Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBOVE:2026:4708

Vrijwaringsincident.

Rechtbank Overijssel 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBOVE:2026:4708 text/xml public 2026-08-03T10:59:12 2026-08-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-07-21 12202182 CV EXPL 26-639 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almelo Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:4708 text/html public 2026-08-03T10:58:54 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:4708 Rechtbank Overijssel , 21-07-2026 / 12202182 CV EXPL 26-639
Vrijwaringsincident.

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: 12202182 CV EXPL 26-639

Vonnis in incident van 21 juli 2026

in de zaak van

[partij A] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

hierna te noemen: [partij A] ,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

tegen

[partij B] B.V.,

te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

hierna te noemen: [partij B] ,

gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.
<nr>1</nr>De procedure 1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 20 april 2026 met producties;

- de conclusie van antwoord tevens houdende incident tot oproeping in vrijwaring met een productie;

- de conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring tevens houdende voorlopige reactie in de hoofdzaak van [partij A] .
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident, dat heden bij vervroeging is uitgesproken.
<nr>2</nr>De beoordeling in het incident
In de hoofdzaak
2.1
In de hoofdzaak vordert [partij A] (kort samengevat) dat de koopovereenkomst met [partij B] wordt ontbonden en dat [partij B] wordt veroordeeld tot terugbetaling van de koopsom en tot betaling van de expertisekosten, te vermeerderen met rente en kosten.

In het incident
2.2
[partij B] vordert haar toe te staan om [naam] in vrijwaring te mogen oproepen. Daaraan heeft [partij B] ten grondslag gelegd dat [naam] de verkoper van de betreffende auto is, omdat zijn naam op de koopovereenkomst staat en niet die van [partij B] . Daarom zouden de mogelijke gevolgen van de procedure in de hoofdzaak door [naam] gedragen moeten worden en niet door [partij B] .
2.3
[partij A] is het daar niet mee eens en voert daartoe aan dat de vrijwaringsvordering kennelijk ongegrond is en dat eventuele toewijzing zou leiden tot onaanvaardbare en onevenredige vertraging van de hoofdzaak.
2.4
De kantonrechter stelt voorop dat een vordering tot vrijwaring in beginsel toewijsbaar is, indien voldoende gemotiveerd en concreet wordt gesteld dat de verzoeker tot vrijwaring in geval van een voor hem ongunstige afloop van de hoofdzaak, krachtens hun onderlinge rechtsverhouding, een verhaalsrecht kan hebben op diegene die hij in vrijwaring wenst op te roepen. Of die rechtsverhouding daadwerkelijk bestaat, behoeft in het vrijwaringsincident nog niet vast komen te staan.
2.5
De kantonrechter stelt vast dat [partij B] niet heeft gesteld wat de onderlinge rechtsverhouding tussen haar en [naam] is, op grond waarvan zij een verhaalsrecht op hem zou hebben. De enkele stelling dat niet zij maar [naam] de verkoper is geweest, is een verweer in de hoofdzaak. Dat betekent dat de kantonrechter de incidentele vordering van [partij B] om [naam] in vrijwaring op te roepen op grond van voorgaande zal afwijzen.
2.6
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van dit incident betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:

- salaris gemachtigde



360,00

(1 punt × € 360,00)

- nakosten



144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



504,00

In de hoofdzaak
2.7
De kantonrechter zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Daartoe wordt de hoofdzaak naar de rol verwezen zodat (de gemachtigden van) partijen hun verhinderdata kunnen opgeven waarna een mondelinge behandeling in de hoofdzaak kan worden gepland.
2.8
De kantonrechter wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen – ook in het nadeel van die partij – kan maken die zij geraden zal achten.
2.9
Indien een partij wenst dat de kantonrechter bij de beoordeling van het geschil rekening houdt met bijvoorbeeld brieven of andere schriftelijke stukken, dient zij deze uiterlijk tien dagen voordat de zitting plaatsvindt aan de kantonrechter en haar wederpartij toe te zenden.
2.10
Op de mondelinge behandeling wordt aan de gemachtigden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten.
2.11
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de kantonrechter tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.
2.12
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
<nr>3</nr>De beslissing
De kantonrechter

in het incident
3.1
wijst de incidentele vordering tot vrijwaring af,
3.2
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van het incident, aan de zijde van [partij A] tot aan dit vonnis vastgesteld op € 504,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3
verklaart de proceskostenveroordeling in dit incident uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak
3.4
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door mr. U. van Houten, in het gerechtsgebouw te Almelo, Egbert Gorterstraat 5, op een door de kantonrechter vast te stellen datum en tijd,
3.5
bepaalt dat [partij A] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat [partij B] dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,
3.6
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van dinsdag 18 augustus 2026 voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden september 2026 tot en met december 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
3.7
bepaalt dat bij gebreke van de opgevraagde opave(n) de kantonrechter het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
3.8
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
3.9
wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling in beginsel 90 minuten zal worden uitgetrokken,
3.10
houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.

Artikel delen