Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBOVE:2026:4703

Tussen gedaagde en WOO is een overeenkomst van borgtocht tot stand gekomen. Partijen zijn overeengekomen dat gedaagde gedurende de periode van 1 oktober 2023 tot 30 september 2026 kan worden aangesproken om de verplichtingen die voortkomen uit de huurovereenkomst tussen WOO en bedrijf 1 B.V. te voldoen. Omdat bedrijf 1 B.V. een huurachterstand heeft laten ontstaan en deze ook na aanmaningen nie...

Rechtbank Overijssel 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBOVE:2026:4703 text/xml public 2026-08-03T10:45:42 2026-08-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-07-21 12099629 CV EXPL 26-521 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:4703 text/html public 2026-08-03T10:42:52 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:4703 Rechtbank Overijssel , 21-07-2026 / 12099629 CV EXPL 26-521
Tussen gedaagde en WOO is een overeenkomst van borgtocht tot stand gekomen. Partijen zijn overeengekomen dat gedaagde gedurende de periode van 1 oktober 2023 tot 30 september 2026 kan worden aangesproken om de verplichtingen die voortkomen uit de huurovereenkomst tussen WOO en bedrijf 1 B.V. te voldoen. Omdat bedrijf 1 B.V. een huurachterstand heeft laten ontstaan en deze ook na aanmaningen niet voldoet, wordt gedaagde aangesproken als borg. De kantonrechter gaat voorbij aan de verweren van gedaagde en wijst de vordering toe. Dat gedaagde niet langer de (indirecte) bestuurder van bedrijf 1 B.V. was toen de huurachterstand ontstond, staat namelijk los van de overeenkomst van borgtocht. Verder heeft WOO genoeg gedaan om de vordering op de hoofdschuldenaar (bedrijf 1 B.V.) te verhalen voordat zij gedaagde als borg heeft aangesproken. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen.

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 12099629 CV EXPL 26-521

Vonnis van 21 juli 2026

in de zaak van

WOO EXPLOITATIES B.V.,

te Maarssen,

eisende partij,

hierna te noemen: WOO,

gemachtigden: mr. Th. van Wijngaarden en H. Makkinga,

tegen

[gedaagde] ,

te zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.
<nr>1</nr>De zaak in het kort
Tussen [gedaagde] en WOO is een overeenkomst van borgtocht tot stand gekomen. Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] gedurende de periode van 1 oktober 2023 tot 30 september 2026 kan worden aangesproken om de verplichtingen die voortkomen uit de huurovereenkomst tussen WOO en [bedrijf 1] B.V. te voldoen. Omdat [bedrijf 1] B.V. een huurachterstand heeft laten ontstaan en deze ook na aanmaningen niet voldoet, wordt [gedaagde] aangesproken als borg. De kantonrechter gaat voorbij aan de verweren van [gedaagde] en wijst de vordering toe. Dat [gedaagde] niet langer de (indirecte) bestuurder van [bedrijf 1] B.V. was toen de huurachterstand ontstond, staat namelijk los van de overeenkomst van borgtocht. Verder heeft WOO genoeg gedaan om de vordering op de hoofdschuldenaar ( [bedrijf 1] B.V.) te verhalen voordat zij [gedaagde] als borg heeft aangesproken. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen.
<nr>2</nr>De procedure 2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.
2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>3</nr>De feiten 3.1
[gedaagde] was de enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] B.V.
3.2
[bedrijf 2] B.V. was in de periode van 10 augustus 2023 tot 8 juli 2024 bestuurder van [bedrijf 1] B.V.
3.3
[bedrijf 1] B.V. huurde van WOO een winkelruimte (ex artikel 7:290 BW) op de begane grond aan de [adres] van 1 oktober 2023 tot 30 november 2025.
3.4
In de huurovereenkomst is (onder meer) het volgende overeengekomen:

“17.14 Zekerheidstelling:

Tot meerdere zekerheidstelling ten behoeve van huurder, zijn de heren [gedaagde] en [naam] gedurende de periode van 1 oktober 2023 tot 30 september 2026 in privé aan te spreken op de verplichtingen welke voortkomen uit deze huurovereenkomst. Na ommekomst van laatst genoemde datum is deze bepaling niet langer van kracht”
3.5
De huurovereenkomst is ingegaan op 1 oktober 2023. [gedaagde] heeft het huurcontract ondertekend op 11 september 2023.
3.6
[bedrijf 1] B.V. heeft over de maanden mei en juni 2025 een huurachterstand laten ontstaan van € 7.824,00.
3.7
In een brief van 20 juni 2025 is [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor betaling van de huurachterstand uit hoofde van de borgtocht.
3.8
De huurachterstand is opgelopen tot een bedrag van € 19.560,00. Dit is de onbetaalde huur over de maanden mei tot en met september 2025. Op 5 september 2025 is [gedaagde] als borg aangesproken voor deze volledige huurachterstand. Ook de heer [naam] is als borg aangesproken tot betaling.
3.9
Op 26 november 2025 is namens WOO betaling van € 20.000,00 tegen finale kwijting voorgesteld. Met instemming van WOO heeft [naam] € 10.000,00 betaald tegen finale kwijting.
3.10
[bedrijf 1] B.V. is failliet gegaan op 5 november 2025.
<nr>4</nr>Het geschil
Wat wil WOO?
4.1
WOO vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 10.516,20, vermeerderd met rente en kosten.
4.2
WOO legt aan de vordering het volgende ten grondslag. WOO vordert nog € 10.000,00 aan onbetaalde huur van [gedaagde] als borg. Van [bedrijf 1] B.V. is gelet op het feit dat deze vennootschap is gefailleerd geen betaling te verkrijgen/verwachten, zodat WOO de borgstellers kan aanspreken tot betaling. De borgtocht geldt in ieder geval voor de periode tot 30 september 2026 en de borgtocht is niet geëindigd of overgenomen. Verder vordert WOO € 516,20 voor buitengerechtelijke incassokosten.

Wat vindt [gedaagde] daarvan?
4.3
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van WOO, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van WOO.
4.4
[gedaagde] voert het volgende aan. [gedaagde] voelt zich niet verantwoordelijk voor de huurachterstand, omdat deze is ontstaan in de periode dat [bedrijf 1] B.V. andere bestuurders en eigenaren had. Verder moet WOO zich eerst tot de curator van [bedrijf 1] B.V. wenden om de huurachterstand te verhalen op het bedrijf.
4.5
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
<nr>5</nr>De beoordeling
[gedaagde] heeft zich borg gesteld voor de huurachterstand die is ontstaan
5.1
WOO heeft [gedaagde] aangesproken om de huurachterstand van [bedrijf 1] B.V. te betalen. [gedaagde] voert het verweer dat dat niet kan, omdat de huurachterstand is ontstaan op het moment dat hij niet langer het (indirecte) bestuur over [bedrijf 1] B.V. had. Hij voelt zich daarom niet verantwoordelijk voor de financiële verplichtingen van de onderneming.
5.2
De kantonrechter gaat voorbij aan dit verweer. [gedaagde] betwist niet dat hij met WOO is overeengekomen dat hij gedurende de periode van 1 oktober 2023 tot 30 september 2026 kan worden aangesproken om de verplichtingen die voortkomen uit de huurovereenkomst tussen WOO en [bedrijf 1] B.V. te voldoen. Daarmee is een overeenkomst van borgtocht tot stand gekomen. Ook betwist [gedaagde] niet dat [bedrijf 1] B.V. een huurachterstand heeft laten ontstaan over de maanden mei tot en met september 2025. [gedaagde] is in de periode van 1 oktober 2023 tot 30 september 2026 aangesproken om de huurachterstand te voldoen. Dat betekent dat aan de voorwaarden uit de borgstelling is voldaan. Het klopt dat [gedaagde] vanaf 8 juli 2024 niet langer het indirecte bestuur had over [bedrijf 1] B.V., maar dat staat los van zijn verplichtingen op grond van de overeenkomst van borgtocht. Daar kan hij nog steeds aan worden gehouden.

[gedaagde] kan worden aangesproken tot betaling op grond van de borgtocht
5.3
[gedaagde] voert het verweer dat WOO contact op had moeten nemen met de curator van [bedrijf 1] B.V. om betaling van de huurachterstand te verkrijgen. Volgens [gedaagde] zijn binnen het failliete bedrijf voldoende inventaris en andere activa aanwezig waarop WOO zich kan verhalen.
5.4
[gedaagde] is als borg niet gehouden tot nakoming voordat [bedrijf 1] B.V. in de nakoming van zijn verbintenis is tekort geschoten. WOO stelt dat zij [bedrijf 1] B.V. uitvoerig tot betaling heeft gesommeerd en dat dat niet resulteerde in betaling van de vordering. WOO heeft daarbij de ingebrekestelling van 20 juni 2025 en een sommatie van 17 juli 2025 overgelegd. Dit alles heeft [gedaagde] niet weersproken, zodat de kantonrechter daarvan uit zal gaan. Dat betekent dat [bedrijf 1] B.V. in de nakoming van haar verbintenis is tekortgeschoten, zodat [gedaagde] als borg gehouden is tot nakoming.
5.5
[gedaagde] stelt dat [bedrijf 1] B.V. ook nog had moeten proberen om de vordering te verhalen na het faillissement van [bedrijf 1] B.V., maar dat faillissement is pas uitgesproken op 5 november 2025. Bovendien stelt WOO dat er geen voorraden zijn waar zij haar vordering op kan verhalen. Dat heeft [gedaagde] onvoldoende weersproken. WOO heeft namelijk verwezen naar het openbare faillissementsverslag van [bedrijf 1] B.V. waarin staat dat er geen voorraden zijn. De kantonrechter gaat uit van de juistheid van dat verslag, tenzij [gedaagde] iets aanvoert om daaraan te twijfelen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Hij stelt weliswaar dat bij de inbraak alleen dummies zijn gestolen en dat de echte voorraad nog in bezit is van [bedrijf 1] B.V., maar die stellingen zijn onvoldoende onderbouwd. Daar is meer voor nodig dan het overleggen van enkele foto’s van sieraden en een lijst met spullen. Daaruit blijkt namelijk niet dat het gaat over voorraden van [bedrijf 1] B.V. en dat die voorraden zich nu in de boedel van [bedrijf 1] B.V. bevinden.

De buitengerechtelijke incassokosten
5.6
WOO Exploitaties vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] is gedagvaard in zijn hoedanigheid als privépersoon en dus als een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding zal worden afgewezen. Er is namelijk niet gebleken dat aan [gedaagde] een aanmaning is verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW.

De proceskosten
5.7
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van WOO worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding



127,08

- griffierecht



559,00

- salaris gemachtigde



864,00

(2 punten × € 432,00)

- nakosten



144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



1.694,08
<nr>6</nr>De beslissing
De kantonrechter
6.1
veroordeelt [gedaagde] om aan WOO te betalen een bedrag van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 11 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,
6.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.694,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.

Zoals bedoeld in artikel 7:850 en verder van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Dat staat in artikel 7:855 BW.

Artikel delen