Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBNNE:2026:3187

Uitrustingsstuk langer dan 3,5 meter. De kantonrechter acht het aannemelijk dat de gezichtsveldbeperking bij kruisingen, verkeersknooppunten en uitritten door het camerahulpsysteem wordt opgeven. De gegevens op het dossier en wat op de zitting naar voren is gebracht weerleggen dit onvoldoende. Gegrond beroep.

Rechtbank Noord-Nederland 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNNE:2026:3187 text/xml public 2026-08-04T13:10:34 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-30 11815884 BU VERZ 25-1679 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:3187 text/html public 2026-08-04T13:10:09 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:3187 Rechtbank Noord-Nederland , 30-04-2026 / 11815884 BU VERZ 25-1679
Uitrustingsstuk langer dan 3,5 meter. De kantonrechter acht het aannemelijk dat de gezichtsveldbeperking bij kruisingen, verkeersknooppunten en uitritten door het camerahulpsysteem wordt opgeven. De gegevens op het dossier en wat op de zitting naar voren is gebracht weerleggen dit onvoldoende. Gegrond beroep.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

beschikkingsnummer: 268192442

zaaknummer: 11815884 BU VERZ 25-1679
uitspraak van de kantonrechter van 30 april 2026
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats] ,

gemachtigde: het dagelijks bestuur van het Waterschap Hunze en Aa’s.
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘voertuigdeel/verwisselbare gedragen uitrustingsstuk > 3,50 m voor hartstuurwiel’, verricht op 7 augustus 2024, om 15:23 uur, op de Zuidlaarderweg in Noordlaren, met een land- of bosbouwtrekker, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 309,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 15 april 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene, namens zijn gemachtigde [naam 1] en [naam 2] en de vertegenwoordigster van de officier van justitie, mr. P.A. Veenstra.
Beoordeling door de kantonrechter<?linebreak?> Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en zal de boete vernietigen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.

Standpunten

3. Betrokkene voert aan dat sprake is van een uitzondering op de regel uit artikel 5.18.21a, eerste lid, onder e, van de Regeling voertuigen. Deze uitzondering staat in het derde lid van dit artikel en houdt in dat onderdeel e niet van toepassing is als er maatregelen zijn getroffen die bewerkstelligen dat gezichtsveldbeperkingen bij kruisingen, verkeersknooppunten en uitritten worden opgeheven.
3.1.
Het voertuig voldoet aan deze uitzondering. De voertuigdelen steken 4,30 meter voor het hart van het stuurwiel van de trekker uit. Er zijn twee camera’s aangebracht op de voorkant van de trekker om het kijkpunt van de machinist te verlengen. Eén camera kijkt naar links en de andere kijkt naar rechts, zodat goed zichtbaar is wat er van beide kanten komt. De maaimachine steekt 1,89 meter voor het kijkpunt van de camera’s uit. De camera’s zijn verbonden met een beeldscherm in de trekker. Hiervan heeft betrokkene foto’s bijgevoegd.
3.2.
De camera’s zijn een maatregel in de zin van artikel 5.18.21a, derde lid, onder e, van de Regeling voertuigen. Dit blijkt ook uit de toelichting bij die Regeling, waarin staat dat de maatregelen kunnen bestaan uit de aanwezigheid van spiegels of camera-monitorsystemen, dan wel van een begeleider die de bestuurder van het voertuig aanwijzingen kan geven. De camera’s heffen de gezichtsveldbeperking bij kruisingen, verkeersknooppunten en uitritten op.
3.3.
Verder stelt betrokkene het niet eens te zijn met de verklaring van de verbalisant. Het klopt dat het camerahulpsysteem niet voorop het uitrustingsstuk is gemonteerd. Deze eis wordt echter nergens in de Regeling voertuigen genoemd. Daarnaast stelt betrokkene dat door het plaatsen van twee camera’s voorop de trekker en van beeldschermen in de cabine, het kijkpunt van de machinist ruim naar voren wordt gebracht. Door die plaatsing voldoet de machine weer aan de wetgeving en is er voldoende zicht om veilig in het verkeer te bewegen.
3.4.
De foto’s in het dossier laten volgens betrokkene alleen de plek van de camera’s zien en niet het beeld dat de camera’s opleveren. Op basis van deze foto’s kan dus niet geconcludeerd worden dat de gezichtsveldbeperkingen niet worden opgeheven door de camera’s. Op de foto’s die betrokkene heeft bijgevoegd is dit wel zichtbaar.
3.5.
Verder zou volgens betrokkene een plaatsing van de camera’s op de voorkant van het uitrustingsstuk een onwerkbare situatie voor meerdere voertuigen bij het waterschap opleveren. Dit vereist namelijk het gebruik van connectoren om de kabels los te koppelen. Daarnaast moeten de camera’s worden overgezet wanneer een andere machine wordt gebruikt. Dit verhoogt de kans op storingen, waardoor de camera’s mogelijk niet functioneren wanneer ze nodig zijn. Omdat de camera’s kwetsbaar zijn, is een beschermde opstelling die voldoende zicht biedt essentieel. Voordat de gehele voertuigcombinatie werd overgedragen aan het Waterschap, is deze gekeurd door de RDW en goedgekeurd voor gebruik op de openbare weg. Op de zitting voegt [naam 2] hieraan toe dat de controleurs van de RDW hierbij het hele systeem bekijken, waarbij de veiligheid wordt meegenomen. De controleur neemt ook plaats in het voertuig om het zicht te bekijken.
3.6.
Op de zitting voegt betrokkene zelf toe dat het zicht door de voorruit niet belemmerd wordt. Het uitrustingsstuk is ongeveer één meter hoog, terwijl betrokkene op drie meter hoog zit. Na het overleggen door de vertegenwoordigster van een foto, gemaakt door de verbalisant, waarop volgens haar te zien dat er geen volledig vrij zicht is aan de voorkant en beide zijkanten en je nog nog een deel van het voertuig ziet, legt betrokkene uit dat het beeldscherm kan worden opgedeeld. Op de foto van de verbalisant is tussen de beelden geschakeld, waardoor op de rechterkant van het scherm een virtuele rechterbuitenspiegel zichtbaar is. Betrokkene vertelt dat hij bij kruispunten het beeld van de camera’s aan zowel de linker als de rechterkant op het scherm zet. Bovendien hebben de camera’s een groothoeklens.

4. De vertegenwoordigster stelt dat het uitrustingsstuk op basis van het overtreden artikel niet langer dan 3,50 meter mag zijn. Uit de verklaring van de verbalisant blijkt dat het uitrustingsstuk 4,19 meter voor het hart van het stuurwiel uitstak. Betrokkene merkt terecht op dat in het artikel ook een uitzondering is opgenomen. Zij stelt echter dat de gezichtsveldbeperkingen bij kruisingen, verkeersknooppunten en uitritten in dit geval niet geheel worden opgeheven. Uit de foto’s van de verbalisant blijkt immers dat er niet volledig vrij zicht is, aan de voorkant en beide zijkanten. Op het beeldscherm is namelijk nog een deel van het voertuig zichtbaar. Verder maakt de goedkeuring van de RDW niet dat de boete achterwege moet worden gelaten. Zij verzoekt de kantonrechter het beroep ongegrond te verklaren.
4.1.
Nadat is gebleken dat op de foto van de verbalisant tussen de beelden op het beeldscherm was geschakeld, waardoor niet beide camerabeelden op deze foto zichtbaar zijn, heeft de vertegenwoordigster zich op het standpunt gesteld dat door het uitrustingsstuk alsnog onvoldoende zicht is, nu vóór de camera’s nog een deel hiervan uitsteekt. De camera is immers niet gericht op de voorste 1.89 meter, waardoor dit stuk niet in het zicht is. De vertegenwoordigster is van mening dat dit nog een behoorlijke afstand is.

Overwegingen

5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.
5.1.
De verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaaksoverzicht, luidt als volgt: “Wij, verbalisanten, zagen dat de betrokkene met genoemde voertuig op genoemde locatie reed, terwijl er aan de voorzijde van het voertuig een verwisselbaar uitrustingsstuk zat gekoppeld, welke 4,19m voor het hart van het stuurwiel uitstak. Wij zagen dat er een camerahulpsysteem voorop het voertuig was aangebracht, maar dat het verwisselbaar uitrustingsstuk 1.89m voor de camera’s uitstak. Hierdoor stak het uitrustingsstuk verder uit dan met het camerahulpsysteem kon worden waargenomen. Het camerahulpsysteem had voorop het uitrustingsstuk gemonteerd moeten worden.” Als bijlagen heeft de verbalisant foto’s bijgevoegd.
5.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan op basis van de beschikbare gegevens niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verkeersovertreding is verricht. Gelet op het verweer van betrokkene en zijn toevoegingen op de zitting, vindt de kantonrechter het aannemelijk dat de gezichtsveldbeperking bij kruisingen, verkeersknooppunten en uitritten door het camerahulpsysteem wordt opgeheven. De gegevens in het dossier en wat op de zitting naar voren is gebracht weerleggen dit onvoldoende. Uit de verklaring van de verbalisant valt niet op te maken in hoeverre het zicht werd beperkt doordat het uitrustingsstuk 1.89 meter voor de camera’s uitstak. Hieruit blijkt namelijk niet dat de verbalisant zelf heeft plaatsgenomen in het voertuig om het zicht in het voertuig te controleren, en dan ook nog aan de hand van de juiste camerabeelden op de monitor. Op de foto van de verbalisant van het scherm in de trekker is immers slechts de camera aan de linkerzijde geselecteerd.
5.3.
De kantonrechter neemt hierbij ook in aanmerking dat betrokkene op de zitting heeft verteld dat de bestuurderspositie zich op drie meter hoogte bevindt, terwijl het uitrustingsstuk één meter hoog is. Tegenover de stellingen van deze “ervaringsdeskundige” heeft de vertegenwoordigster het gelaten bij twijfel aan diens stellingen, zonder die twijfel te onderbouwen. Daarnaast heeft betrokkene aannemelijk gemaakt dat de RDW de gehele voertuigcombinatie heeft goedgekeurd, waarbij de controleurs ook in de cabine hebben plaatsgenomen om het zicht te controleren. Gelet op alles wat hiervoor overwogen is, zijn naar het oordeel van de kantonrechter voldoende omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard.
Conclusie
De kantonrechter:

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;

vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;

vernietigt die inleidende beschikking;

bepaalt dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter, in aanwezigheid van mr. R. Krikke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.

griffier kantonrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het

gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:

a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of

b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.

Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.

De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.

Artikel delen