Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBOVE:2026:4644

Besluiten op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Boete wegens overtreding van artikel 18b van de Wml, openbaarmaking inspectiegegevens en waarschuwing preventieve stillegging van werk. Verweerder heeft voor het niet verstrekken van de vereiste stukken terecht een boete aan eiseres opgelegd, maar die is te hoog in verhouding tot de wijze waarop de boete tot stand is gekomen e...

Rechtbank Overijssel 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBOVE:2026:4644 text/xml public 2026-08-05T12:00:08 2026-07-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-07-29 ak_25_2442_en_25_2443 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:4644 text/html public 2026-07-29T12:09:48 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:4644 Rechtbank Overijssel , 29-07-2026 / ak_25_2442_en_25_2443
Besluiten op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Boete wegens overtreding van artikel 18b van de Wml, openbaarmaking inspectiegegevens en waarschuwing preventieve stillegging van werk. Verweerder heeft voor het niet verstrekken van de vereiste stukken terecht een boete aan eiseres opgelegd, maar die is te hoog in verhouding tot de wijze waarop de boete tot stand is gekomen en welk motief daaronder ligt. De rechtbank verlaagt de boete. De beslissingen om de inspectiegegevens te publiceren en om een waarschuwing preventieve stillegging van werk te geven blijven in stand.
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: ZWO 25/2442 en ZWO 25/2443
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats], eiseres ([eiseres]),
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder (de minister). Samenvatting 1.1
Deze uitspraak gaat over een boete die de minister aan [eiseres] heeft opgelegd, omdat zij niet de vereiste stukken heeft verstrekt om vast te kunnen stellen hoeveel uren per week een werknemer van [eiseres] in de onderzoeksperiode heeft gewerkt. Daarnaast gaat deze uitspraak over de beslissingen van de minister om de inspectiegegevens te publiceren en om aan [eiseres] een waarschuwing preventieve stillegging van werk te geven. [eiseres] komt tegen alle drie de beslissingen van de minister op.
1.2
De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de minister voor het niet verstrekken van de vereiste stukken terecht een boete aan [eiseres] heeft opgelegd, maar dat die te hoog is in verhouding tot de wijze waarop de boete tot stand is gekomen en welk motief daaronder ligt. Daarom verlaagt de rechtbank de boete in deze uitspraak. De beslissingen om de inspectiegegevens te publiceren en om een waarschuwing preventieve stillegging van werk te geven blijven in stand. Wat [eiseres] daartegen aanvoert slaagt niet. Zij krijgt dus gedeeltelijk gelijk.
Procesverloop 2.1
Met een besluit van 18 april 2025 (het primaire besluit 1) heeft de minister aan [eiseres] een boete opgelegd van € 12.000 wegens overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Ook heeft de minister besloten om de inspectiegegevens openbaar te maken.
2.2
Met een tweede besluit van 18 april 2025 (het primaire besluit 2) heeft de minister [eiseres] een zogenaamde waarschuwing preventieve stillegging van werk gegeven.
2.3
[eiseres] heeft tegen beide primaire besluiten bezwaar gemaakt.
2.4
Bij besluit op bezwaar van 4 september 2025 (het bestreden besluit 1) heeft de minister het bezwaar tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten. Met een tweede besluit op bezwaar van 4 september 2025 (het bestreden besluit 2) heeft de minister het bezwaar tegen het primaire besluit 2 ook ongegrond verklaard en dat besluit eveneens in stand gelaten.
2.5
[eiseres] heeft tegen beide besluiten op bezwaar beroep ingesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 heeft zaaknummer ZWO 25/2442. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 heeft zaaknummer ZWO 25/2443.
2.6
De minister heeft met één verweerschrift op beide beroepen gereageerd.
2.7
De rechtbank heeft de beroepen op 10 juli 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren namens [eiseres] [naam 1] en [naam 2] aanwezig. Namens de minister heeft mr. S. Özdemir aan de zitting deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Aanleiding
3.1
[eiseres] exploiteert een autogaragebedrijf in [vestigingsplaats]. [naam 2] is enig aandeelhouder van [eiseres]. [naam 1] is bestuurder van [eiseres].
3.2
Op 20 september 2023 hebben inspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: de arbeidsinspecteurs) het bedrijf van [eiseres] bezocht voor een controle op de naleving van de Wml. [eiseres] had toen, naast [naam 1] en [naam 2], twee medewerkers: [naam 3] (automonteur) en [naam 4] (algemeen medewerker). In het kader van de controle op de naleving van de Wml hebben de arbeidsinspecteurs stukken opgevraagd. Ook hebben de arbeidsinspecteurs gesproken met [naam 1], [naam 3] en [naam 4]. Hun bevindingen hebben de arbeidsinspecteurs op 4 oktober 2024 vastgelegd in het Boeterapport Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Hierin concluderen de arbeidsinspecteurs dat onduidelijkheid bestaat over hoeveel uren per week [naam 3] en [naam 4] in de onderzoeksperiode (dat is de periode van 1 maart 2023 tot en met 31 augustus 2023) hebben gewerkt. Hierdoor bestaat het vermoeden van mogelijke onderbetaling in deze periode. Omdat de stukken die [eiseres] heeft aangeleverd niet overeenkomen met de verklaringen van [naam 1], [naam 3] en [naam 4] is verder onderzoek naar de naleving van de Wml volgens de arbeidsinspecteurs niet mogelijk. Zij concluderen dat [eiseres] daardoor twee keer artikel 18b, tweede lid, van de Wml heeft overtreden.
3.3
Op basis van het boeterapport van 4 oktober 2024 heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals vermeld onder ‘Procesverloop’. De minister heeft besloten om alleen ten aanzien van [naam 3] aan [eiseres] een boete op te leggen wegens overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wml.

Beoordeling van de beroepen

De overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wml

4. [eiseres] stelt dat zij de Wml niet heeft overtreden, omdat [naam 3] gedurende de gehele onderzoeksperiode 32 uren per week heeft gewerkt. Dit blijkt uit de gevoerde administratie en [naam 3] is voor dat aantal gewerkte uren betaald conform de geldende Wml-normen. Ter onderbouwing wijst [eiseres] op de urenregistratie, loonstroken en bankafschriften die zij aan de arbeidsinspecteurs heeft overgelegd. Volgens [eiseres] heeft de minister ten onrechte aangenomen dat sprake was van onderbetaling en ook heeft de minister niet onderbouwd welke uren niet zouden zijn uitbetaald of waarom haar registratie onjuist zou zijn. Ter zitting heeft [eiseres] nog gewezen op de verklaring die [naam 3] op 4 juli 2025 heeft opgesteld en die [eiseres] in de bezwaarfase bij de minister heeft overgelegd. Hierin verklaart [naam 3] dat hij in de onderzoeksperiode 32 uren per week heeft gewerkt.

5. De minister meent dat wel sprake is van een overtreding, omdat onduidelijkheid bestaat over het aantal uren dat [naam 3] heeft gewerkt, nu de verklaringen van [naam 3] en [naam 1] van elkaar afwijken en niet overeenkomen met de schriftelijke stukken. Daarnaast is de urenregistratie gebrekkig.

6. Over de vraag of sprake is van overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wml overweegt de rechtbank als volgt.
6.1
Uit het boeterapport blijkt dat [naam 1] op 20 september 2023 tegen de arbeidsinspecteurs heeft verklaard dat [naam 3] in de onderzoeksperiode 36 uren per week heeft gewerkt. [naam 3] heeft zowel op 20 september 2023 als op 11 januari 2024 tegen de arbeidsinspecteurs verklaard dat hij in de onderzoeksperiode 40 uren per week heeft gewerkt. [naam 4] heeft op 5 maart 2024 tegen de arbeidsinspecteurs verklaard dat [naam 3] in de onderzoeksperiode vijf dagen per week en fulltime heeft gewerkt. In de urenregistraties uit de onderzoeksperiode die [eiseres] aan de arbeidsinspecteurs heeft verstrekt is vastgelegd dat [naam 3] 32 uren per week heeft gewerkt (vier dagen per week, acht uren per dag). Deze urenregistraties bestaan echter uit een tabel met kruisjes per werkdag, zonder aanvangstijd en eindtijd en zijn niet ondertekend voor akkoord door de werknemers. Uit de loonstroken en bankafschriften volgt dat [naam 3] steeds is betaald voor 32 uren per week.
6.2
Uit het voorgaande blijkt dat er verschil zit tussen het aantal uren per week dat [naam 3] volgens de verstrekte urenregistraties in de onderzoeksperiode heeft gewerkt en het aantal uren per week dat hij volgens de afgelegde verklaringen heeft gewerkt. Uit de verstrekte urenregistraties kan niet definitief worden afgeleid hoeveel uren per week [naam 3] in de onderzoeksperiode daadwerkelijk heeft gewerkt, omdat die niet zijn ondertekend; niet door [naam 3] en ook niet door iemand namens [eiseres]. Daarnaast zijn op die urenregistraties niet de concrete werktijden vermeld (begin- en eindtijden, pauzes). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dan ook terecht geconcludeerd dat [eiseres] niet heeft voldaan aan artikel 18b, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wml doordat geen stukken zijn verstrekt waaruit blijkt hoeveel uren [naam 3] in de onderzoeksperiode heeft gewerkt.
6.3
De verklaring van [naam 3] die in bezwaar is overgelegd, leidt niet tot een andere conclusie. Het is vaste rechtspraak dat de minister in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend boeterapport, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het boeterapport weergeven. Als die bevindingen worden betwist, moet worden onderzocht of, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen, dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. De arbeidsinspecteurs hebben het boeterapport op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakt en de rechtbank ziet niet in waarom de minister niet zou mogen uitgaan van de daarin opgenomen verklaringen. De later opgestelde en overgelegde verklaring van [naam 3] is daarvoor onvoldoende, omdat daaruit niet volgt waarom deze afwijkt van hetgeen [naam 3] eerder en tot tweemaal toe aan de arbeidsinspecteurs heeft verklaard. Daarnaast neemt die latere verklaring van [naam 3] niet weg dat in dit geval door hem ondertekende registraties van de uren die hij in de onderzoeksperiode heeft gewerkt ontbreken. De minister heeft dan ook terecht geconcludeerd dat [eiseres] ten aanzien van [naam 3] artikel 18b, tweede lid, van de Wml heeft overtreden. De stelling van [eiseres] dat zij door [naam 3] ondertekende urenregistraties niet kón indienen, omdat zij die niet had, maakt dit niet anders. Het is de eigen verantwoordelijkheid van [eiseres] om die urenregistraties wel te hebben. De gevolgen van het niet hebben van die registraties komen voor haar rekening.

Matiging van de boete

7. Tijdens de zitting heeft [eiseres] aangevoerd dat zij de boete te hoog vindt en dat die moet worden gematigd. Ter onderbouwing hiervan heeft zij gesteld dat de boetes voor onderbetaling volgens het door de minister gevoerde beleid een stuk lager zijn dan boetes voor overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wml. [eiseres] had liever een boete voor onderbetaling gekregen, want dan was het boetebedrag op € 4.500 vastgesteld, aldus [eiseres] ter zitting.

8. De minister heeft daarop tijdens de zitting toegelicht dat het vermoeden bestaat van onderbetaling, maar dat gekozen is om een boete op te leggen wegens het niet voldoen aan artikel 18b, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wml, omdat [eiseres] geen bescheiden heeft verstrekt waaruit blijkt hoeveel uren [naam 3] in de onderzoeksperiode heeft gewerkt.

9. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.
9.1
De minister heeft de hoogte van de boete bepaald op basis van artikel 8 van de Beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 2018 (hierna: de Beleidsregel). In dit artikel staat dat de boete voor het overtreden van artikel 18b, tweede lid, van de Wml € 12.000 is als de werknemer zes maanden of langer voor een werkgever werkte. In het bestreden besluit 1 heeft de minister geconcludeerd dat een boete van € 12.000 in dit geval in overeenstemming is met de ernst van de overtreding en de mate waarin die aan [eiseres] kan worden verweten. Niet is gebleken dat er omstandigheden zijn die ertoe leiden dat de boete moet worden gematigd. Wel heeft de minister er in dat bestreden besluit op gewezen dat uit coulance voor het aflossen van de boete voor [eiseres] een betalingsregeling is vastgesteld van 36 maandelijkse termijnen.
9.2
Uit rechtspraak van de Afdeling blijkt dat deze het beleid dat in de Beleidsregel is neergelegd voor het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wml niet onredelijk acht. De rechtbank ziet geen reden om daarover anders te oordelen. Dat neemt niet weg dat de minister bij de toepassing van de Beleidsregel in een individueel geval moet beoordelen of die toepassing in overeenstemming is met de wettelijke eisen die gelden voor de uitoefening van de boetebevoegdheid. Steeds moet de boete, zo nodig in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zo worden vastgesteld dat deze evenredig is. De rechter toetst het besluit van het bestuursorgaan op dat punt zonder terughoudendheid.
9.3
In dat kader acht de rechtbank van belang dat een boete op grond van artikel 5:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Ook moet daarbij zo nodig rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. In deze zaak is in wezen sprake van het vermoeden van onderbetaling. De minister heeft niet betwist dat als gekozen zou zijn voor een boete wegens onderbetaling, die boete € 4.500 zou bedragen. Dat komt de rechtbank ook aannemelijk voor gelet op wat de Beleidsregel voorschrijft bij overtreding van artikel 7 van de Wml. Met deze achtergrond wordt geen rekening gehouden bij de hoogte van de boete voor overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wml. De Beleidsregel differentieert de hoogte van de boete bij die overtreding alleen aan de duur van de tewerkstelling. De gevolgen van de keuze voor een boete op grond van artikel 18b, tweede lid, in plaats van artikel 7 van de Wml zijn groot voor [eiseres]. [eiseres] heeft toegelicht dat een boete van € 12.000 voor haar als garagebedrijf met slechts twee werknemers aanzienlijk is en dat zij gebruik maakt van een betalingsregeling. Gelet op de wijze waarop die boete tot stand is gekomen, het motief dat daaronder ligt en de gevolgen voor [eiseres], is de rechtbank van oordeel dat in dit geval de boete van € 12.000 onevenredig hoog is. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat uit de stukken blijkt dat [eiseres] haar urenregistratie ten goede heeft aangepast, en dat de minister dit ter zitting ook heeft erkend. [eiseres] hanteert nu urenregistratieformulieren waarop de start- en eindtijden worden ingevuld en die zowel door de werknemer als de werkgever worden ondertekend.
9.4
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] terecht aanvoert dat de boete onevenredig hoog is en moet worden gematigd. Het beroep met zaaknummer ZWO 25/2442 is gegrond. Op basis van artikel 8:72a van de Awb zal de rechtbank het bestreden besluit 1 vernietigen voor zover daarin de hoogte van de boete is gehandhaafd op € 12.000, het primaire besluit 1 in zoverre herroepen en de hoogte van de boete vaststellen op € 4.500 (het bedrag dat op basis van de Beleidsregel zou zijn vastgesteld als een boete voor onderbetaling zou zijn opgelegd).

De publicatie van de inspectiegegevens
10.1
In het bestreden besluit 1 heeft de minister aangegeven dat de openbaarmaking van de inspectiegegevens inmiddels heeft plaatsgevonden. [eiseres] heeft namelijk tegen het primaire besluit 1 geen verzoek om een voorlopige voorziening ingediend en in dat besluit is vermeld dat het openbaar maken van de gegevens gebeurt tien werkdagen na de datum van het besluit. In het bestreden besluit 1 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat er geen reden is om de openbaar gemaakte inspectiegegevens aan te passen.
10.2
Volgens [eiseres] is het onrechtmatig, onzorgvuldig, in strijd met het recht op effectieve rechtsbescherming en leidend tot niet makkelijk ongedaan te maken reputatieschade dat de minister al inspectiegegevens openbaar heeft gemaakt terwijl de bezwaarprocedure tegen het primaire besluit 1 nog liep. Die vervroegde openbaarmaking wekt de schijn van vooringenomenheid en heeft het bezwaarproces ondermijnd, aldus [eiseres].
10.3
Deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 18pa, eerste lid, van de Wml bepaalt dat onder meer het feit dat een bestuurlijke boete is opgelegd wegens overtreding van artikel 18b, tweede lid, openbaar moet worden gemaakt, zodat de naleving van die wet wordt bevorderd en inzicht wordt gegeven in het uitvoeren van het toezicht op grond van die wet. Het openbaar maken van de inspectiegegevens is dus een verplichting; de minister kan niet, bijvoorbeeld op basis van een belangafweging, afzien van het openbaar maken van de inspectiegegevens. Daarnaast heeft de minister aangegeven dat hij vanwege de effectiviteit ervoor heeft gekozen om de inspectiegegevens openbaar te maken voordat de boete onherroepelijk wordt; als gewacht zou worden tot onherroepelijkheid van de boete kan dat dusdanig lang duren dat openbaarheid geen zin meer heeft. Bovendien had [eiseres] bij de publicatie kunnen laten noteren dat zij tegen de boete is opgekomen. Deze uitleg van de minister kan de rechtbank goed volgen. Verder is er geen rechtsregel die voorschrijft dat de inspectiegegevens pas openbaar mogen worden gemaakt nadat het besluit tot oplegging van de bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden. Wat [eiseres] op dit punt in beroep aanvoert leidt de rechtbank dan ook niet tot het oordeel dat de minister de inspectiegegevens ten onrechte of te vroeg openbaar heeft gemaakt.

De waarschuwing preventieve stillegging van werk
11.1
[eiseres] voert in beroep aan dat de waarschuwing preventieve stillegging van werk (hierna: de waarschuwing) die zij heeft ontvangen voorbarig, onevenredig en onzorgvuldig is, omdat de onderliggende boete nog door haar wordt betwist. Volgens [eiseres] heeft de waarschuwing verstrekkende gevolgen en anticipeert die op toekomstige maatregelen zonder dat daar nu al grond voor bestaat.
11.2
De rechtbank overweegt dat de minister de waarschuwing heeft gegeven op grond van artikel 18i, eerste lid, van de Wml in combinatie met artikel 3, tweede lid en derde lid, aanhef onder c, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag. Daarbij heeft de minister ook de Beleidsregel preventieve stillegging arbeidswetten betrokken. In het bestreden besluit 2 heeft de minister geconcludeerd dat zich geen omstandigheden voordoen die in deze beleidsregel worden genoemd op grond waarvan kan worden afgezien van het geven van de waarschuwing. De rechtbank kan deze overweging volgen.
11.3
Nu de rechtbank van oordeel is dat de minister aan [eiseres] terecht een boete heeft opgelegd wegens overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wml, ziet zij geen reden om te oordelen dat de waarschuwing niet in stand kan blijven. Daarvoor voert [eiseres] te weinig aan. Zij heeft bijvoorbeeld niet onderbouwd en inzichtelijk gemaakt waarom de gevolgen van de waarschuwing onevenredig zouden zijn in verhouding tot de ernst van de begane overtreding. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen 12.1
Het beroep met zaaknummer ZWO 25/2442 is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit 1 vernietigen voor zover daarin de hoogte van de boete is gehandhaafd op € 12.000 en het primaire besluit 1 herroepen voor zover daarin de boete op dat bedrag is vastgesteld. Verder zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de boete wordt vastgesteld op € 4.500. Voor het overige blijft het bestreden besluit 1 in stand. Dit betekent dat de aan [eiseres] opgelegde boete wordt verlaagd naar € 4.500 en dat de beslissing van de minister om de inspectiegegevens te publiceren in stand blijft.
12.2
Omdat het beroep met zaaknummer ZWO 25/2442 gegrond is moet de minister in die zaak het griffierecht aan [eiseres] vergoeden. [eiseres] heeft ook gevraagd om een proceskostenvergoeding, maar niet is gebleken dat zij voor de behandeling van het beroep kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. [eiseres] heeft immers geen professionele rechtsbijstand ingeschakeld. Ook is niet gebleken dat [eiseres] in bezwaar kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is daarom geen reden.
12.3
Het beroep met zaaknummer ZWO 25/2443 is ongegrond. Dat betekent dat de aan [eiseres] gegeven waarschuwing preventieve stillegging van werk in stand blijft. In die zaak hoeft de minister geen griffierecht of een proceskostenvergoeding te betalen.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep met zaaknummer ZWO 25/2442 gegrond;

vernietigt het bestreden besluit 1 voor zover daarin de hoogte van de boete is gehandhaafd op € 12.000;

herroept het primaire besluit 1 voor zover daarin de hoogte van de boete is vastgesteld op € 12.000;

stelt de hoogte van de boete vast op € 4.500;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit 1;

gelast de minister het betaalde griffierecht van € 385 in het beroep met zaaknummer ZWO 25/2442 aan [eiseres] te vergoeden;

verklaart het beroep met zaaknummer ZWO 25/2443 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4173, rechtsoverweging 5.

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:170, rechtsoverwegingen 5.1 en 5.2, en 14 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2320, rechtsoverwegingen 8 en 11.1.

Artikel 2 van de Beleidsregel bepaalt dat de boete voor een onderbetaling van 10 tot 25% gedurende een periode van zes maanden of meer € 4.500 bedraagt. Bij onderbetaling van 32 in plaats van 40 uur per week, is daarvan sprake.

Artikel delen