Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBOVE:2026:4702

DGO heeft verhuiswerkzaamheden voor gedaagde verricht. DGO heeft gedaagde voor deze werkzaamheden een factuur gestuurd ter hoogte van € 1.305,00. Volgens gedaagde is een betalingsregeling overeengekomen voor een bedrag van € 120,00 per maand. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde het factuurbedrag in beginsel moet betalen, maar dat op het factuurbedrag een bedrag ad € 501,00 in mindering wordt...

Rechtbank Overijssel 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBOVE:2026:4702 text/xml public 2026-08-03T10:53:51 2026-08-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-07-21 12055797 CV EXPL 26-105 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:4702 text/html public 2026-08-03T10:53:27 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:4702 Rechtbank Overijssel , 21-07-2026 / 12055797 CV EXPL 26-105
DGO heeft verhuiswerkzaamheden voor gedaagde verricht. DGO heeft gedaagde voor deze werkzaamheden een factuur gestuurd ter hoogte van € 1.305,00. Volgens gedaagde is een betalingsregeling overeengekomen voor een bedrag van € 120,00 per maand. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde het factuurbedrag in beginsel moet betalen, maar dat op het factuurbedrag een bedrag ad € 501,00 in mindering wordt gebracht omdat DGO niet aan haar informatieverplichtingen heeft voldaan en omdat gedaagde inmiddels een deel van het factuurbedrag heeft betaald. De (proces)kosten van deze procedure komen ook voor rekening van gedaagde.

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 12055797 CV EXPL 26-105

Vonnis van 21 juli 2026

in de zaak van

DGO VERHUIZINGEN B.V.,

te Hoogeveen,

eisende partij,

hierna te noemen: DGO,

gemachtigde: Smit en Legebeke,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

De zaak in het kort

DGO heeft verhuiswerkzaamheden voor [gedaagde] verricht. DGO heeft [gedaagde] voor deze werkzaamheden een factuur gestuurd ter hoogte van € 1.305,00. Volgens [gedaagde] is een betalingsregeling overeengekomen voor een bedrag van € 120,00 per maand.

De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] het factuurbedrag in beginsel moet betalen, maar dat op het factuurbedrag een bedrag ad € 501,00 in mindering wordt gebracht omdat DGO niet aan haar informatieverplichtingen heeft voldaan en omdat [gedaagde] inmiddels een deel van het factuurbedrag heeft betaald. De (proces)kosten van deze procedure komen ook voor rekening van [gedaagde] . De kantonrechter legt hierna uit waarom.
<nr>1</nr>De procedure 1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 8 januari 2026,- de conclusie van antwoord van 16 februari 2026,- de conclusie van repliek van 23 februari 2026,- de conclusie van dupliek van 5 april 2026,

- de akte uitlating van 5 mei 2026 van DGO.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De feiten 2.1
DGO is een verhuisbedrijf.
2.2
[gedaagde] is een consument.
2.3
Op 24 februari 2025 heeft DGO [gedaagde] een offerte gestuurd voor het uitvoeren van verhuiswerkzaamheden en (de-)montagewerkzaamheden. Voor deze werkzaamheden is het bedrag van € 1.367,00 geoffreerd. [gedaagde] heeft de offerte ondertekend.
2.4
Op 13 maart 2025 zijn de betreffende werkzaamheden door DGO uitgevoerd.
2.5
Op 25 maart 2025 heeft DGO [gedaagde] een factuur gestuurd voor de werkzaamheden ter hoogte van € 1.305,00. Hierop staat een betalingstermijn van veertien dagen na de factuurdatum.
2.6
[gedaagde] heeft de factuur, ondanks diverse herinneringen en aanmaningen van DGO en haar gemachtigde, onbetaald gelaten.
<nr>3</nr>Het geschil 3.1
DGO vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.305,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2
DGO stelt dat [gedaagde] tekort schiet in zijn verplichting tot betaling van de factuur van 25 maart 2025.
3.3
[gedaagde] voert verweer.
3.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling
De inhoud van de overeenkomst
4.1
Vaststaat dat partijen een overeenkomst hebben gesloten waarbij DGO in opdracht en voor rekening van [gedaagde] verhuiswerkzaamheden en (de-)montagewerkzaamheden heeft verricht, waarvoor [gedaagde] op zijn beurt € 1.305,00 aan DGO zou betalen. [gedaagde] heeft immers erkend dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd en hij heeft ook de hoogte van de aan hem gezonden factuur niet weersproken. [gedaagde] moet daarom in beginsel het bedrag van € 1.305,00 betalen.
4.2
Eveneens staat vast dat op de overeenkomst de algemene voorwaarden ‘Artikelen Physical Distribution’ van toepassing zijn, nu dit tussen partijen ook niet in geschil is.

Ambtshalve toetsing informatieplichten
4.3
De vordering van DGO is gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, ook als hiertegen geen verweer is gevoerd.

Toepasselijke informatieplichten en schending daarvan
4.4
DGO stelt te hebben voldaan aan de (pre)contractuele informatieplichten van artikel 6:230m BW. Ter onderbouwing hiervan heeft zij de offerte en de algemene voorwaarden overgelegd. Uit deze stukken blijkt niet (voldoende) dat DGO voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan de informatieplicht(en) als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 onder h BW (het zogenaamde herroepingsrecht) heeft voldaan.

Sanctie
4.5
De kantonrechter moet aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn. De kantonrechter stelt vast dat de informatieplicht zoals opgenomen in artikel 6:230m lid 1 onder h een essentiële informatieplicht is. De schending van een dergelijke informatieplicht is dermate ernstig dat de overeenkomst in dit geval gedeeltelijk wordt vernietigd, bestaande uit een vermindering van de betalingsverplichting van [gedaagde] . Hiervoor sluit de kantonrechter aan bij de Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten waarin is bepaald dat bij één tot drie voldoende ernstige schendingen van de essentiële informatieplichten de betalingsverplichting met 20% wordt verminderd.

Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden ten aanzien van de gevorderde hoofdsom
4.6
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de gevorderde hoofdsom, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval.

Conclusie hoofdsom
4.7
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient de hoofdsom van € 1.305,00 met 20% te worden verminderd. Dit komt uit op een bedrag van € 1.044,00.

De (proces)kosten

Betalingsregeling?
4.8
Partijen discussiëren over de vraag of een betalingsregeling is overeengekomen voor de betaling van de factuur. Het antwoord op deze vraag is relevant voor de vraag of de vordering opeisbaar is. Als de vordering niet opeisbaar is dan kan de vordering niet worden toegewezen.
4.9
Volgens [gedaagde] is een betalingsregeling overeengekomen. [gedaagde] heeft ter onderbouwing een e-mail in het geding gebracht. Daarop is te zien dat de mail is geadresseerd aan ‘[e-mailadres 1]@...’ en de inhoud luidt als volgt:

Antw: !! Dringende reminder!! Openstaande factuur [factuurnummer] bij DGO Express

Geachte,

Ik ben doorgaans goed bereikbaar.

Zoals al aangegeven kan ik factuur door omstandigheden niet direct voldoen en hiervoor hebben we een regeling afgesproken die in gaat op 15 februari om daarna maandelijks € 120,00 te voldoen.

Hartelijk dank voor de flexibiliteit.”.

In het kader van deze betalingsregeling heeft [gedaagde] ook twee betalingsbewijzen in het geding gebracht. [gedaagde] heeft op 16 februari 2026 en 16 maart 2026 € 120,00 betaald aan DGO.
4.10
DGO betwist dat er een betalingsregeling is overeengekomen. Volgens DGO heeft zij de e-mail van [gedaagde] naar het adres ‘ [e-mailadres 1] @....’ niet ontvangen, omdat zij niet beschikt over een e-mailadres dat begint met ‘[e-mailadres 1] ’. Uit productie 5 bij dagvaarding blijkt dat partijen met elkaar per e-mail hebben gecorrespondeerd waarbij mailde DGO mailde via het adres: ‘ [e-mailadres 2] ’.

Ook ontbreekt de verzenddatum op de door [gedaagde] gepresenteerde e-mail, zodat niet kan worden vastgesteld dat de e-mail is verzonden. Verder heeft de e-mail die [gedaagde] in het geding heeft gebracht het onderwerp ‘Antw: !! Dringende reminder!! Openstaande factuur [factuurnummer] bij DGO Express’. Dit onderwerp is door DGO gebruikt bij haar e-mail van 12 juni 2025. Het is dan vreemd dat partijen rondom die datum een regeling zouden hebben getroffen die ingaat op 15 februari 2026.

Tot slot erkent DGO dat zij de betaling van [gedaagde] op 16 februari 2026 en 16 maart 2026 heeft ontvangen, welke betalingen in mindering kunnen strekken op de vordering. Aan de betalingen ligt echter geen betaalafspraak of betalingsregeling ten grondslag.
4.11
Nu [gedaagde] zich beroept op de rechtsgevolgen van het bestaan van een betalingsregeling rust op hem volgens de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de stelplicht en de bewijslast van dit feit. Door DGO is gemotiveerd betwist dat er sprake is van een betalingsregeling en [gedaagde] heeft in dat verband zijn stelling onvoldoende onderbouwd. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen door bijvoorbeeld bewijsstukken in het geding te brengen waarop de datum is vermeld dat hij de betalingsregeling heeft aangevraagd en de datum van bevestiging van de betalingsregeling door DGO. Ook heeft [gedaagde] niet gesteld wat de voorwaarden van de vermeende betalingsregeling waren. Nu door [gedaagde] geen andere feiten en omstandigheden zijn aangevoerd waaruit afgeleid kan worden dat er een betalingsregeling tussen hem en DGO tot stand is gekomen, komt dit niet vast te staan.
4.12
Aangezien de vordering opeisbaar was en het bestaan van een betalingsregeling die aan opeisbaarheid in de weg staat, niet kan worden aangenomen, is de vordering toewijsbaar. De kantonrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen in de (proces)kosten, behoudens de buitengerechtelijke incassokosten.

De buitengerechtelijke incassokosten
4.13
DGO vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.
4.14
DGO heeft in artikel 10 van de algemene voorwaarden een beding opgenomen over incassokosten:

‘Artikel 10 BETALINGSVOORWAARDEN

1. Alle bedragen die, uit welken hoofde ook, door de opdrachtgever aan de physical distributor verschuldigd zijn, zullen worden betaald, met inachtneming van de overeengekomen termijn of bij gebreke aan een overeengekomen termijn binnen veertien dagen na de factuurdatum.

2. (…).

3. De physical distributor is gerechtigd om alle noodzakelijke gemaakte buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten ter incasso van de bedragen, zoals vermeld in lid 1, aan de opdrachtgever in rekening te brengen. De buitengerechtelijke incassokosten zijn eerst verschuldigd vanaf het moment dat de opdrachtgever in verzuim is en de vordering ter incasso uit handen is gegeven.’
4.15
De kantonrechter is van oordeel dat het bovengenoemde beding, wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten, oneerlijk is. De consument kan namelijk niet uit het beding begrijpen dat na aanmaning hij nog veertien dagen de tijd heeft om zonder extra kosten te betalen. Ook is er geen enkel richtsnoer voor verschuldigde tarieven gegeven. Uit het beding lijkt te volgen dat DGO de vrije hand heeft bij bepaling van in rekening te brengen kosten. Hierdoor wijkt het beding voor [gedaagde] ten nadele af van de wettelijke regeling van artikel 6:96 lid 6 BW. Het beding wordt, wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten, vernietigd. Doordat sprake is van een oneerlijk beding kan niet worden teruggevallen op de wettelijke regeling. De kantonrechter zal de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten afwijzen.

De wettelijke rente
4.16
DGO vordert daarnaast een bedrag van € 58,21 aan verschenen rente tot en met 6 januari 2026. Ook vordert DGO de wettelijke rente over een bedrag van € 1.305,00 tot aan de dag van volledige betaling. De gevorderde rente is niet toewijsbaar omdat deze is berekend over een te hoge hoofdsom. De kantonrechter zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijzen over de lagere hoofdsom vanaf 8 april 2025. Over de periode van 8 april 2025 tot 16 februari 2026 betreft de wettelijke rente (over het bedrag van € 1.044,00) € 51,26 en over de periode van 16 februari tot 16 maart 2026 betreft de wettelijke rente (over het bedrag van € 924,00) € 7,14. De kantonrechter zal vervolgens de wettelijke rente vanaf 17 maart 2026 toewijzen over de lagere hoofdsom.

Conclusie
4.17
De betalingen van [gedaagde] van in totaal € 240,00 strekken op grond van artikel 6:44 BW eerst in mindering op de kosten, vervolgens op het bedrag aan verschenen rente, dan op de hoofdsom en ten slotte op de lopende rente. Omdat de wettelijke rente berekend tot en met 16 maart 2025 € 58,40 bedroeg zullen de betalingen eerst in mindering op dat bedrag strekken. Vervolgens zullen de betalingen in mindering strekken op de toewijsbare hoofdsom. De kantonrechter zal [gedaagde] veroordelen tot betaling van € 862,40 (€ 1.044,00 - € 181,60). De kantonrechter zal de wettelijke rente vanaf 17 maart 2026 toewijzen over de lagere hoofdsom van € 862,40.

De proceskosten
4.18
[gedaagde] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Dit zou op zichzelf kunnen meebrengen dat [gedaagde] het griffierecht moet vergoeden zoals aan DGO in rekening is gebracht. Dit griffierecht is vastgesteld op grond van de totale vordering, zoals in de dagvaarding omschreven. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wordt slechts een deel van de vordering toegewezen. Indien DGO op de juiste manier haar vordering had ingediend, zou een lager bedrag aan griffierecht zijn berekend. Dat lagere bedrag zal hierna in de kostenveroordeling worden opgenomen; het meerdere dient als nodeloos gemaakte kosten voor rekening van DGO te worden gelaten. Het salaris van de gemachtigde is afgestemd op de vordering zoals deze toewijsbaar is gebleken. De proceskosten van DGO worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding



127,08

- griffierecht



350,00

- salaris gemachtigde



288,00

(2 punten × € 144,00)

- nakosten



77,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



842,08.
<nr>5</nr>De beslissing
De kantonrechter
5.1
veroordeelt [gedaagde] om aan DGO te betalen een bedrag van € 862,40, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 17 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 842,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Hermsen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 door mr. R.F. van Aalst. (jjm)

HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.

HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.

HvJ EU 27 januari 2021, C-229/19 en 289/19, ECLI:EU:C:2021:68 ECLI:EU:C:2021:68

Artikel delen