorzitter, mr. M.S. van den Berg en

mr. E. Hardenberg, leden, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Habitatrichtlijn

Artikel 1

(…)

e. Onder staat van instandhouding van een natuurlijke habitat wordt verstaan: de som van invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten op het in artikel 2 bedoelde grondgebied. De “staat van instandhouding” wordt als gunstig beschouwd wanneer:

- het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en

- de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en

- de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is als bedoeld in letter i.

(…)

i. De staat van instandhouding van een soort wordt als “gunstig beschouwd” wanneer uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden.

(…).

Artikel 2

1. Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is.

2. De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantesoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.

3. In de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.

Artikel 3

1. Er wordt een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk, dat bestaat uit gebieden met in bijlage I genoemde typen natuurlijke habitats en habitats van in bijlage II genoemde soorten, moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen . Het Natura 2000-netwerk bestrijkt ook de door de Lid-Staten overeenkomstig Richtlijn 79 /409 /EEG aangewezen speciale beschermingszones.

2. Elke Lid-Staat draagt bij tot de totstandkoming van Natura 2000 al naar gelang van de aanwezigheid op zijn grondgebied van de typen natuurlijke habitats en habitats van soorten als bedoeld in lid 1. Hij wijst daartoe, overeenkomstig artikel 4 en met inachtneming van de doelstellingen van lid 1, gebieden als speciale beschermingszones aan.

Artikel 4

1. Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke Lid-Staat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Voor diersoorten met een zeer groot territorium komen deze gebieden overeen met de plaatsen, binnen het natuurljike verspreidingsgebied van die soorten , die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn . Voor aquatische soorten met een groot territorium worden deze gebieden alleen voorgesteld indien het mogelijk is een zone duidelijk af te bakenen die de fysische en biologische elementen vertoont welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Zo nodig stellen de Lid-Staten aanpassingen van de lijst voor in het licht van de resultaten van het in artikel 11 bedoelde toezicht.

De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied. Deze informatie omvat een kaart, de naam, de ligging en de oppervlakte van het gebied, alsmede de gegevens die zijn verkregen uit toepassing van de in bijlage III (fase 1) vermelde criteria, en wordt verstrekt op basis van een door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 opgesteld formulier.

(…)

4. Wanneer een gebied volgens de procedure van lid 2 tot een gebied van communautair belang is verklaard, wijst de betrokken Lid-Staat dat gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone en stelt hij tevens de prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging

Artikel 6

1. De Lid-Staten treffen voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen.

Wet natuurbescherming

Artikel 1.5

1. Onze Minister stelt een nationale natuurvisie vast.

2. De nationale natuurvisie bevat de hoofdlijnen van het te voeren rijksbeleid gericht op het behoud en het zo mogelijk versterken van de biologische diversiteit, het duurzame gebruik van de bestanddelen daarvan en de bescherming van waardevolle landschappen, in nationaal en internationaal verband, en het behoud en het zo mogelijk versterken van de recreatieve, de educatieve en de belevingswaarde van natuur en landschap, in samenhang met het beleid om te komen tot een verduurzaming van de economie.

(…)

5. De nationale natuurvisie bevat voor zover mogelijk een kwantificering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de in Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden te beschermen habitats en soorten en verschaft in samenhang daarmee en in samenhang met de staat van instandhouding van deze habitats en soorten inzicht in voorgenomen wijzigingen van de besluiten tot aanwijzing van die Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden.

Artikel 1.8

1. Onze Minister ziet toe op de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats, de habitats van soorten en de dier- en plantensoorten, genoemd in onderscheidenlijk de bijlagen I, II, IV en V bij de Habitatrichtlijn, en van de vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de Vogelrichtlijn, en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten.

Artikel 2.1

1. Onze Minister wijst gebieden aan als speciale beschermingszones ter uitvoering van de artikelen 3, tweede lid, onderdeel a, en 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn en de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn. De speciale beschermingszones worden aangeduid als “Natura 2000-gebied”.

2. Ingeval een gebied geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door één van Onze andere Ministers, neemt Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid in overeenstemming met die andere Minister.

3. Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt als bijlage een kaart opgenomen waarop de begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven.

4. Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. Daartoe behoren in elk geval de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van:

a. de leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, of

b. de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn.

5. Op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

6. Onze Minister draagt, mede in het licht van de toepassing van artikel 1.8, eerste lid, en gevolg gevend aan het inzicht, bedoeld in artikel 1.5, vijfde lid, zorg voor de actualisatie van de besluiten, bedoeld in het eerste lid.

7. Onze Minister kan een besluit als bedoeld in het eerste lid wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de eerste volzin is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, behalve in geval van wijzigingen van ondergeschikte aard. Bij een besluit tot gedeeltelijke intrekking of wijziging kan als bijlage een kaart worden opgenomen waarop de gewijzigde begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven.

Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.

Artikel 3, eerste lid, van de Habitatrichtlijn (Hrl).

De rechtbank leidt uit artikel 1 van de Wet voorzieningen in verband met ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris af dat aan de minister voor Natuur en Stikstof - als minister zonder portefeuille - dezelfde bevoegdheden toekomen als aan de minister van LNV.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR4007, r.o. 2.4.2.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2335.

Bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:864 en van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2958.

Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2958.

Artikel 4 van de Habitatrichtlijn. Zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32670, 24; en de uitspraken van de Afdeling van 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1239 en 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047.

Uitspraak van de Afdeling van 14 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7903.

Uitspraak van de Afdeling van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047, r.o. 15.2.

Uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1119.

Vgl. de uitspraak van 2 juli 2025 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2025:2958.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2895, r.o. 6.4.

Arrest van 12 september 2024 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) in zaak C-66/23, ECLI:EU:C:2024:733, zie met name de overwegingen 48 tot en met 50.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047,

r.o. 16-16.4.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2297, r.o. 5.8.

Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2025:2961 en ECLI:NL:RVS:2025:2968.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 maart 2016 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2016:864,

r.o. 5.2.

1 hectare (ha) = 10.000 m².

Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2961, r.o. 6.3.

Vgl. de uitspraak van 2 juli 2025 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2025:2961, r.o. 7.1.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 februari 2011 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2011:BP3701.

Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2901, r.o. 19.

Artikel delen