Verzoek om voorschot in het kader van de toeslagaffaire. Kan redelijkerwijs worden aangenomen dat er een verplichting tot betaling is?
Rechtbank Noord-Nederland 6 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:3241
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-08-2026
Datum publicatie
06-08-2026
Zaaknummer
LEE 26/2321
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
ECLI:NL:RBNNE:2026:3241text/xmlpublic2026-08-06T17:00:062026-08-05Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Noord-Nederland2026-08-05LEE 26/2321UitspraakVoorlopige voorzieningNLGroningenBestuursrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:3241text/htmlpublic2026-08-05T16:07:132026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBNNE:2026:3241 Rechtbank Noord-Nederland , 05-08-2026 / LEE 26/2321 Verzoek om voorschot in het kader van de toeslagaffaire. Kan redelijkerwijs worden aangenomen dat er een verplichting tot betaling is?
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/2321
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , verzoekster en Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigde: mr. W.E. Louwerse). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om een voorschot. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat op dit moment onvoldoende aannemelijk is dat verweerder verzoekster nog schadevergoeding verschuldigd is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Totstandkoming van het besluit en procesverloop2.1. Op 31 maart 2021 heeft verzoekster zich bij verweerder gemeld voor een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag. Bij besluit van 10 januari 2022 heeft verweerder aan verzoekster een voorlopig compensatiebedrag van € 30.000 toegekend. Bij besluit van 24 maart 2022 heeft verweerder de compensatie definitief vastgesteld. In dit besluit heeft verweerder erkend fouten te hebben gemaakt bij de beoordeling van verzoeksters situatie wat betreft de kinderopvangtoeslag in de jaren 2009, 2010 en 2012. Verweerder heeft het definitieve compensatiebedrag vastgesteld op € 30.000. 2.2. In een e-mailbericht van 20 oktober 2025 gericht aan een groot aantal instanties, waaronder verweerder, heeft verzoekster verzocht om onmiddellijke betaling van een bedrag van € 2.470 aan tandartskosten. Bij besluit van 6 november 2025 heeft verweerder een toewijzende ‘beschikking voorschot aanvullende werkelijke schade’ genomen. Verweerder heeft verzoekster een voorschot van € 8.800 toegekend. 2.3. Bij e-mailbericht van 21 januari 2026 heeft verzoekster verweerder verzocht om een aanvullend voorschot. Bij e-mailbericht van 22 januari 2026 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt. 2.4. Op 2 juli 2026 heeft verzoekster verweerder bericht dat zij niet zal deelnemen aan de bezwaarhoorzitting op diezelfde dag. Op 8 juli 2026 heeft verzoekster aan verweerder bericht dat zij een andere bezwaarbehandelaar wenst. 2.5. Verzoekster heeft 15 juli 2026 de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.6. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.7. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de voorzieningenrechter Toetsingskader
3. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Spoedeisendheid
4. Anders dan verweerder betoogt, oordeelt de voorzieningenrechter dat gezien de inhoud van het dossier wordt voldaan aan het vereiste van spoedeisendheid van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voorschot 5.1.1. De voorzieningenrechter overweegt dat in het geval van institutionele vooringenomenheid of onbillijkheden door de hardheid van het wettelijk systeem aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag compensatie kan worden toegekend. Dit is bepaald in artikel 2.1., eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De hoogte van de compensatie wordt berekend aan de hand van de bepalingen van artikel 2.3. van de Wht. Aan de betrokkene kan op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wht een forfaitair bedrag van € 30.000 worden uitbetaald. Dit is in feite een voorschot op de compensatie. 5.1.2. Aan verzoekster is genoemd bedrag van € 30.000 uitbetaald (2.1.). 5.2.1. Mocht de werkelijke schade hoger zijn dan de uitkomst van de berekening op grond van artikel 2.3. van de Wht, dan kan de betrokkene om compensatie daarvan vragen op grond van artikel 2.1., derde lid, van de Wht. 5.2.2. Ter zitting is besproken dat verzoekster een dergelijke aanvraag heeft ingediend en dat deze in behandeling is bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). 5.3. De voorzieningenrechter overweegt dat de Wht geen eigen regeling kent voor het verstrekken van een voorschot op de werkelijke schade. Dat betekent dat op een verzoek tot het verlenen van een voorschot de algemene regeling van artikel 4:95 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. Uit deze bepaling volgt dat het bestuursorgaan de bevoegdheid heeft een voorschot te verstrekken als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld. 5.4. Zoals in 2.2. vermeld, heeft verweerder eerder al aan verzoekster een voorschot betaald. Dat verzoekster deze betaling aanmerkt als een noodvoorziening die de gemeente Hoogeveen zou moeten betalen, doet aan deze vaststelling niet af.
In het besluit van 6 november 2025 heeft verweerder uiteengezet dat in het geval van verzoekster door de CWS maximaal € 21.500 aan immateriële schadevergoeding zal worden geadviseerd. Daarvan is, aldus verweerder, bij de definitieve compensatiebeschikking (2.1.) al € 9.500 uitbetaald. Bij die definitieve berekening was de uitkomst € 26.988, zodat € 3.012 in mindering wordt gebracht. Verweerder heeft het voorschot daarom op € 8.800 bepaald. 5.5. De voorzieningenrechter overweegt dat het dossier geen aanknopingspunten bevat voor de aanname dat verzoekster recht heeft op een hogere schadevergoeding dan het bedrag van € 38.800 dat verweerder al aan haar heeft uitbetaald. Verzoekster noemt een groot aantal posten waarvoor zij vergoeding wenst, maar niet is gebleken dat die gestelde schades een oorzakelijk verband hebben met de toeslagaffaire. Op dit moment is daarom niet aannemelijk dat aan verzoekster nog meer schadevergoeding zal worden toegekend. 5.6. Om die reden oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat er geen grondslag is om nogmaals een voorschot aan verzoekster uit te betalen. Conclusie en gevolgen 6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verweerder geen voorschot hoeft te betalen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Wetgeving Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:95
1. Het bestuursorgaan kan vooruitlopend op de vaststelling van een verplichting tot betaling van een geldsom een voorschot verlenen indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Artikel 8:81
1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1.
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem: voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem. (…)
Aan een aanvrager van compensatie die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met zevende lid, wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend. Artikel 2.7.
1. Aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel en daarvoor voor 1 januari 2024 een aanvraag heeft ingediend, kent de Dienst Toeslagen ambtshalve eenmalig een forfaitair bedrag toe van € 30.000, met dien verstande dat dit bedrag wordt verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met de bedragen die de aanvrager op het moment van toekenning van het forfaitaire bedrag al op grond van een herstelmaatregel heeft ontvangen. Bij vermindering tot nihil vindt geen toekenning plaats.