Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBOBR:2026:6865

Tussenuitspraak. Bouw van drie seniorenwoningen. Toename van bestaande wateroverlast op naburige percelen door verharding, ophoging en damvorming? Gebrek deels hersteld. Herhaalde bestuurlijke lus na ECLI:NL:RBOBR:2026:3630.

Rechtbank Oost-Brabant 1 October 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBOBR:2026:6865 text/xml public 2026-10-01T15:50:08 2026-09-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-09-25 25/3651 T3 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Tussenuitspraak NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:6865 text/html public 2026-10-01T15:48:56 2026-10-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:6865 Rechtbank Oost-Brabant , 25-09-2026 / 25/3651 T3
Tussenuitspraak. Bouw van drie seniorenwoningen. Toename van bestaande wateroverlast op naburige percelen door verharding, ophoging en damvorming? Gebrek deels hersteld. Herhaalde bestuurlijke lus na ECLI:NL:RBOBR:2026:3630.
RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/3651 T3 OWBOUW

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Als derde-partij neemt aan het geding deel [derde belanghebbende] te [woonplaats].
Procesverloop
1. In de tussenuitspraak van 29 mei 2026 (de eerste tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Voor het eerdere procesverloop verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak.
1.1.
In de tussenuitspraak van 27 juli 2026 (de tweede tussenuitspraak) heeft de rechtbank op verzoek van het college de termijn voor het herstellen van de gebreken verlengd.
1.2.
Met het besluit van 10 augustus 2026 (het herstelbesluit) heeft het college de op 20 maart 2025 verleende omgevingsvergunning ingetrokken en een nieuwe omgevingsvergunning verleend.
1.3.
In de brief van 17 september 2026 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, dat het onderzoek wordt gesloten en dat binnen zes weken na de datum van verzending van die brief uitspraak zal worden gedaan.
Overwegingen
Inleiding

2. In de eerste tussenuitspraak heeft de rechtbank twee gebreken gesignaleerd in het bestreden besluit. Het college heeft het bestreden besluit ingetrokken en een nieuw besluit genomen. Omdat het besluit vermeldt dat het ‘ter rectificatie’ is genomen, beschouwt de rechtbank dit besluit als een besluit ter vervanging van het bestreden besluit van 10 november 2025. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep van eiser geacht mede te zijn gericht tegen het herstelbesluit. Hierna beoordeelt de rechtbank in hoeverre het college de in het bestreden besluit geconstateerde gebreken met het herstelbesluit heeft hersteld.
2.1.
De rechtbank merkt op dat eiser in zijn zienswijze op het herstelbesluit punten heeft aangevoerd die niet gaan over de poging van het college om de door de rechtbank geconstateerde gebreken te herstellen. Het gaat dan specifiek over de opmerkingen die eiser heeft gemaakt over het uitblijven van pogingen van de gemeente Meierijstad om in een civiele kwestie met een aannemer over te gaan tot terugvordering van vermeend onverschuldigd betaalde geldbedragen. Deze punten worden hierna niet besproken omdat de procedure zich nu moet beperken tot de vraag of het college in zijn herstelpoging is geslaagd.
2.2.
Ook het beroep dat eiser heeft gedaan op de Natuurherstelwet voor wat betreft het op de ontwikkellocatie aanwezige groen wordt niet besproken. Eiser heeft weliswaar eerder een beroep op de Natuurherstelwet gedaan, maar dat deed hij in verband met de gevolgen van de ontwikkeling voor de aanwezige monumentale bomen. Voor het overige groen is dit een nieuwe beroepsgrond en na een tussenuitspraak is het niet meer mogelijk om nieuwe beroepsgronden in te dienen.

Hydrologische neutraliteit

3. De rechtbank heeft in de eerste tussenuitspraak geoordeeld dat de hydrologische neutraliteit van de voorgenomen ontwikkeling van de drie seniorenwoningen onvoldoende in de vergunning was geborgd. Het project voorzag immers weliswaar in infiltratievoorzieningen, maar de daadwerkelijke toepassing daarvan was niet verzekerd.
3.1.
In het herstelbesluit heeft het college een voorschrift opgenomen om te verzekeren dat de vergunninghouder infiltratievoorzieningen aanlegt en blijvend in stand houdt. Op basis van de definitieve bepaling van het totale verhardingsoppervlakte van 517 m2 heeft het college de totale noodzakelijke omvang van de infiltratievoorzieningen vastgesteld op 31.020 liter. Aan deze eis wordt in het voorschrift voldaan. In het voorschrift is namelijk opgenomen dat de vergunninghouder zorg moet dragen voor de aanleg van 24 infiltratiekratten van 1.296 liter per stuk, waarmee een totale infiltratiecapaciteit van 31.104 liter wordt gerealiseerd. De infiltratievoorziening moet zijn voorzien van een zandvangput, een inspectiegat/ontluchting, een terugslagklep en een noodoverstort. De infiltratievoorziening moet gedurende de gebruiksduur van het project in stand worden gehouden en zodanig te worden onderhouden dat de waterbergende en infiltrerende werking behouden blijft.
3.2.
Eiser heeft geen opmerkingen gemaakt over het vergunningvoorschrift.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college de hydrologische neutraliteit van de ontwikkeling met het toevoegen van het vergunningvoorschrift in voldoende mate heeft geborgd. Het college heeft dit door de rechtbank geconstateerde gebrek daarom hersteld.

Aanvaardbaarheid toename overlast van naburige percelen

4. In de eerste tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd in hoeverre de voorgenomen ontwikkeling een verslechtering tot gevolg heeft van de wateroverlast die eiser in de bestaande situatie zegt te ervaren. Zo er sprake is van een toename van de reeds bestaande wateroverlast, moest het college op kenbare wijze de aanvaardbaarheid van deze toename beoordelen.
4.1.
Het college heeft in het herstelbesluit geconstateerd dat het straatpeil ter hoogte van de hartlijn van de Lange Hegghe en de bovenkant van de rioolput 9,80 meter + NAP bedraagt en dat het peil van de woningen 9,92 meter + NAP bedraagt. Er is volgens het college dus sprake van een beperkte peilophoging van 0,12 meter ten opzichte van het straatpeil. Het college acht deze beperkte ophoging ruimtelijk en hydrologisch aanvaardbaar, nu deze aansluit op het bestaande straatpeil en de ophoging noodzakelijk is voor een doelmatige afvoer en infiltratie van hemelwater. Volgens het college is daarom gewaarborgd dat de ruimtelijke ontwikkeling niet op andere wijze tot een onaanvaardbare toename van wateroverlast ter plaatse van naburige percelen leidt.
4.2.
Volgens eiser voorziet ook het herstelbesluit niet in een oplossing voor de bestaande overlast. Eiser heeft nader onderbouwd dat, zoals hij in zijn beroepschrift ook heeft toegelicht, de wateroverlast afkomstig is van de [adres 1] en niet van de [adres 2]. Volgens eiser gaat het college geheel voorbij aan de door hem gevreesde toename van de reeds bestaande wateroverlast. Deze bestaat niet uit een afwateringsprobleem ter hoogte van het ontwikkelperceel, maar uit het gegeven dat er door de ontwikkeling minder water vanaf de [adres 1] kan afvloeien naar het ontwikkelperceel en dat dit overtollig water dus afvloeit naar het perceel van eiser. De riolering kan dit overtollig water niet goed afvangen, mede omdat de rioolput op de [adres 1] gekoppeld is aan de lager gelegen put in de brandgang richting de tuin van eiser.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat het niet zo is dat de vergunninghouder verantwoordelijk kan worden gehouden voor het oplossen of verminderen van de bestaande wateroverlast. Dat neemt niet weg dat, zoals de rechtbank in de eerste tussenuitspraak heeft overwogen, de ontwikkeling niet mag leiden tot een onaanvaardbare toename van overlast ter plaatse van de naburige percelen. Als het klopt wat eiser zegt, dan leidt de vergunde ontwikkeling ertoe dat zijn perceel in verdergaande mate dan nu het geval is het ‘afvoerputje’ wordt, zonder dat hij de voor hem nadelige gevolgen daarvan goed kan beperken. Het college heeft de ruimte om enige verslechtering aanvaardbaar te achten, maar daarvoor is wel noodzakelijk dat het college de relevante feiten in kaart brengt en gericht ingaat op wat eiser heeft aangevoerd.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college in het herstelbesluit onvoldoende de relevante feiten in kaart heeft en daarom op dit punt niet het geconstateerde gebrek heeft hersteld. Het college heeft namelijk niet beoordeeld in hoeverre er sprake is van bestaande wateroverlast op het perceel van eiser en of, en zo ja in welke mate, deze overlast door de voorgenomen ontwikkeling verergert en waarom deze verergering aanvaardbaar is. In het herstelbesluit wordt geheel niet ingegaan op de zorgen van eiser. Dat er sprake is van een beperkte verhoging ten opzichte van de [adres 2], zegt niets over de gevolgen van de ontwikkeling voor de door eiser ervaren wateroverlast afkomstig van de [adres 1]. Het college is ook niet ingegaan op de door eiser geuite zorg over damvorming die onderdeel uitmaakt van de ontwikkeling. Die damvorming – zo daar sprake van is – staat immers los van de vraag hoeveel ophoging er plaatsvindt.

Hoe nu verder?

5. De rechtbank is opnieuw tot de conclusie gekomen dat het college niet goed is ingegaan op de zorgen van eiser. De rechtbank ziet echter onvoldoende aanleiding om nu zelf de beslissing te nemen dat het bezwaar van eiser gegrond is en dat de omgevingsvergunning van tafel moet. De rechtbank sluit namelijk niet uit dat het herstelbesluit met een aanvullende motivering alsnog in stand kan blijven. Daarom geeft de rechtbank het college opnieuw de gelegenheid om het overgebleven gebrek te herstellen.
5.1.
Het college moet, als hij van deze gelegenheid gebruik maakt, reageren op de concrete zorgen van eiser. Dat betekent dat het college concreet moeten motiveren:

of, en zo ja in hoeverre, er op dit moment sprake is van wateroverlast op het perceel van eiser in de vorm van overtollig hemelwater vanaf de [adres 1];

wat de invloed is van de vergunde ontwikkeling op deze vermeende wateroverlast, in het bijzonder gelet op de door eiser gevreesde damvorming en het door deze damvorming verminderde vermogen van het ontwikkelperceel om overtollig water van de [adres 1] op te vangen;

hoe een eventuele toename als gevolg van de invloed zich verhoudt met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.2.
Het college kan het in deze beoordeling van belang achten dat de ophoging nodig is voor een doelmatige afvoer en infiltratie van hemelwater op het ontwikkelperceel. Het college moet echter niet alleen kijken naar de belangen van de vergunninghouder, maar ook naar die van de eigenaren van de naburige percelen.
5.3.
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, aan de rechtbank meedelen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. De rechtbank zal het college een termijn van acht weken geven om het gebrek te herstellen.
Beslissing
De rechtbank:

- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.A.B. Elsman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Artikel delen